Dr. Edwin Horlings

Medewerkers

Edwin Horlings werkt sinds oktober 2007 als senior onderzoeker in de afdeling Science System Assessment. Hij leidt een aantal projecten op het gebied van de Nederlandse kennisinfrastructuur.

 

Specialisatie in de wetenschap

Selectie is cruciaal in wetenschap en innovatie. Middelen zijn schaars en de concurrentie is scherp. Door zich te profileren kunnen onderzoekers, instellingen en landen hun kansen vergroten. In een aantal projecten wordt onderzocht hoe wetenschappelijke portfolio’s tot stand komen en wat de effecten van beleid zijn.

In 2010 hebben Peter van den Besselaar en Edwin Horlings onderzocht of het beleid van focus en massa effect heeft gehad op de samenstelling van de wetenschappelijke output van Nederland. Zijn de focusgebieden belangrijker geworden? Is Nederland internationaal sterk geworden in de focusgebieden? Het rapport “Focus en massa in het wetenschappelijk onderzoek: de Nederlandse onderzoeksportfolio in internationaal perspectief” is op 17 maart aangeboden aan de Vaste Kamercommissie OCW.

Met de verzamelde gegevens is een analyse gemaakt van wereldwijde convergentie in de wetenschap. In “Convergence in science: Growth and structure of worldwide scientific output, 1993-2008” vonden we bewijs voor twee soorten convergentie: de wetenschappelijke output van kleine wetenschapssystemen groeit sneller dan die van grote systemen en de portfolio’s van landen zijn meer op elkaar gaan lijken. De wereld convergeert echter niet naar een uniform portfolio. Er zijn acht ‘convergence clubs’, elk met een specifiek portfolio. Nederland lijkt sterk op andere ontwikkelde westerse landen – zoals de VS, Duitsland, Zweden en Zwitserland ¬– waar het (bio)medische onderzoek domineert. In een volgend project wordt onderzocht hoe de comparatieve voordelen van landen het portfolio van de wetenschap beïnvloeden.

Inmiddels bouwt het Rathenau Instituut voort op het onderzoek naar focus en massa met een analyse van groei, specialisatie en kwaliteit van het wetenschappelijke onderzoek dat relevant is voor de nieuwe topsectoren.

 

Grootschalige onderzoeksfaciliteiten

Grootschalige onderzoeksfaciliteiten vormen een essentieel onderdeel van de Nederlandse kennisinfrastructuur. Het is een zeer dynamisch onderwerp: alle wetenschappelijke gebieden ontwikkelen grootschalige infrastructuren (zelfs de sociale en geesteswetenschappen), via de European Strategy Forum for Research Infrastructures (ESFRI) wordt gewerkt aan internationale megafaciliteiten, en tegelijkertijd zien we de opkomst van virtuele en gedistribueerde faciliteiten die op een andere manier grootschaligheid bereiken.

In 2008 hebben we een inventarisatie gemaakt van de grootschalige onderzoeksfaciliteiten van Nederland (“Groot in 2008”). We vonden er 66, verdeeld over alle domeinen en over alle soorten faciliteit. Met dit onderzoek hebben we het werk van de Commissie Roadmap Grootschalige Onderzoeksfaciliteiten (voorgezeten door Wim van Velzen) ondersteund. In een tweede rapport is een vergelijking gemaakt van de prioritering en financiering van investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten in Australië, Duitsland, Denemarken, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Zweden (“Investeren in onderzoeksfaciliteiten”). De uitgaven aan de Nederlandse onderzoeksinfrastructuur zijn in de afgelopen 30 jaar steeds minder inzichtelijk geworden. Een deel van het gebrek aan inzichtelijkheid kan worden toegeschreven aan de systematiek van financiering: de Nederlandse financiering van faciliteiten is versnipperd.

 

Netwerken en clustering

Iedereen verwacht dat wetenschappelijk onderzoek direct of indirect zal helpen om grote maatschappelijke problemen op te lossen en innovatie te bevorderen. In een aantal projecten onderzoeken we manieren waarop wetenschap en samenleving met elkaar in contact komen. We onderzoeken de samenwerking tussen wetenschappers, bedrijven en overheden. En kijken naar de effecten van het regionaal of lokaal clusteren van kennisintensieve activiteiten.

 

Water

In een gezamenlijk project met KWR Watercycle Research Institute en de Vrije Universiteit doen we onderzoek naar productie, uitwisseling en gebruik van kennis in de watersector. In een enquête onder de leden van Waternetwerk hebben we professionals in de watersector – werkzaam in waterschappen, drinkwaterbedrijven, industrie, wetenschap, enzovoorts – gevraagd naar hun externe professionele netwerk. Wat voor mensen hebben zij in hun netwerk? Zijn hun contacten gelijksoortig of juist anders? Wat voor relaties hebben zij en wat verwachten ze ermee te bereiken? De resultaten worden in 2011 gepresenteerd en gepubliceerd. Bei Wen gebruikt methoden uit de scientometrie en de sociale netwerkanalyse om te onderzoeken welke kennis wordt geproduceerd, welke netwerken er in de watersector bestaan, en en wat wetenschappers en andere actoren motiveert om samen te werken en kennis uit te wisselen. Pieter Heringa onderzoekt de factoren die bepalen of interacties leiden tot innovatie. Helpt het als actoren dichtbij elkaar werken, veel op elkaar lijken of elkaar al lang kennen?

 

Science parken

Thomas Gurney onderzoekt de ontwikkeling van netwerken tussen wetenschappers, uitvinders en ondernemers rond science parken. Met een internationaal team van onderzoekers onderzoekt hij science parken in Nederland, Japan en Frankrijk. Met scientometrische methoden analyseert Thomas hoe de kennis van wetenschappers zijn weg vindt naar patenten en welke relaties ondernemers op science parken hebben met actoren in hun omgeving. Het onderzoek zal in 2011 en 2012 resulteren in een aantal publicaties.

 

Opleiding en loopbaan
Edwin studeerde economische en sociale geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij werkte als promovendus en later als postdoctoraal onderzoeker in het pionierproject Reconstructie van de Nationale Rekeningen van Nederland 1800-1913. In 1995 promoveerde hij in Utrecht op een onderzoek naar de economische ontwikkeling van de Nederlandse dienstensector tussen 1800 en 1850. Van 1995 tot 2000 werkte aan de Universiteit Utrecht, in het Centrum voor Economische Studiën van de Katholieke Universiteit Leuven, aan de Universiteit van Amsterdam en (als gastonderzoeker) aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn onderzoek was gericht op de langetermijn ontwikkeling en structurele verandering van nationale economieën en op de analyse van de kwaliteit van het bestaan. In 2001 verruilde hij de universiteit voor het bedrijfsleven; van 2001 tot 2006 werkte hij in het Europese kantoor van de RAND Corporation, een vooraanstaand Amerikaanse beleidsonderzoeksbureau. Zijn werk had vooral betrekking op het domein van de informatiesamenleving en het ICT-beleid, op wetenschap, technologie en hoger onderwijs en op ex ante impact assessment voor de Europese Commissie.

Naar alle medewerkers