• U moet ingelogd zijn om onderwerpen te kunnen volgen.

    Log-in als u al een account heeft of maak een gratis account aan.

Publieke kennisorganisaties

Dit factsheet geeft informatie over de financiële ontwikkelingen bij de publieke kennisorganisaties. Publieke kennisorganisaties zijn (deels) publiek gefinancierde kennisorganisaties die gepositioneerd zijn buiten de academische wereld van universiteiten, UMCs en NWO- en KNAW-instituten. Zij doen onderzoek gericht op de ondersteuning van publieke, kennisintensieve taken. Het gaat om organisaties zoals het NFI (Nederlands Forensisch Instituut), TNO (Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek), het Trimbos-instituut en instituut Clingendael.

Taken

Met hun werk dragen publieke kennisorganisaties bij aan de realisatie van verantwoordelijkheden van de overheid (zoals voedselveiligheid), en maatschappelijke doelen die de overheid stelt (zoals economische groei). Ze genereren, verzamelen en verspreiden kennis om het welzijn, de welvaart en de veiligheid van Nederland nu en in de toekomst veilig te stellen. Hun bestaansrecht ligt dan ook niet bij het onderzoek dat zij doen, maar bij de publieke belangen die zij daarmee borgen. Hun werk wordt gedreven door de kennisbehoefte van overheden, bedrijven, industrie, politie, maatschappelijk werkers, patiënten en consumenten, etc.

In de Nederlandse kennisinfrastructuur kunnen we vijf groepen publieke kennisorganisaties onderscheiden. De planbureaus en departementale kennisorganisaties zijn hoofdzakelijk gericht op beleidsondersteunend onderzoek. Ze monitoren maatschappelijke ontwikkelingen, brengen de (potentiële) consequenties van beleid in beeld en evalueren het beleid. De beleidsuitvoerende kennisorganisaties ondersteunen de rijksoverheid door taken uit te voeren die invulling geven aan een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid, zoals forensisch onderzoek, het testen van voedingsmiddelen en het coördineren van het rijksvaccinatieprogramma. De TO2-instellingen ondersteunen het bedrijfsleven, industrie en overheid door het (vaak in consortia met overheden, bedrijven en kennisinstellingen) uitvoeren en/of faciliteren van (veelal pre-competitief) onderzoek en innovatie. Daarvoor beheren deze instellingen grootschalige faciliteiten. De sectorgeoriënteerde stichtingen combineren beleidsondersteunend onderzoek met een focus op de kennisbehoefte van professionals in de gezondheidszorg-, sport-, cultuur- en veiligheidssector en hun cliënten. Dat doen ze door beschikbare kennis te verzamelen en actief te delen, ontwikkelingen te monitoren en (o.a.) cursussen en richtlijnen te ontwikkelen. De kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling combineren hun (beleidsondersteunend) onderzoek met het geven van onderwijs voor (toekomstige) professionals van defensie, politie en diplomaten (en andere internationaal georiënteerde functies).

Voor meer achtergrond bij deze indeling en de specifieke functies per publieke kennisorganisatie, verwijzen wij naar de Feiten & Cijfers publicatie over deze organisaties. Een overzicht van de individuele publieke kennisorganisaties kunt u hier vinden.

In het volgende figuur is de omvang van deze groepen weergegeven, gebaseerd op de totale omzet in 2016. We zien dan dat de TO2-instellingen en de beleidsuitvoerende kennisorganisaties samen meer dan driekwart van de omzet ontvangen.

Omvang publieke kennisorganisaties per groep (in 2016, in miljoenen euro)

Gegevens: Download als csv bestand
Bron: zie einde factsheet, bewerking cijfers Rathenau Instituut

Financiering

Publieke kennisorganisaties hebben verschillende organisatievormen en ontvangen financiering onder verschillende voorwaarden. De financieringsbronnen zijn in deze factsheet ondergebracht onder drie vormen van inkomsten:

  1. Publieke kennisorganisaties ontvangen een vorm van institutionele financiering. Dit is financiering die op structurele basis aan de publieke kennisorganisaties wordt verstrekt. Daaronder vallen de jaarlijks terugkerende budgetten van de rijksoverheid in de vorm van bijvoorbeeld een rijksbijdrage of een instellingssubsidie. Deze financiering wordt niet in competitie met andere organisaties verkregen.
  2. In competitie met andere partijen verkrijgen publieke kennisorganisaties projectfinanciering. Hierbij gaat het om onderzoekssubsidies uit bijvoorbeeld Horizon2020 of ZonMW programma’s en contractonderzoek voor zowel private als publieke partijen. Kleine, eenmalige opdrachten van de overheid worden soms rechtstreeks aan de publieke kennisorganisaties verstrekt.
  3. Daarnaast ontvangen sommige publieke kennisorganisaties inkomsten die niet direct aan onderzoek of kennisintensieve dienstverlening gebonden zijn, zoals inkomsten uit licenties of verhuur. Deze vallen onder de overige inkomsten. Rentebaten en -lasten zijn in deze cijfers niet meegenomen.

informatie over de manier waarop het Rathenau Instituut de oorspronkelijke financieringsbronnen verdeelt over deze drie categorieën kunt u vinden in de eerder genoemde Feiten en Cijfers publicatie.

De inkomsten van individuele publieke kennisorganisaties kunnen gevonden worden in het achterliggende excel-bestand.

Inkomsten publieke kennisorganisaties 2010-2016, in miljoenen euro's

Gegevens: Download als csv bestand
Bron: zie einde factsheet: bewerking Rathenau Instituut
Notities: De bedragen voor institutionele financiering en projectfinanciering wijken af van de cijfers in de Feiten & Cijfers publicatie, omdat de financiering van het Rijksvaccinatieprogramma bij het RIVM van de categorie projectfinanciering is verplaatst naar de categorie institutionele financiering. Daarmee sluit het Rathenau Instituut aan bij de wijze van rapporteren zoals deze per 2015 is ingevoerd in het jaarverslag en slotwet van het ministerie van VWS. Om eerdere jaren gelijk te kunnen trekken zijn gegevens opgevraagd bij het RIVM. In 2016 rapporteert het Clingendael hun meerjarenprogramma voor het ministerie van Buitenlandse Zaken niet langer als institutionele financiering. Hierdoor vindt een verschuiving plaats van ongeveer €2 miljoen van institutionele naar projectfinanciering.

 

In 2016 stijgen de inkomsten van de publieke kennisorganisaties voor het eerst sinds 2011. Ten opzichte van 2015 zijn de inkomsten 2,2% (€ 47,8 miljoen) hoger. De institutionele financiering stijgt met 1,9%, de projectfinanciering met 3,7%.

Over de volledige weergegeven periode (2010-2016) blijven de inkomsten van de publieke kennisorganisaties dalen, met 6,1% (€ 142,2 miljoen).  Deze afname zien we in alle financieringsbronnen terug. De institutionele financiering loopt terug met 7,3%. De projectfinanciering loopt terug met 5,3 %. Dat betekent dat de afname van structurele bijdragen door de rijksoverheid niet wordt gecompenseerd door extra inkomsten uit contractonderzoek.  De overige inkomsten stijgen licht, met 1,3%.

Ontwikkeling inkomsten publieke kennisorganisaties 2010-2015 en 2010-2016, per groep, in %

Gegevens: Download als csv bestand
Bron: zie einde factsheet

Zoals figuur 3 laat zien profiteren niet alle publieke kennisorganisaties in gelijke mate van deze stijging. De inkomsten stijgen bij alle groepen behalve de TO2-instellingen. De sterkste stijging vinden we bij de kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling (8,1%) en de planbureaus en departementale kennisinstellingen (7,4%). De inkomsten van de Politieacademie stijgen met 8,5%, door een stijging van de projectfinanciering.

De institutionele financiering van de planbureaus CPB als het SCP stijgt in 2016 (met respectievelijk 21,2% en 37,4%). Beide hebben daardoor hogere inkomsten dan in 2010. Bij het PBL daalt de institutionele financiering, maar stijgt de projectfinanciering. Ondanks dat dalen de totale inkomsten bij het PBL evenals bij het WODC licht ten opzichte van 2015.

De beleidsuitvoerende kennisorganisaties komen in 2016 boven het inkomstenniveau van 2010 uit. Bij alle beleidsuitvoerende kennisorganisaties waar we gegevens van hebben (CBS, KNMI, NFI en RIVM) nemen de inkomsten in de periode 2015-2016 toe. Belangrijk is wel hier op te merken dat dit beeld enigszins vertekend wordt door het IFV, dat in 2013 extra taken kreeg. In dat jaar nam de financiering van het IFV met 50,9% toe. Halen we het IFV uit de analyse, dan is er over de periode 2010-2016 slechts een stijging van 1,4%, in plaats van 3,9%.

Bij de TO2-instellingen zet de dalende trend in de inkomsten voor de groep als geheel door. Kijken we naar de individuele instellingen, dan zien we de inkomsten bij TNO en Deltares in de periode 2015-2016 licht stijgen (2,8% en 1%). Bij Deltares komt dit door een stijging van de projectfinanciering. De institutionele financiering daalt juist. Bij TNO stijgen beide bronnen van inkomsten.

Bij de overige TO2-instellingen dalen de inkomsten in de periode 2015-2016. De daling is met 12,8% het grootste bij NLR en wordt hier vooral veroorzaakt door een daling in de projectfinanciering. Bij Wageningen Research dalen de inkomsten met 4,9% (€15 miljoen). Hier daalt de institutionele financiering met €4,3 miljoen (3,4%) en de overige financiering met €9,2 miljoen (18,8%). De projectfinanciering daalt licht.  Bij ECN dalen de inkomsten met 5,5%, bij MARIN met 4,8%.  

Waar het inkomen van de stichtingen in de periode 2010-2016 voor 8 van de 10 daalt, is de situatie voor de periode 2015-2016 precies omgedraaid. Bij 8 van de 10 stichtingen stijegn de inkomsten of blijven ze vrijwel gelijk.

Herkomst inkomsten publieke kennisorganisaties, per groep, in % van het totaal, 2016

Gegevens: Download als csv bestand
Bron: zie einde factsheet, bewerking cijfers Rathenau Instituut

Deze grafiek laat zien dat het aandeel van de institutionele financiering in de totale inkomsten verschilt per groep. Bij de planbureaus en departementale kennisinstellingen heeft de institutionele financiering het grootste aandeel in de totale omzet (79,8%). Bij de beleidsuitvoerende kennisorganisaties is het aandeel ruim driekwart (76,6%).

Het aandeel van de institutionele financiering is het kleinst bij de TO2-instellingen (34,2%) en de sectorgeoriënteerde stichtingen (34,5%).

Voor de sectorgeoriënteerde stichtingen en de kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling is het aandeel van de inkomsten dat uit institutionele financiering komt significant gedaald ten opzichte van 2015. Bij de stichtingen is het aandeel institutionele financiering gedaald van gemiddeld 40,1% naar gemiddeld 34,5%. Het aandeel loopt uiteen van 13,6% bij Vilans tot 71,5% bij de SWOV.

Bij de kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling is het aandeel institutionele financiering gedaald van 60% in 2015 tot 54% in 2016. Ook hier lopen de percentages uiteen, van 8,2% bij instituut Clingendael tot 97,7% bij de FMW-NLDA.

Toelichting bij de data

  • Van het KiM zijn geen financiële gegevens beschikbaar.
  • Van de FMW-NLDA zijn cijfers beschikbaar vanaf 2012. Om deze reden is deze kennisorganisaties niet meegenomen in de grafieken 'Ontwikkeling inkomsten publieke kennisorganisaties 2010-2016' en 'daling inkomsten per groep'.
  • Voor het IFV zijn de inkomsten over 2016 wegens gebrek aan gegevens gelijk gesteld aan 2015.
  • Voor TNO en ECN zijn de enkelvoudige cijfers opgenomen. De cijfers van ECN zijn exclusief ECN Holding (o.a. NRG), de cijfers van TNO zijn exclusief TNO Bedrijven.

De data over de financiering komt uit de volgende bronnen:

  • Jaarverslagen: CBS, Clingendael, Deltares (vanaf 2016), ECN, Mulier Instituut, IFV, NFI (t/m 2014), NJi, RIVM (/m 2014), SCP, SWOV, TNO, veiligheidNL, Vilans & Wageningen Research (WUR).
  • Jaarrekeningen: Boekmanstichting, Geonovum, Movisie, NLR, Politieacademie, VeiligheidNL.
  • jaarverslag rijk: NFI (vanaf 2015), KNMI, RIVM (vanaf 2015)
  • Door de organisatie aangeleverd: CPB, Deltares (t/m 2015), FMW-NLDA, MARIN, Nivel, PBL, RIVM (t/m 2014), WODC.