• U moet ingelogd zijn om onderwerpen te kunnen volgen.

    Log-in als u al een account heeft of maak een gratis account aan.

Stimulering publiek-private samenwerking via de TKI-toeslagregeling

Het Rathenau Instituut presenteert in dit factsheet een aantal gegevens over door Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI's) gefinancierde projecten in de periode 2013-2015. Onderdeel van deze financiering is de TKI-toeslag. In de uitvoering van deze toeslag spelen de TKI's een belangrijke rol. Voor elke euro die de private sector cash investeert in een publiek-privaat R&D-project, ontvangt de TKI van de overheid een toeslag van € 0,25. Het TKI financiert daarmee weer nieuw publiek-privaat onderzoek in zogenaamde inzetprojecten, met aanvullende cash en natura bijdragen van private en publieke organisaties.

Deze TKI-toeslag is het belangrijkste instrument van het Ministerie van Economische Zaken om publiek-private samenwerking in onderzoek te stimuleren als onderdeel van het topsectorenbeleid. Het kabinet ziet in de TKI-toeslag, maar daarnaast ook in aanvullende bijdragen van private partijen aan de TKI-projecten en nationale en internationale subsidies, de mogelijkheid voor de zes instituten voor toegepast onderzoek van de TO2-federatie om een deel van de dalende Rijksbijdrage terug te verdienen (zie de Kabinetsreactie aan de Tweede Kamer op het strategisch kader van de TO2-federatie).

Op basis van de nu beschikbare cijfers over de periode 2013-2015 laat de analyse in dit factsheet de volgende resultaten zien:

  • Het aantal TKI-projecten, het aantal projectdeelnemers, de omvang van de TKI-toeslag en de private commitments voor cash bijdragen nemen over de periode 2013-2015 toe.
  • Het grootste deel van de TKI-toeslag (94%) komt terecht bij de categorie "kennisinstellingen". Bijna de helft van de TKI-toeslag gaat naar de TO2-instituten. Wel zijn er grote verschillen tussen de ontvangende instellingen.
  • Door het meerjarige karakter van de TKI-projecten komt de TKI-toeslag nog maar langzaam terecht bij de jaarlijks toch dalende omzet van de meest betrokken TO2-instituten, ondanks de jaarlijks stijgende omvang van de toeslag.
  • Bij het totaal aan gefinancierde projecten ligt de nadruk op toegepast onderzoek (62%), gevolgd door fundamenteel onderzoek (32%), en een klein deel experimentele ontwikkeling (4%). Wel neemt over de jaren het aandeel fundamenteel onderzoek toe en het aandeel toegepast onderzoek af.

Bij de introductie van de TKI-toeslag in 2013 had het kabinet als doelstelling om in 2015 publieke en private partijen voor tenminste € 500 miljoen in TKI-projecten te laten participeren, waarvan tenminste 40% door het bedrijfsleven wordt gefinancierd. Deze doelstelling is in de begroting 2016 opwaarts bijgesteld naar € 800 miljoen in het jaar 2020. In de tussenevaluatie van de TKI-toeslag (2016) geeft Dialogic aan dat deze tussentijds bijgestelde doelstelling al is bereikt. Dialogic geeft in het rapport tevens aanbevelingen voor het continueren en verbeteren van de TKI-toeslag. Het Ministerie van Economische Zaken heeft bij de aanbieding van het Dialogic rapport met de tussenevaluatie van de TKI-toeslag aan de Tweede Kamer op 7 oktober 2016 aangegeven de TKI-toeslag te willen voortzetten met waar nodig aanpassingen. De TKI-toeslag heet vanaf 1 februari 2017 de PPS-toeslag Onderzoek en Innovatie.

Het Ministerie van Economische Zaken heeft het Rathenau Instituut gevraagd om in een factsheet resultaten te presenteren van een analyse van gegevens over de TKI-toeslag, met name gericht op de vraag waar deze toeslag terecht komt. Het gaat om de gegevens over de TKI-toeslag die RVO.nl in een database heeft opgeslagen. Deze gegevens zijn niet exact hetzelfde als opgenomen in eerdere rapportages, zoals het rapport van Dialogic en de Terugblik op de TKI-toeslagregeling 2013 en 2014 van RVO.nl, omdat de database in de tussentijd is uitgebreid en verbeterd.

In dit factsheet kijken we vooral naar de verdeling van de TKI-toeslag naar verschillende categorieën van organisaties, en specifiek naar de categorie kennisinstellingen. Voor de TO2-instellingen plaatsen we tevens de TKI-gegevens in de bredere financiële context. Daarbij maken we gebruik van informatie in de jaarverslagen van de TO2-instituten, de evaluatie van TO2-instituten in 2017 en publicaties van het Rathenau Instituut over de publieke kennisorganisaties.

    TKI’s en de TKI-toeslag

    In de volgende tabel staan het aantal inzetprojecten (projecten die voor een deel gefinancierd worden met TKI-toeslag) in de periode 2013-2015 en de toegekende TKI-toeslag, uitgesplitst naar de twaalf onderscheiden TKI's.

    Kerngegevens TKI's, 2013-2015

    TopsectorTKIAantal projectenTKI-toeslag (miljoen euro)In % van totaal TKI-toeslag
    Agri & FoodTKI AgriFood8417,9259,6
    ChemieTKI Chemie264,7572,5
    Creatieve IndustrieTKI CLICKNL30,4180,2
    EnergieTKI Energie, onderverdeeld naar Urban Energy, Wind op Zee, Gas en Energy en Industrie8116,9809,1
    HTSMTKI HTSM (High Tech Systemen & Materialen)20176,55841,0
    LSHTKI LSH (Life Sciences & Health)7220,86211,2
    LogistiekTKI Dinalog131,8481,0
    Tuinbouw en UitgangsmaterialenTKI Tuinbouw & Uitgangsmaterialen6227,77114,9
    WaterTKI Maritiem 212,2981,2
    TKI Deltatechnologie353,4011,8
    TKI Watertechnologie11112,5806,7
    Topsector doorsnijdendTKI Biobased Economy111,2830,7
    Totaal720186,681100
    Gegevens: Download als csv bestand
    Bron: TKI-database RVO.nl
    Notities: De HTSM-cijfers zijn inclusief vier projecten die onderdeel zijn van Horizon 2020 en groot van omvang zijn. De TKI-toeslag voor deze projecten bedraagt € 750.000, met een totale projectomvang van € 132 miljoen.


    In de periode 2013-2015 zijn in totaal 720 inzetprojecten gestart met een TKI-toeslag. Bijna de helft van het aantal inzetprojecten loopt via de TKI’s HTSM en Watertechnologie (43%). De toegekende TKI-toeslag is het grootst bij de TKI HTSM gevolgd door de TKI Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. De gemiddelde TKI-toeslag per inzetproject is € 259.000 en loopt per TKI uiteen van € 97.000 tot € 448.000.

     

    Totaaloverzicht 2013-2015

    De volgende tabel geeft een samenvatting van een aantal gegevens over de inzetprojecten en participaties die betrekking hebben op de inzetprojecten in 2013, 2014 en 2015.

    Overzichtsgegevens voor de TKI inzetprojecten, 2013-2015

    Aantal projectenAantal participatiesOmvang projecten (miljoen euro)TKI-toeslag (miljoen euro)Private cash bijdrage (miljoen euro)
    2013144655280,627,755,4
    20142441189229,256,267,6
    20153321518400,5102,8153,5
    Totaal7203362910,2186,7276,5
    Gegevens: Download als csv bestand
    Bron: TKI-database RVO.nl
    Notities: De TKI-toeslag die in een bepaald jaar wordt toegekend heeft een meerjarige doorwerking en is niet alleen aan het toekenningsjaar gekoppeld.


    De tabel laat zien dat het aantal projecten, het aantal participaties (= projectdeelnemers), de omvang van de toegekende TKI-toeslag en de private commitments voor cash bijdragen toenemen in de periode 2013-2015.

    Kijken we naar de gehele periode, dan zien we dat aan de 720 inzetprojecten meer dan 3.300 participaties zijn gekoppeld, wat betekent dat er per project gemiddeld 4,7 projectpartners participeren. De projectpartners hebben verschillende rollen, zoals die van financier, uitvoerder, partner of projectleider. De inzetprojecten zijn goed voor een totale omvang van meer dan € 900 miljoen, wat een gemiddelde omvang per project van bijna € 1,3 miljoen betekent. Die omvang loopt overigens sterk uiteen: van minder dan € 10.000 tot enkele projecten van € 30 à € 40 miljoen op het gebied van nanotechnologie en luchtvaart. Bij alle projecten samen ligt de grootste nadruk op toegepast onderzoek met 62%, gevolgd door fundamenteel onderzoek met 32%, terwijl een klein deel bestaat uit experimentele ontwikkeling (4%). Van 2% is het type onbekend. In de periode 2013-2015 zien we een toename van het aandeel fundamenteel onderzoek (van 13 naar 52%) en een afname van het aandeel toegepast onderzoek (van 88 naar 41%).

    De financiering van de inzetprojecten komt uit verschillende bronnen: 

    • De TKI-toeslag is goed voor 24% van de financiering;
    • Bedrijven, zowel het MKB als grote bedrijven, financieren 51% (36% cash en 15% in natura);
    • 13% is afkomstig van kennisinstellingen (0,5% cash en 12% in natura);
    • De overige subsidies zijn goed voor 12%;
    • De overige bijdragen bedragen 0,9%.

    Deze cijfers zijn exclusief de vier HTSM-projecten die via Horizon 2020 worden gefinancierd, omdat deze een sterk afwijkend financieringspatroon hebben. Bij deze projecten komt 58% van de financiering uit 'overige subsidies', terwijl de overige financiering bestaat uit natura bijdragen van private partijen  (34%) en kennisinstellingen (8%). De TKI-toeslag vormt slechts 0,6% van de totale projectomvang.

    In de volgende tabel is de verdeling van de TKI-toeslag uitgesplitst naar verschillende categorieën van ontvangende organisaties. Tevens laat de tabel het aantal participaties zien waarbij de betreffende categorie van organisaties is betrokken.

    De tabel laat zien dat:

    • Het grootste deel van de TKI-toeslag (94%) terecht komt bij kennisinstellingen.
    • Voor een klein deel de toeslag terecht komt bij het MKB (4,3%) en nauwelijks (< 1% per categorie) bij andere partijen.
    • De grote bedrijven bij veel projecten betrokken zijn.  Grote bedrijven kennen het grootste aantal participaties, zowel als financier als uitvoerder van projecten, gevolgd door de kennisinstellingen, die vooral de rol van uitvoerder hebben, en het MKB, dat meer de rol van financier dan van uitvoerder heeft.

    Omvang TKI-toeslag en participaties, naar categorie van ontvangende organisatie, 2013-2015

    2013 (miljoen euro)2014 (miljoen euro)2015 (miljoen euro)2013-2015 (miljoen euro)2013-2015 (in %)Aantal participaties
    ANBI000,1010,1010,124
    Grote bedrijven0,5430,440,2221,2060,71109
    Kennisinstelling26,29347,91895,461169,67393,7996
    MKB1,0944,3212,3057,7194,3963
    Overheid00,0461,561,6050,961
    Overig0,010,1250,4520,5860,3134
    Onbekend00,1230,0190,1420,175
    Totaal27,9452,973100,12181,0331003362
    Gegevens: Download als csv bestand
    Bron: TKI-database RVO.nl
    Notities: De totale TKI-toeslag is in deze tabel lager dan in tabel met kerngegevens per TKI, omdat van sommige projecten in de database niet is aangegeven wie de ontvangers zijn van de TKI-toeslag.

    Kennisinstellingen en de TKI-toeslag 2013-2015

    De volgende figuur zoomt in op de kennisinstellingen als ontvangende partij van de TKI-toeslag met een indeling naar type kennisinstelling. De figuur laat zien dat de TO2-instellingen iets minder dan de helft van de TKI-toeslag ontvangen, de universiteiten iets meer dan een kwart, terwijl de categorie ”overig” goed is voor bijna een kwart van de TKI-toeslag. Een klein deel gaat naar de UMC’s (4%), een nog kleiner deel gaat naar buitenlandse kennisinstellingen (1%), terwijl deze laatste groep wel een aanzienlijk aandeel participaties kent (12%).

    Omvang TKI-toeslag, naar cluster van kennisinstellingen, 2013-2015

    Gegevens: Download als csv bestand
    Bron: TKI-database RVO.nl
    Notities: Noot 1: De categorie “overig” bestaat naast de voormalige TTI Wetsus, M2I, en TIFN o.a. uit NWO-, FOM- en KNAW-instituten, het NKI, de hogescholen, Holst (hier niet bij TNO gerekend) en enkele overige instituten. Noot 2: Zie voor uitgesplitste cijfers per jaar de achterliggende spreadsheet.


    Binnen de verschillende groepen van kennisinstellingen zien we grote verschillen.

    Bij de TO2-instituten zijn DLO en TNO de grootste ontvangers. De grootste universitaire ontvangers van de TKI-toeslag zijn de drie technische universiteiten en Wageningen Universiteit. Samen nemen ze 83% van de TKI-toeslag bij de universiteiten voor hun rekening. Bij de universitair medische centra zijn die van Utrecht, Leiden en Amsterdam (de VU) de grootste ontvangers met 70%. In de categorie “overig” zijn instituten als Wetsus, M2I, Holst, TIFN en het KWR, sterk aanwezig. Ze nemen samen 16% van de TKI-toeslag binnen het cluster kennisinstellingen voor hun rekening en 70% binnen de groep "overige kennisinstellingen".

    In de volgende figuur wordt de omvang van de TKI-toeslag binnen de grootste groep kennisinstellingen, de TO2-instituten, getoond. De figuur laat duidelijk zien dat DLO en TNO de belangrijkste spelers zijn binnen het verband van de TO2-instituten met 84% van het totaal aan TKI-toeslag (en 69% van de participaties, al doen in dit opzicht ook Deltares en NLR nog redelijk vaak mee).

    Omvang TKI-toeslag uitgesplitst naar de TO2-instituten, 2013-2015

    Gegevens: Download als csv bestand
    Bron: TKI-database RVO.nl

    De toeslag voor TO2-instituten in context

    Als we de cijfers van de TO2-instituten in een bredere financiële context zetten, dan zien we een daling van het aandeel van de Rijksbijdrage in de financiering van de kennisbasis van deze instituten. Dit is ook te lezen in de rapporten over de evaluatie van de TO2-instituten. Het sluit tevens aan bij de analyses van het Rathenau Instituut over de positie van de publieke kennisorganisaties (Feiten & Cijfers 17: De publieke kennisorganisaties - 2016 en de factsheet over publieke kennisorganisaties). Deze dalende Rijksbijdrage (ongeveer € 100 miljoen in de periode 2011-2016) past bij de bekostigingsfilosofie van het kabinet, waarbij de inzet van het onderzoek binnen publiek-private programma's zoveel mogelijk wordt gebundeld. Via extra onderzoekmiddelen als de TKI-toeslag, private bijdragen en door het verkrijgen van nationale en internationale subsidies worden de TO2-instituten in staat gesteld een belangrijk deel van de dalende Rijksbijdrage terug te verdienen.

    Als we naar de totale omzetcijfers van de TO2-instituten kijken in de periode 2013-2015, zien we bij Deltares en NLR een vrij constant beeld en een klein plusje bij MARIN. Een daling doet zich met name voor bij bij ECN, TNO en DLO.  De instituten blijken in de periode 2013-2015 nog weinig geprofiteerd te hebben van de financiële bijdragen vanuit de TKI-projecten.  We zien bij de feitelijk ontvangen TKI-toeslag een toename in de periode 2013-2015 van € 7 naar € 11 en € 16 miljoen. Daarnaast is uit de cijfers moeilijk te berekenen hoeveel van de private cash bijdragen van de TKI-projecten naar de TO2-instituten gaat. Maar door het aandeel van de TO2-instituten bij de TKI-toeslag te relateren aan de omvang van de private cash bijdragen is een schatting te maken. We schatten dat het zou gaan om een bedrag van zo'n € 120 miljoen. Het gaat hier echter net als bij de TKI-toeslag om bedragen die over meerdere jaren gespreid ontvangen worden, waardoor het lastig is deze cijfers naast de cijfers uit de jaarrekeningen te leggen. De jaarrekeningcijfers van de instituten laten echter op dit moment nog geen duidelijke toename zien van de private financiering. Zowel de rijksbijdrage, als de opdrachten van de rijksoverheid als de overige opdrachten (waaronder van bedrijven) dalen in deze periode bij DLO en TNO.

    Ook de cijfers over de ontvangen TKI-toeslag, opgenomen in de evaluatierapporten van de TO2-instituten, laten zien dat de toegekende TKI-toeslag over meerdere jaren wordt uitgesmeerd. Tegenover een bedrag van € 76 miljoen toegekende TKI-toeslag aan de TO2-instituten voor de projecten in 2013-2015 staat namelijk een bedrag van ongeveer € 34 miljoen, dat in deze periode daadwerkelijk is ontvangen door de TO2-instituten en dan met name door TNO en DLO (dit bedrag kan iets hoger zijn, doordat de NLR-cijfers over de feitelijk ontvangen TKI-toeslag slechts beschikbaar zijn voor 2015).

    Gezien de commitments ten aanzien van de - in omvang toenemende - TKI-toeslag en private cash bijdragen en de toename van de feitelijk ontvangen TKI-toeslag in de periode 2013-2015 zou je mogen verwachten dat de effecten op de omzet van de TO2-instellingen in de jaren na 2015 beter zichtbaar worden. Het is afwachten hoe deze cijfers zich in de komende jaren zullen ontwikkelen.

    Over de data

    •  Jaarlijks moeten de TKI’s – per 1 mei - een rapportage opleveren, die onder andere bestaat uit een aantal kwantitatieve gegevens van het voorbije jaar. Op basis van deze kwantitatieve gegevens heeft RVO.nl een database ontwikkeld. Dit is gedaan voor de TKI gefinancierde projecten in 2013, 2014 en 2015. De database bevat gegevens over (inzet)projecten en gegevens over de bij deze projecten betrokken organisaties (de participaties), welke gegevens gebaseerd zijn op de TKI-rapportages.
    • De cijfers in dit factsheet zijn gebaseerd op de meest recente versie van de database d.d 31 maart 2017 die door RVO.nl ter beschikking is gesteld aan het Rathenau Instituut. De database bevat gegevens over de inzetprojecten voor de jaren 2013, 2014 en 2015, de zogenaamde portfoliojaren. Het gaat enerzijds om gegevens over de inzetprojecten (de projecten die voor een deel gefinancierd worden met TKI-toeslag) met een aantal kenmerken, en anderzijds om de participaties bij die projecten (welke organisaties zijn betrokken bij de projecten en ontvangen TKI-toeslag). Het belangrijkste kenmerk waarvan gebruik is gemaakt voor de analyse is de “te ontvangen toeslag tijdens de looptijd van het project”. Sinds de gegevens in het rapport van Dialogic over de tussentijdse evaluatie van de TKI-toeslagregeling is de database uitgebreid en verbeterd.
    • De uit de database geëxporteerde data zijn bewerkt om de analyses te kunnen maken. Gewerkt is met de projecten in het portfoliojaar 2015. Dit portfoliojaar bevat gegevens over de projecten voor de jaren 2013, 2014 en 2015. De projecten in het portfoliojaar 2015 zijn uitgesplitst naar een drietal cohortjaren: 2013, 2014 en 2015. Ze zijn aangevuld met projecten die in 2013 en 2014 zijn toegekend, maar die niet meer in het portfoliojaar 2015 terugkomen.
    • De analyse is vervolgens uitgevoerd met deze geëxporteerde gegevens.
    • De cijfers over de ontwikkelingen van de omzet bij de TO2-instituten komen uit het factsheet "Publieke kennisorganisaties" en de database die daaraan ten grondslag ligt. Deze database is op zijn beurt weer gebaseerd op de jaarrekeningen van deze organisaties. 

    Voor meer gedetailleerde gegevens over de TKI-toeslag bij de kennisinstellingen, download de achterliggende spreadsheet.