• U moet ingelogd zijn om onderwerpen te kunnen volgen.

    Log-in als u al een account heeft of maak een gratis account aan.

Voorpublicatie Totale investeringen in Wetenschap en INnovatie (TWIN) 2015–2021

Jaarlijks stelt het Rathenau Instituut een overzicht op van de overheidsbudgetten voor R&D. Dit overzicht bevat ook gegevens over belastingvoordelen voor bedrijven (fiscale steun), en - vanaf 2014 - gegevens over de overheidsbudgetten voor innovatie. Ten behoeve van het Algemeen Overleg over Wetenschapsbeleid op 31 januari 2017 brengt het Rathenau Instituut deze voorpublicatie in de vorm van een factsheet uit. Hierin staan de kerncijfers over de overheidsbudgetten voor wetenschap en innovatie. Deze kerncijfers geven de huidige financiële context aan van het onderzoek en wetenschapsbeleid van de overheid.

NB: De definitieve TWIN-publicatie bevat nieuwere, aangepaste cijfers.

Inhoud voorpublicatie en definitieve publicatie

Deze voorpublicatie bevat voor de periode 2015-2021 een globaal overzicht van drie typen overheidsbudgetten, gebaseerd op de departementale begrotingen voor 2017, die op Prinsjesdag 2016 zijn gepresenteerd:

  • De directe uitgaven voor R&D (onderzoek en ontwikkeling).
  • De directe uitgaven voor innovatie, niet zijnde R&D.
  • De indirecte (= fiscale) steun voor R&D, de WBSO (zie eindnoot 1), maar exclusief het budget voor de Innovatiebox.

De definitieve TWIN-publicatie zal uitgebreider ingaan op de verschillende onderdelen. Verder besteedt de definitieve publicatie ook aandacht aan publieke R&D-budgetten uit het buitenland (=EU) en aan regionale inspanningen op het gebied van kennis en innovatie.

Vooralsnog is in deze voorpublicatie de Innovatiebox niet geïntegreerd in de tabellen over de overheidssteun voor R&D en innovatie. De innovatiebox is een fiscale regeling met als doel bedrijven te belonen die aantoonbaar innovatief zijn. Op grond van de Innovatiebox kunnen bedrijven een lager belastingtarief (vennootschapsbelasting) verkrijgen op winsten uit WBSO-projecten en octrooien. Tot nu toe was de innovatiebox geen onderdeel van de Miljoenennota, maar in de Miljoenennota 2017 is het budgettaire belang voor 2016 en 2017 aangegeven met respectievelijk € 1.390 en € 1.365 miljoen. Dat is meer dan het dubbele van de oorspronkelijk raming van € 625 miljoen voor eerdere jaren.
 

Overheidssteun voor R&D en innovatie: algemeen beeld

De volgende tabel bevat een totaaloverzicht van de budgetten voor R&D en innovatie. Deze zijn onder te verdelen naar de directe financiële R&D-uitgaven (inclusief de R&D-uitgaven die innovatierelevant zijn), de directe uitgaven voor innovatie, niet zijnde R&D (zie eindnoot 2) en de indirecte fiscale steun.

Directe en indirecte overheidssteun voor R&D en innovatie, 2015-2021, in miljoenen euro

2015201620172018201920202021
Directe uitgaven voor R&D4880,75022,14887,349214865,448984926,3
waarvan innovatierelevant1121,91189,41111,41115,51098,11107,41103,6
Directe uitgaven voor innovatie, niet zijnde R&D241,9324281,7276,2268,1261,7230,3
Indirecte fiscale steun voor R&D (de WBSO)1153,81215,81215,81215,81215,81215,81215,8
Totaal 6276,46561,86384,764136349,36375,56372,3
Gegevens: Download als csv bestand
Bron: TWIN-database Rathenau Instituut
Notities: Noot 1: de cijfers zijn nog voorlopig. Noot 2: De fiscale steun voor R&D is exclusief de Innovatiebox. Noot 3: De cijfers over de directe uitgaven voor innovatie, niet zijnde R&D moeten nog met enige voorzichtigheid worden beoordeeld, omdat de dataverzameling ervan nog maar een korte geschiedenis kent en er meer tijd en ervaring nodig is om een adequate inschatting van deze uitgaven te maken.


In de periode 2015-2021 zien we dat bijna 80 procent van de overheidssteun voor R&D bestaat uit directe uitgaven. Het gaat dan om de uitgaven voor universitair onderzoek, voor onderzoek door publieke onderzoeksinstituten en voor contractonderzoek dat de overheid laat uitvoeren. Bijna een kwart van deze uitgaven is aan te merken als innovatierelevant. De indirecte fiscale steun vormt 19 procent van het totaal, terwijl de directe innovatie-uitgaven, niet zijnde R&D, rond de 4 procent schommelen.

De tabel laat ook zien dat de totale financiële steun tussen 2015 en 2016 stijgt van € 6,3 naar € 6,6 miljard, en vanaf 2017 een niveau heeft van € 6,4 miljard. De directe uitgaven voor R&D kennen ongeveer een vergelijkbaar patroon, terwijl de indirecte fiscale steun tussen 2015 en 2016 stijgt en vervolgens op het hetzelfde niveau blijft als dat van 2016. De directe uitgaven voor innovatie, niet zijnde R&D nemen ook toe tussen 2015 en 2016 om daarna geleidelijk te dalen. Omdat de omvang kleiner is dan de andere posten, zijn de relatieve veranderingen ook groter.

Een langere tijdreeks met gegevens vanaf 2000 over de directe en indirecte overheidssteun voor R&D is te vinden in de datapublicatie over de Nederlandse overheidssteun voor R&D.
 

De directe uitgaven voor R&D per departement

De volgende tabel toont de directe R&D-uitgaven per departement. De cijfers voor 2015 zijn de realisatiecijfers. De cijfers voor 2016 zijn voorlopige realisatiecijfers 2016, zoals die bekend waren op het moment van het uitbrengen van de begrotingen voor 2017 (Prinsjesdag 2016). De tabel bevat voor 2017 de cijfers van de ontwerpbegroting, eveneens uit de begrotingen van september 2016. De cijfers voor de jaren 2018-2021 zijn meerjarenramingen.

Directe uitgaven voor R&D per departement (op kasbasis), in miljoenen euro’s

2015201620172018201920202021
Algemene Zaken0,60,60,60,60,60,60,6
Buitenlandse Zaken34,939,937,537,837,837,837,8
Veiligheid en Justitie22,121,521,121212121
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties12,212,810,48,98,99,310,7
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap3599,03668,53624,03674,43634,23660,93708,0
Defensie61,660,760,560,560,560,560,5
Infrastructuur en Milieu70,670,969,156,456,25751,9
Economische Zaken835,7906,4829,7838,9819,7832827,5
Sociale Zaken en Werkgelegenheid5,68,99,58,48,48,28,2
Volksgezondheid, Welzijn en Sport238,4231,9224,9214,3218,2210,8200,2
Totaal4880,75022,14887,34921,04865,44898,04926,3
Gegevens: Download als csv bestand
Bron: TWIN-database Rathenau Instituut
Notities: Noot 1: Tot de investeringen van het ministerie van OCW behoort het onderzoeksdeel van de eerste geldstroom naar universiteiten. Het Rathenau Instituut heeft hiervan een berekening gemaakt. De OCW-cijfers zijn inclusief de (berekende) onderzoeksbijdrage van het ministerie van EZ aan Wageningen UR. De cijfers van het ministerie van EZ in de tabel zijn exclusief deze bijdrage (in 2017 berekend op ongeveer 113 miljoen euro). Noot 2: De spreadsheet met de gedetailleerde cijfers over de overheidsbudgetten komt bij de definitieve TWIN-publicatie beschikbaar.


De tabel laat zien dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de belangrijkste directe financier is van R&D met een aandeel van driekwart, gevolgd door het ministerie van Economische Zaken (EZ) met een aandeel van 17 procent en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met een aandeel van 4 à 5 procent. De omvang van de overige departementen ligt tussen 0,01 en 1,4 procent.

In de periode 2017-2021 laten een aantal departementen een stabiel uitgavenpatroon zien. Uitzonderingen zijn OCW met een stijging van 2%, Infrastructuur & Milieu met een daling van 25% en VWS met een daling van 11%.   

Belangrijkste veranderingen ten opzichte van het vorige TWIN-overzicht

Deze paragraaf vergelijkt de TWIN-cijfers 2015-2021 met die van het vorige TWIN-overzicht 2014-2020. Deze vergelijking geeft inzicht in de veranderingen die hebben plaatsgevonden tussen de departementale begrotingen voor 2016 en 2017.

Waar de cijfers in het TWIN-overzicht 2014-2020 nog een daling lieten zien tussen 2016 (cijfers ontwerpbegroting) en 2020 van € 200 miljoen, tonen de huidige cijfers voor de periode 2017-2021 een stabiel beeld in de totale financiële ondersteuning voor R&D en innovatie. Hieronder geven we een overzicht van de veranderingen. De volgende tabel vat de verschillen samen voor de drie categorieën: de directe uitgaven voor R&D, de directe uitgaven aan innovatie, niet zijnde R&D, en de indirecte fiscale steun. Uit de tabel is op te maken dat in 2015 uiteindelijk minder is uitgegeven aan financiële ondersteuning dan destijds begroot. Voor 2016 en volgende jaren wordt naar verwachting meer in R&D en innovatie geïnvesteerd dan in de TWIN-cijfers voor de periode 2014-2020 te zien was. Dat geldt voor elk van de drie onderscheiden categorieën.

Vergelijking TWIN 2014-2020 en TWIN 2015-2021, in miljoenen euro’s

201520162017201820192020
Directe uitgaven voor R&D -139,5160,6149,7260,8208,4215,8
Directe uitgaven voor innovatie, niet zijnde R&D-19,314386,278,694,7100,3
Indirecte fiscale steun voor R&D en innovatie1116284,984,884,887,8
Totaal-47,7365,6320,8424,2387,8403,9
Gegevens: Download als csv bestand
Bron: TWIN-database Rathenau Instituut


De volgende tabel kijkt specifiek naar de directe uitgaven voor R&D en zoemt in op de ontwikkelingen bij de departementen. In de tabel is te zien dat, in vergelijking met de begrotingscijfers van vorig jaar, de grootste absolute veranderingen optreden bij de ministeries van OCW, EZ en – in mindere mate – bij VWS.

Ontwikkeling van de directe financiële steun voor R&D tussen TWIN 2014-2020 en TWIN 2015-2021, naar departement, in miljoenen euro’s

201520162017201820192020
Verschil totaal-139,5160,6149,7260,8208,4215,8
Verschil OCW4,4117,2101,6176,4136,4151,6
Verschil EZ-135,130,928,953,745,238,6
Verschil VWS5,44,919,525,421,118,5
Verschil overige departementen-14,27,7-0,45,25,77,1
Gegevens: Download als csv bestand
Bron: TWIN-database Rathenau Instituut


Wat zijn de ontwikkelingen bij de departementen als we de twee TWIN-periodes met elkaar vergelijken? We kijken naar de belangrijkste veranderingen, met name voor de periode 2017 (het jaar van de ontwerpbegroting) tot 2020 (het laatste overlappende jaar).

  • Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW): bij OCW nemen in 2017 de uitgaven ten opzichte van de vorige TWIN-cijfers met € 100 miljoen toe. Het bedrag loopt in de jaren daarna verder op tot € 150 miljoen in 2020, een combinatie van begrotingsposten die stijgen, posten die dalen en posten die gelijk blijven. Met name één begrotingsartikel kent een aanzienlijke stijging: het onderzoeksdeel van de universitaire eerste geldstroom, geheel als gevolg van de stijging van de lumpsum (zie eindnoot 3). Het verschil tussen TWIN 2014-2020 en TWIN 2015-2021 loopt op van € 82 miljoen in 2017 tot € 156 miljoen in 2020. Tegenover deze stijging staat een daling in de middelen voor KNAW en NWO. De daling bij de KNAW is het gevolg van een lagere onderzoekscoëfficiënt bij de KNAW-instituten.     
  • Economische Zaken (EZ): de totale uitgaven voor de jaren 2017-2020 nemen toe met een omvang die varieert tussen € 30 en € 55 miljoen. Deels gaat het om een reële stijging, maar deels ook om het schuiven van bedragen tussen de verschillende jaren. Zo zijn de uitgaven voor het Toekomstfonds in 2015 € 50 miljoen lager dan in het TWIN-overzicht 2014-2020, maar dit is het gevolg van het verschuiven van de middelen naar de jaren 2018 en latere jaren. Andere wijzigingen in het huidige overzicht zijn de nieuwe begrotingspost “Startups/MKB”, een verlaging van de post “Energie-akkoord SER” door een verlaging van het R&D-percentage, en wijzigingen in de uitgaven binnen het artikel “concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens”, die leiden tot een vermindering van de uitgaven in dit artikel vanaf 2018.
  • Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS): de stijging van de R&D-uitgaven ten opzichte van  de vorige TWIN-cijfers is voor het grootste deel het gevolg van de verhoging van de bijdrage aan de programma-uitgaven van ZonMw.
  • Overige departementen: de belangrijkste veranderingen betreffen de uitgaven van de departementen van Buitenlandse Zaken (BZ), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het ministerie van BZ heeft de komende jaren lagere uitgaven voor R&D met ongeveer € 5 miljoen als gevolg van een koppeling aan de omvang van de BZ-programma’s. Het ministerie van BZK heeft de komende jaren lagere R&D-uitgaven met een omvang van € 7 à 8 miljoen vanwege conversies in budgetten. Het ministerie van SZW heeft hogere R&D-uitgaven als gevolg van een betere screening van de begroting op deze uitgaven.      

De overheidsuitgaven in relatie tot het BBP

In deze paragraaf relateren we de absolute cijfers over de directe en indirecte financiële steun voor R&D en innovatie aan het bruto binnenlands product (BBP). Deze koppeling met het BBP maakt het - mogelijk te laten zien in hoeverre de R&D-uitgaven profiteren van de toename van het verdienvermogen in Nederland en maakt het ook mogelijk een internationale vergelijking te maken.

De volgende tabel bevat cijfers over de directe en indirecte overheidssteun voor R&D en innovatie voor de periode 2015–2021 als aandeel van het BBP. De tabel laat zien dat de directe en indirecte financiële overheidssteun aan R&D en innovatie, zonder aanvullende investeringen, de komende jaren uit de pas gaat lopen met de ontwikkeling van het BBP. Dat geldt met name voor de directe R&D-uitgaven die tussen 2017 en 2021 met 0,05% van het BBP dalen.

Directe en indirecte financiële steun voor R&D en innovatie, 2015-2021, in procenten van het BBP

2015201620172018201920202021
Directe uitgaven voor R&D0,720,720,680,670,650,640,63
Directe uitgaven voor innovatie, niet zijnde R&D0,040,050,040,040,040,030,03
Indirecte fiscale steun voor R&D en innovatie0,170,170,170,170,160,160,16
Totaal0,930,940,890,870,850,840,82
Gegevens: Download als csv bestand
Bron: TWIN database Rathenau Instituut
Notities: Het BBP 2015-2017 is gebaseerd op de meest recente cijfers van het CPB (Kortetermijnraming december 2016; http://www.cpb.nl/cijfer/kortetermijnraming-december-2016). De jaarlijkse groei van het BBP na 2017 is geschat op 2,0%.

Het internationale perspectief

De volgende figuur biedt inzicht in de mate waarin de Nederlandse overheidsuitgaven aan R&D zich verhouden tot die van andere landen (2015). Nederland scoort met 0,74% hoger dan het EU-gemiddelde (van 0,64%). Nederland scoort ook hoger dan enkele EU-lidstaten, zoals Frankrijk, België en het Verenigd Koninkrijk. Daarentegen lager dan een aantal landen die in het beleid vaak als referentielanden worden aangehouden, zoals de Scandinavische landen, Duitsland en Zwitserland. Cijfers vanaf 2000 laten zien dat in de meeste landen, net als in Nederland, het relatieve overheidsbudget voor R&D tussen 2000 en 2010 is gestegen. In de meeste landen, waaronder Nederland, daalt dit vervolgens tussen 2010 en 2015. De belangrijkste uitzonderingen op de daling in de periode 2010-2015 zijn Tsjechië, Denemarken, Griekenland, Oostenrijk en Noorwegen, die een stijging laten zien. Dit is ook te zien aan het gemiddelde van de EU-28 dat tussen 2000 en 2010 stijgt van 0,69% tot 0,72% en vervolgens daalt tot 0,64% in 2015. Voor Nederland zijn deze cijfers resp. 0,76%, 0,77% en 0,74%.

Een internationale vergelijking waarbij ook gekeken wordt naar de indirecte overheidssteun, in combinatie met de directe overheidssteun, is te vinden in een datapublicatie over de overheidssteun vanuit internationaal perspectief.

Directe overheidsbudgetten voor R&D als percentage van het BBP, 2015

Gegevens: Download als csv bestand
Bron: EUROSTAT
Notities: Noot 1: De indicator is gebaseerd op voorlopige cijfers van de begrotingsbudgetten voor R&D (en niet op basis van gegevens van de uitvoerders van R&D, verzameld door het CBS). Internationaal zijn de cijfers bekend onder de noemer GBAORD / GBARD (Government Budget Appropriation on R&D). De cijfers voor IJsland, Zwitserland, de VS en Zuid-Korea zijn de cijfers van 2014 in plaats van 2015. Noot 2: Het cijfer voor Nederland in deze figuur (0,74%) verschilt van het cijfer voor de directe uitgaven voor R&D in de tabel met de BBP-cijfers (0,72%), omdat het cijfer in de figuur is gebaseerd op het TWIN-overzicht 2014-2020. De cijfers voor de R&D-uitgaven en het BBP die gebruikt zijn voor genoemde tabel zijn gebaseerd op de cijfers voor de periode 2015-2021, het huidige overzicht.

Conclusies en slotbeschouwing

De cijfers over de directe en indirecte financiële overheidssteun voor R&D en innovatie laten tussen 2017 en 2021 een tamelijk stabiel beeld zien, dit in tegenstelling tot eerdere jaren, waar er nog sprake was van een daling. Dat stabiele beeld geldt zowel voor de directe uitgaven voor R&D als voor de indirecte fiscale steun voor R&D. Bij de directe uitgaven voor innovatie, niet zijnde R&D, is wel sprake van een dalende omvang. 

De dalende financiële steun voor R&D en innovatie die in eerdere TWIN-overzichten te zien was, is deels een gevolg van een door het kabinet ingezette strategie om de financiering van R&D-projecten vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) af te bouwen. Ook is er als gevolg van deze strategie gesneden in subsidies (waaraan in een aantal gevallen R&D-projecten verbonden zijn) en is de directe steun van R&D-projecten (vooral in 2015) deels vervangen door versterking van de fiscale instrumenten. Daar staat tegenover dat er in de afgelopen jaren enkele intensiveringen hebben plaatsgevonden, met name wat betreft het meer fundamentele onderzoek. Deze intensiveringen hebben een omvang die oploopt tot € 250 miljoen.

In vergelijking met het vorige TWIN-overzicht zijn de directe overheidsuitgaven voor R&D ongeveer 3% hoger (cijfers 2017). Naast genoemde intensiveringen is dit ook het gevolg van een toename van het onderzoeksdeel van de eerste geldstroom binnen de universiteiten, die door het Rathenau Instituut wordt berekend op basis van coëfficiënten voor onderzoek. Daarnaast kent EZ sinds het TWIN-overzicht 2014-2020 een nieuwe post: het Innovatiefonds voor investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (onderdeel van het Toekomstfonds).

De stijging in de directe uitgaven voor R&D leidt vanaf 2017 echter niet tot een stijging van het BBP-percentage, maar er is – bij ongewijzigd beleid - sprake van een daling. Dit betekent dat de overheidssteun aan R&D uit de pas gaat lopen met de ontwikkeling van de economie (geïndiceerd via het BBP).

Deze cijfers zijn, naast de internationale vergelijking in de figuur, ook te beoordelen tegen de achtergrond van de door het Kabinet uitgesproken ambitie dat in 2020 publieke en private partijen samen 2,5% van het BBP uitgeven aan R&D (zie eindnoot 4). In 2015 zat Nederland 0,49 procentpunt onder dit streefcijfer. Om een uitgavenpatroon van 2,5% in 2020 te realiseren zouden de publieke en private R&D-uitgaven tussen 2015 en 2020 samen structureel moeten stijgen met € 5,5 miljard. 

Toelichting

- Bij de data

Het Rathenau Instituut vraagt jaarlijks de cijfers over de overheidssteun voor R&D en innovatie bij de departementen op, op basis van een uniform format. De departementen worden daarbij ondersteund door een handleiding met definities, die zijn afgestemd op internationale afspraken, zoals vastgelegd in de Frascati Handleiding van de OESO. Het is vervolgens aan de departementen om te bepalen welke uitgaven binnen hun begrotingen worden toegerekend aan R&D en innovatie en welk deel van de uitgaven bestempeld kan worden als innovatierelevant.

Het Rathenau Instituut stuurt de cijfers jaarlijks op aan het statistische bureau van de Europese Unie, EUROSTAT, die deze cijfers vervolgens ook deelt met de OESO. Dit is conform een Europese verordening.

- Noten bij de tekst

Noot 1: WBSO = Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk. Per 2016 is de Research & Development Aftrek (RDA) samengevoegd met de WBSO.

Noot 2: Innovatieve activiteiten die niet als R&D kunnen worden bestempeld, zijn bijvoorbeeld het aankopen van producten, zoals software of apparatuur, van externe kennis, en activiteiten als industrieel ontwerpen (J. van Steen (2014). Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie 2012-2018. Rathenau Instituut, maart 2014).
Daarnaast kan bij innovatieve activiteiten ook gedacht worden aan:

  • De ontwikkeling van web-based examens of andere web-based toepassingen zoals patiëntregistratiesystemen
  • De ontwikkeling van nieuwe onderwijsmethoden of (volg)systemen in het onderwijs
  • De invoering van nieuwe elektronische verkoop en aankoop praktijken
  • De ontwikkeling van nieuwe organisatiemodellen in bijvoorbeeld de gezondheidszorg, openbaar bestuur
  • De introductie van mobiele zorgsystemen voor bijvoorbeeld ouderen
  • De implementatie van nieuwe communicatiestrategieën
  • De implementatie van nieuwe dienstverleningscentra voor overheidsmanagement
  • De introductie van nieuwe vormen van museale activiteit
  • De ontwikkeling en implementatie van open source software

Noot 3: De berekening van het onderzoeksdeel van de universitaire eerste geldstroom is gebaseerd op een specifieke onderzoekscoëfficiënt die jaarlijks door het CBS voor het Rathenau Instituut wordt berekend. Deze coëfficiënt bedraagt 62 procent in 2015. Om al te grote schommelingen in de TWIN-cijfers voor de universitaire eerste geldstroom te voorkomen vanwege schommelende coëfficiënten, berekent het Rathenau Instituut vanaf de begroting 2017 de bedragen voor de eerste geldstroom op basis van een driejaarsgemiddelde. Dat betekent dat de coëfficiënt die voor de periode 2015-2021 wordt gebruikt, gebaseerd is op het gemiddelde van de jaren 2013-2015. Dit driejaarsgemiddelde voor deze periode bedraagt 60,6%.
Voor een nadere beschrijving van de wijze van berekening van deze onderzoekscoëfficiënt zie: J. van Steen (2013). Totale Onderzoek Financiering 2011-2017. Rathenau Instituut, maart 2013, p. 12.

Noot 4: Begin november 2016 is een motie in de Tweede Kamer aangenomen van kamerlid Agnes Mulder waarin de regering verzocht wordt om een analyse op te stellen om na te gaan op welke wijze kan worden bewerkstelligd dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan R&D wordt uitgegeven.