calendar tag arrow download print
Image
PEARL Codarts Rotterdam

Veelgestelde vragen

Bouwen aan krachtige onderzoeksgroepen
Wat is een krachtige onderzoeksgroep?

De term ‘krachtige onderzoeksgroep’ is opgeworpen door Regieorgaan SIA, de financier voor onderzoek op hogescholen. Regieorgaan SIA wil onderzoeksgroepen helpen om te groeien in kwaliteit (goed onderzoek) en capaciteit (voldoende massa). Een groep kan een enkel lectoraat betreffen, maar ook meerdere samenwerkende lectoraten binnen een hogeschool of van meerdere hogescholen.

In periodieke evaluaties kijkt een commissie naar vijf standaarden van een goede (krachtige) onderzoeksgroep- of eenheid: (1) er is een relevant, ambitieus en uitdagend onderzoeksprofiel en -programma; (2) er zijn middelen om het onderzoeksprogramma uit te voeren; (3) het onderzoek voldoet aan disciplinaire standaarden; (4) er is voldoende doorwerking in onderwijs, beroepspraktijk en kennisontwikkeling; en (5) er vindt een systematische evaluatie plaats.

In het rapport onderscheiden we enkele aanvullende factoren die bijdragen aan de gewenste ontwikkeling tot krachtige onderzoeksgroepen, zoals het werken aan een robuust en duurzaam netwerk met organisaties buiten de hogeschool, waaronder andere kennisinstellingen. En ook ervaring opbouwen met grootschalige en programmatische subsidieaanvragen helpt groepen om zich verder te ontwikkelen. Het hr-beleid van hogescholen, met aandacht voor de onderzoekstaak van de hogeschool, is tot slot een belangrijke factor om groepen te ondersteunen in het uitbreiden en ontwikkelen van hun onderzoek.

Wat is het SPRONG-programma?

SPRONG is een relatief nieuw financieringsprogramma van Regieorgaan SIA, de financier voor onderzoek op hogescholen. SPRONG staat voor Stimuleren van PRaktijkgerichte ONderzoeksGroepen. Het doel van het SPRONG-programma is om focus en massa binnen het praktijkgericht onderzoek te realiseren door krachtige onderzoeksgroepen te ondersteunen. Consortia van onderzoekers kunnen tot twee miljoen euro aanvragen voor een periode van acht jaar.

De eerste SPRONG-ronde vond plaats in het domein gezondheid & vitaliteit. Een programmacommissie heeft aan een viertal groepen de subsidie toegekend en blijft betrokken in de rest van de periode. Na vier jaar volgt een evaluatie van de voortgang.

Hoe stimuleert het SPRONG-programma krachtige onderzoeksgroepen?

Het SPRONG-programma is gericht op de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van de onderzoeksgroepen en dus niet op onderzoeksprojecten zelf. Bij randvoorwaarden kun je denken aan het (verder) ontwikkelen van samenwerkingsverbanden, data verzamelen dan wel datamanagement verder ontwikkelen, en hulp met verwerven van nieuwe onderzoeksfinanciering.

Door de kenmerken van het SPRONG-programma – tot twee miljoen euro voor acht jaar – is het instrument sterk gericht op programmatische samenwerking binnen en tussen hogescholen en continuïteit van deze samenwerking.

De groepen met een SPRONG-subsidie, voor zover we dat nu kunnen zien, kunnen zich sneller ontwikkelen dan de groepen die geen subsidie hebben gekregen. De subsidie zorgt ook voor continuïteit en commitment van allerlei samenwerkingspartners aan een gedeeld onderzoeksprogramma. Tot slot geeft de SPRONG-subsidie een zekere status en reputatie die groepen helpt in hun verdere ontwikkeling, bijvoorbeeld bij samenwerking met universiteiten of het aanvragen van financiering.

Waarom doet het Rathenau Instituut onderzoek naar onderzoeksgroepen op hogescholen?

Het Rathenau Instituut pleit voor een brede blik op het Nederlandse kennisecosysteem. Ook hogescholen maken daar een steeds belangrijker deel van uit met hun sinds 2001 gestaag ontwikkelende onderzoekstaak. Het Rathenau Instituut verzamelde eerder al diverse feiten en cijfers over het onderzoek op hogescholen: lees bijvoorbeeld het rapport Praktijkgericht onderzoek bij lectoraten van hogescholen en de factsheet Inkomsten en uitgaven van universiteiten en hogescholen: praktijkgericht onderzoek.

Regieorgaan SIA heeft het Rathenau Instituut verzocht om, naast de feiten en cijfers die al bekend waren, een kwalitatieve studie te doen naar de ontwikkeling van onderzoeksgroepen op hogescholen. De studie staat in het teken van het relatief nieuwe financieringsprogramma SPRONG, dat erop gericht is onderzoeksgroepen te ondersteunden in hun ontwikkeling.

Voor wie zijn de resultaten uit dit onderzoek bruikbaar?

De resultaten uit dit rapport zijn in eerste instantie bruikbaar voor Regieorgaan SIA en de programmacommissie van het SPRONG-programma. Regieorgaan SIA kan met de resultaten van dit onderzoek een gerichte keuze maken welke activiteiten nodig zijn om onderzoeksgroepen te ondersteunen op weg naar de verdere ontwikkeling van hun onderzoekscapaciteit en onderzoekskwaliteit. De programmacommissie kan met de resultaten kijken hoe zij de door hen geselecteerde groepen zo goed mogelijk kunnen begeleiden.

Niet alleen Regieorgaan SIA is bezig met het bouwen aan krachtige onderzoeksgroepen, dat doen ook hogeschoolbestuurders, beleidsmedewerkers, lectoren, onderzoekers, opleidingsmanagers, studenten en vertegenwoordigers van de beroepspraktijk. Ook voor hen is het rapport relevant.

Hoe ziet het onderzoek op hogescholen er uit?

Het onderzoek op hogescholen vindt plaats in lectoraten. In 2001 ondertekenden de minister van OCW en de Vereniging Hogescholen (toen: HBO-raad) het Convenant lectoren en kenniskringen in het hoger beroepsonderwijs. Daarin maakten zij afspraken over de oprichting van lectoraten en over de financiering daarvoor. Er zijn inmiddels circa zevenhonderd lectoren en de totale inkomsten van lectoraten bedragen meer dan 200 miljoen euro. Het gemiddelde aantal bij lectoraten betrokken fte, is in de periode 2009-2016 gegroeid van 2,74 tot 3,58 fte (van 8 naar 10 medewerkers, het zijn dus vooral deeltijdaanstellingen).

Het onderzoek dat plaatsvindt op hogescholen wordt vaak aangeduid als praktijkgericht onderzoek, omdat het onderzoek veelal is gericht op vraagstukken uit de praktijk die ook in die praktijk worden onderzocht. Praktijkgericht onderzoek is daarmee onderscheidend ten opzichte van meer fundamenteel onderzoek. Dat heeft vaak ook gevolgen voor het onderzoeksdesign, de methodologie en wat doorgaat als kwalitatief hoogstaand onderzoek.