calendar tag arrow download print
Doorgaan naar inhoud

Het wetenschapsbeleid en innovatiebeleid

factsheet
26 mei 2021
Wetenschap beleid overheid Innovatie onderzoek missiegedreven innovatiebeleid Wetenschapsbeleid
In Nederland is de verantwoordelijkheid voor het wetenschapsbeleid en innovatiebeleid verdeeld over twee departementen: dat van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor het wetenschapsbeleid en dat van Economische Zaken en Klimaat (EZK) voor het innovatiebeleid. Dat leidde tot voor kort meestal tot afzonderlijke beleidsdocumenten. Tegenwoordig er is in toenemende mate sprake van relaties en samenhang tussen beide beleidsterreinen. Dat zulke samenhang kan resulteren in gezamenlijke beleidsdocumenten blijkt uit de kabinetsstrategie ‘Versterken van onderzoeks- en innovatie-ecosystemen’ dat eind 2020 werd gepresenteerd, waarin beide ministeries gezamenlijk hun ecosystemen-strategie uiteenzetten. In deze factsheet gaan we in op het Nederlandse wetenschaps- en innovatiebeleid, en schetsen we op hoofdlijnen de inhoud van deze beleidsthema’s.

In het kort

  • Het huidige wetenschapsbeleid is erop gericht om antwoorden te vinden op actuele en toekomstige vraagstukken. Instrumenten om dit te bereiken zijn financiering, wet- en regelgeving, en bestuurlijk overleg met wetenschapsorganisaties.
  • Op het gebied van innovatie wordt er een integraal beleid gevoerd met een aanpak voor negen topsectoren. Daarnaast is het beleid steeds meer missiegedreven.
  • Ook wordt het wetenschaps- en innovatiebeleid gestuurd door Europees beleid. Dit staat in het teken van de vergroting van welvaart, welzijn, concurrentievermogen, groei en werkgelegenheid.

1. Wetenschapsbeleid

De in 2014 gepresenteerde Wetenschapsvisie 2025 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vormt het uitgangspunt van het wetenschapsbeleid. Daarin wordt het belang van wetenschap onderstreept: wetenschap zoekt antwoorden op actuele vraagstukken, maar zorgt ook voor kennisontwikkeling waardoor we voorbereid blijven op toekomstige uitdagingen. Verwondering en vernieuwing zorgen voor wetenschappelijke vernieuwing en doorbraken, die bijdragen aan maatschappelijke en economische vooruitgang. Dit vraagt om een sterk fundament van vrij en ongebonden onderzoek. Niet elk onderzoek hoeft direct tot een resultaat of toepassing te leiden. 

Wetenschap zoekt antwoorden op actuele vraagstukken, maar zorgt ook voor kennisontwikkeling waardoor we voorbereid blijven op toekomstige uitdagingen.

Tegen de achtergrond van een drietal uitdagingen (toenemende internationale concurrentie, de behoefte aan meer verbindingen tussen wetenschap enerzijds en maatschappij en bedrijfsleven anderzijds, en de toenemende druk op de Nederlandse wetenschapper) formuleert het kabinet in de Wetenschapsvisie een aantal ambities voor 2025.

Concrete acties die zijn genomen in het kader van de Wetenschapsvisie, zijn te vinden in een rapportage over de wetenschapsvisie 2025, talentbrief, impactbrief en brief open science, die samen met de Wetenschapsbrief Nieuwsgierig en betrokken. De waarde van wetenschap in januari 2019 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Volgens de Wetenschapsbrief zijn de uitdagingen zoals eerder omschreven in de Wetenschapsvisie vijf jaar later nog steeds actueel. Wel zijn de ambities uit de Wetenschapsvisie iets geherformuleerd. Ook zijn er nieuwe actiepunten bijgekomen. Hieronder staan de drie ambities met daarbij de belangrijkste actiepunten: 

Ambitie 1: Nederlandse wetenschap heeft mondiale impact
Het kabinet wil dat Nederland blijft meedoen met de wetenschappelijke wereldtop. Dit vergt samenwerking en goede onderzoeksfaciliteiten zodat Nederlandse wetenschappers kunnen blijven werken aan mondiale oplossingen. De volgende maatregelen moeten hieraan bijdragen:

  • Bevorderen van internationale samenwerking en samenwerking in het Europese Kaderprogramma Horizon Europe. 
  • Investeren in onderzoeksinfrastructuur en de Nederlandse deelname aan onderzoeksfaciliteiten, zoals de Square Kilometer Array en de ET-pathfinder.
  • Strategische samenwerking tussen instellingen stimuleren via sectorplannen. 
  • Het versterken van praktijkgericht onderzoek.     

Ambitie 2: Wetenschap is verbonden met de samenleving   
Het kabinet streeft ernaar dat wetenschappers midden in de maatschappij staan, maar dat zij tegelijkertijd onafhankelijk onderzoek uitvoeren. Daarnaast onderstreept het kabinet het belang van impact communicatie. Bijbehorende acties zijn:

  • Geld beschikbaar maken om een impuls te geven aan wetenschapscommunicatie.
  • Bevorderen van open science. Een van doelen is 100% open access. 
  • Verhogen van het budget voor de Nationaal Wetenschapsagenda, de onderzoeksagenda voor Nederland. 

Ambitie 3: Nederland als kweekvijver en haven voor talent
Het kabinet wil dat Nederland een aantrekkelijk land blijft voor wetenschappers. Het kabinet vindt diversiteit en inclusie daarbij belangrijk, om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk talent wordt benut. Daarnaast is de wens dat Nederland blijft fungeren als een "veilige basis" om toptalent vervolgens te behouden. De volgende zaken moeten hieraan bijdragen:

Binnen het Rathenau iin de Balans van de wetenschap 2020 onderzocht in hoeverre de Nederlandse wetenschap goede voorwaarden kent om de drie ambities te realiseren. In de Balans is daarom gekeken naar hoe de Nederlandse wetenschap presteert op verschillende kwantitatieve indicatoren. Hieruit kwam het beeld naar voren dat de Nederlandse wetenschap goed genoeg presenteert om de drie ambities te kunnen realiseren. Zo is de wetenschappelijke kwaliteit van het Nederlandse onderzoek heel goed en werken Nederlandse onderzoekers veel internationaal samen. Ook met bedrijven en overheden wordt veel samengewerkt om economische en maatschappelijke impact te genereren. 

De meest recente nota waarin het kabinet ook ingaat op het wetenschapsbeleid is de Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek. Houdbaar voor de toekomst, uitgebracht in december 2019. In de agenda ligt de focus op verschillende knelpunten in het hoger onderwijs en het onderzoek waar de komende jaren aan gewerkt moet worden. In maart 2021 heeft de minister van OCW een voortgangsrapportage over de strategische agenda aan de Kamer gestuurd, die ook gaat over de eerder gepresenteerde Wetenschapsbrief. 


Instrumenten wetenschapsbeleid

De overheid speelt op drie manieren een rol in het wetenschapsbeleid, namelijk via financiering, wet- en regelgeving en in de dialoog met betrokkenen.

1. Financiering

De overheid financiert de instellingen voor hoger onderwijs (de universiteiten, de universitaire medische centra en de hogescholen) en een aantal onderzoeksinstituten (zoals de instituten voor toegepast onderzoek (TO2), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)) op basis van een directe en structurele bijdrage, met als belangrijk doel het in stand houden van de onderzoeksinfrastructuur. Daarnaast besteedt de overheid rechtstreeks onderzoek aan onderzoeksinstituten op basis van projecten of programma's en financiert ze op een indirecte wijze onderzoek via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

2. Wet- en regelgeving

Een aantal wetenschapsorganisaties heeft directe banden met de overheid. Naast een financieringsrelatie bestaat er vaak ook een relatie die is gebaseerd op wet- en regelgeving. Dit geldt voor de universiteiten en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschap (KNAW), de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI)NWO en de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO). In de wetgeving zijn de taken, verantwoordelijkheden en activiteiten van de betrokken organisaties vastgelegd. Daarnaast is de rol (bevoegdheden) van de overheid ten aanzien van de organisatie vastgelegd, zoals het doen van benoemingen of het vaststellen van documenten. Met de komst van het bedrijvenbeleid en de topsectoren-aanpak in 2010 (zie hieronder) heeft het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) de verantwoordelijkheid voor de aansturing van de TO2-instituten. De uitzondering hierop is Wageningen Research, dat weer onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) valt, sinds LNV in oktober 2017 weer een afzonderlijk departement is geworden. Dit gebeurt in overleg met de Minister van EZK vanuit diens systeemverantwoordelijkheid voor toegepast onderzoek. 

3. Bestuurlijk overleg met wetenschapsorganisaties
Een belangrijk deel van de relatie tussen overheid en instelling vindt plaats via dialoog en overleg. In die dialoog kunnen nadere afspraken worden gemaakt, kunnen problemen worden besproken, of andere zaken aan de orde komen.


Overzicht beleid en financiers publiek onderzoek

Overzicht beleid en financiers publiek onderzoek
Bron: Rathenau Instituut op basis van TWIN 2019-2025 en R&D-data van Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) Statline. Bwerking: Rathenau Instituut

2. Innovatiebeleid

Aanvullend op het wetenschapsbeleid is er in Nederland beleid gericht op innovatie (sinds 2010 onderdeel van het bedrijvenbeleid). Voor 2011 was de verantwoordelijkheid voor het innovatiebeleid verspreid over verschillende departementen. Met het aantreden van kabinet-Rutte I in 2010 werd deze verantwoordelijkheid ondergebracht bij één ministerie (het toenmalige ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, nu EZK). Zo werd de basis gelegd voor een meer integraal beleid, waarbij het specifieke beleid van innovatieprogramma’s werd vervangen door een aanpak voor negen zogenoemde topsectoren. Topsectoren zijn gebieden waarin het Nederlandse bedrijfsleven en onderzoekscentra wereldwijd toonaangevend zijn. Voorbeelden zijn Agri & FoodChemie en Water.

In een topsector wordt samengewerkt binnen de 'gouden driehoek' van bedrijven, kennisinstellingen en overheden. De topsectorenaanpak is gericht op het aanpakken van knelpunten die de groei van deze sectoren belemmeren en op het stimuleren van publiek-private samenwerking. Topsectoren hebben een of meerdere Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s). Dit is een verband waarin bedrijven, kennisinstellingen en de overheid samenwerken. In totaal zijn er vijftien verschillende TKI’s, met elk een eigen onderzoeksagenda en doelstellingen.

De topsectorenaanpak is gericht op het aanpakken van knelpunten die de groei van deze sectoren belemmeren en op het stimuleren van publiek-private samenwerking.

Na vijf jaar, in 2017, is de topsectorenaanpak geëvalueerd. Uit de evaluatie bleek dat de aanpak op verschillende vlakken doeltreffend is geweest, maar dat de topsectorenaanpak duidelijker gekoppeld kan worden aan maatschappelijke uitdagingen. De topsectorenaanpak werd na 2017 verder doorgezet, maar in de vernieuwde aanpak is er meer aandacht voor maatschappelijke uitdagingen. Dit resulteert in het 'missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid'. 


Naar een missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid

In 2018 kondigde het kabinet een vernieuwde topsectorenaanpak aan in de kamerbrief Naar Missiegedreven Innovatiebeleid met Impact. Het missiegedreven innovatiebeleid is een uitwerking van plannen uit het Regeerakkoord uit 2017. In 2019 wordt het beleid nader uitgewerkt in de kamerbrief Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid, waarin de missies worden gepresenteerd en toegelicht.

Het nieuwe beleid bouwt voort op de topsectorenaanpak, maar focust sterker op de economische kansen die grote maatschappelijke thema’s bieden. Daarnaast zet het kabinet in op de ontwikkeling van zogenaamde sleuteltechnologieën. Dit zijn technologieën die van belang zijn voor de Nederlandse economie of die actuele en toekomstige maatschappelijke uitdagingen kunnen oplossen. Voorbeelden hiervan zijn fotonica, ICT, kunstmatige intelligentie en nano-, quantum- en biotechnologie.

In het vernieuwde missiegedreven beleid zet het kabinet daarnaast de deur “nadrukkelijk” open voor nieuwe partijen zoals startups. Naast een open proces, staat het missiegedreven werken centraal. Dit houdt in dat er concrete doelen worden geformuleerd in combinatie met een integrale aanpak, waarbij publiek-private samenwerking een centrale rol speelt.

In samenwerking tussen verschillende ministeries en de topsectoren zijn uiteindelijk 25 missies geformuleerd rondom de volgende vier maatschappelijke thema’s:

  1. Energietransitie en duurzaamheid
  2. Landbouw, Water en Voedsel
  3. Gezondheidzorg en Zorg
  4. Veiligheid

Deze missies zijn richtinggevend voor de Kennis en Innovatie Agenda’s (KIA’s) die worden opgesteld door de topsectoren. Binnen een KIA geven de betrokkenen aan op welke opgaven ze de komende jaren willen inzetten en wat daarbij de prioriteiten zijn. In totaal zijn er zes KIA’s opgesteld: voor elk maatschappelijk thema een en een vijfde voor sleuteltechnologieën. Daarnaast is er nog een KIA voor maatschappelijk verdienvermogen (KIA MV), die als doel heeft de opschaling van innovatie te versnellen en daarmee tot grotere maatschappelijke impact te komen. De betrokken partijen hebben vervolgens in november 2019 het Kennis- en Innovatieconvenant (KIC) opgesteld. Het KIC bevat afspraken met ruim 2.200 bedrijven, kennisinstellingen en overheden over welke investeringen gedaan zullen worden om de KIA’s uit te voeren.  
 

Instrumenten innovatiebeleid

Het innovatiedeel van het bedrijvenbeleid van EZK bestaat uit generieke instrumenten voor alle innovatieve bedrijven en specifieke instrumenten die met name gericht zijn op de topsectoren en het adresseren van maatschappelijke uitdagingen. Kern van het specifieke beleid is publiek-private samenwerking (PPS) bevorderen. Hieronder komen enkele generieke en specifieke instrumenten aan bod. Meer informatie is opgenomen in de begroting van EZK en op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

In het kader van het Nationaal Groeifonds zal er komende jaren ook worden geïnvesteerd in onderzoek en innovatie. Voor de pijler R&D en innovatie is in 2021 voor de eerste ronde € 1,35 miljard toegekend/gereserveerd voor vijf verschillende projecten. Voor de gehele looptijd van het Nationaal Groeifonds is € 6,7 miljard beschikbaar over de periode 2021-2025.


1. Generieke instrumenten

1a. WBSO

Sinds 1994 bestaat er een fiscale facilitering van R&D, via de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO). De WBSO is een fiscale stimuleringsregeling waarmee de Nederlandse overheid een deel van de loonkosten en andere kosten voor R&D compenseert. De WBSO is bestemd voor Nederlandse bedrijven die onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten uitvoeren, variërend van starters en kleine zelfstandigen tot multinationals in elke bedrijfssector. De verrekening van het daadwerkelijke voordeel van de fiscale instrumenten vindt plaats via de aangifte bij de Belastingdienst. De RVO voert de WBSO uit.

1b. Innovatiebox

Dit fiscale instrument is ook gericht op het stimuleren van innovatief onderzoek door bedrijven. De innovatiebox verlaagt de vennootschapsbelasting voor winsten uit innovatieve activiteiten, die afkomstig zijn uit WBSO-projecten of octrooien. Dit instrument levert op zo een belastingvoordeel op voor bedrijven. De innovatiebox valt onder de beleidsmatige verantwoordelijkheid van het Ministerie van Financiën; het EZK is inhoudelijk nauw betrokken. 


1c. Ondernemersrisicofinanciering

Een andere grote component ter bevordering van innovatie bestaat uit de middelen die EZK aanwendt om problemen op de kapitaalmarkt te verkleinen, met name voor het innovatieve MKB, in verschillende stadia van ontwikkeling. Het doel is om de toegang tot risicokapitaal te vergroten voor ondernemers. Hieronder vallen het Dutch Venture Initiative, het Innovatiekrediet en de Seed Capital regeling, die allemaal onderdeel zijn van het Toekomstfonds. Bij succes betalen bedrijven de deelnames of kredieten aan het fonds terug om opnieuw te investeren.


2. Specifieke instrumenten

2a. PPS-toeslag

De PPS-toeslag (voorheen TKI-toeslag) is een subsidieregeling voor innovatieprojecten waarin bedrijven en kennisinstellingen samenwerken. Voor iedere euro dat een bedrijf investeert in R&D binnen een onderzoeksinstelling of een publiek-privaat samenwerkingsproject, legt EZK € 0,30 bij aan PPS-toeslag. Voor de eerste € 20.000 geldt een bijdrage van € 0,40 per private investering in cash of natura. De PPS-toeslag moet vervolgens worden ingezet voor R&D. De vijftien Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) spelen hierbij een belangrijke rol; TKI's zetten de PPS-toeslag in voor medefinanciering van publiek-private samenwerkingsprojecten die in TKI-verband plaatsvinden. De PPS-toeslag kan ook worden aangevraagd en ingezet voor publiek-private samenwerkingsverbanden die niet in TKI-verband plaatsvinden.

2b. MIT

In 2013 is de regeling MKB Innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) geïntroduceerd. Het doel van deze regeling is het bevorderen van innovatie bij het MKB, door deze beter aan te laten sluiten bij de topsectoren. De MIT kent een aantal subsidieonderdelen (van R&D-samenwerking tot innovatiemakelaars) waarvoor MKB-bedrijven aanvragen kunnen indienen. Aanvragen van subsidies voor innovatiemakelaars en netwerkactiviteiten dienen door TKI's plaats te vinden. Sinds 2015 wordt de MIT uitgevoerd en gefinancierd in samenwerking met de provincies.

Binnen het Rathenau Instituut schreven wij in een Bericht aan het Parlement dat de bestaande instrumenten van het innovatiebeleid vooral nog gericht zijn op het bevorderen van innovatief ondernemerschap en publieke-private samenwerking. Voor het uitvoeren van missiegedreven innovatiebeleid is daarnaast meer aandacht nodig voor nieuwe manieren van innoveren, waarbij de maatschappelijke inbedding van innovaties meer centraal komt te staan.
 

EU-beleid

Het nationale beleid op het gebied van wetenschaps- en innovatiebeleid wordt aangevuld en beïnvloed door het Europese beleid op deze terreinen. Het Europese beleid staat in het teken van de vergroting van welvaart, welzijn, concurrentievermogen, groei en werkgelegenheid. Europa wil ook oplossingen bieden voor grote maatschappelijke uitdagingen, zoals de klimaatverandering, de verouderende bevolking, energievoorziening, en veiligheid op verschillende gebieden.

Vanaf 1984 heeft de EU meerjarige kaderprogramma’s voor onderzoek en innovatie gefinancierd. Het meest recente programma is Horizon Europe, dat loopt van 2021 tot en met 2027. De Europese Commissie wil dat dit kaderprogramma bijdraagt aan actuele strategische beleidsprioriteiten. De Europese Green Deal is daar een van. Horizon Europe heeft een begroot budget van 95,5 miljard euro en bestaat uit drie pijlers:

  1. Excellente wetenschap
  2. Wereldwijde uitdagingen en Europees industrieel concurrentievermogen
  3. Innovatief Europa

Uit de middelen voor Horizon Europe zal een groot aantal programma’s worden gefinancierd, waar onderzoekers, onderzoeksinstellingen en bedrijven op kunnen intekenen. Daarnaast kent de EU beleid dat gericht is op het regionale niveau van landen. Als onderdeel van dit beleid heeft de EU verschillende structuurfondsen opgezet om de samenhang tussen Europese regio’s te versterken. In de periode 2014-2020 heeft Nederland 1,9 miljard euro uit deze fondsen ontvangen. Ongeveer 34% van dit bedrag is gegaan naar het beleidsthema onderzoek en innovatie.  
 

Bronnen en links
 

Balans van de wetenschap 2020, Rathenau Instituut

Bericht aan het Parlement Missiegericht innovatiebeleid in uitvoering, Rathenau Insituut (maart 2019)

Hoger onderwijspremie

Horizon Europe | European Commission (europa.eu)

Evaluatie Topsectorenaanpak door Dialogic (april 2017)

Evaluatieonderzoek organisaties voor toegepast onderzoek (TO2) 2021 

Evaluatie van de innovatiebox van 2010 tot 2012 door Dialogic (2016)

Evaluatie WBSO 2011-2017 door Dialogic in samenwerking met APE en UNUMERIT (2019)

Internetbijlagen van Miljoenennota 2021  

Kennis- en Innovatieconvenant 2020-2023 (november 2019)

MIT

Monitor Topsectoren 2018, CBS

Nationaal Groeifonds

Nationaal Groeifonds nieuwsbericht 09/04/2021

PPS-toeslag

Prestatieafspraken met de universiteiten en hogescholen (2012)   

Rijksbegroting EZK 2021, artikel 2

Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek Houdbaar voor de toekomst (februari 2019)

Topsectoren: Missies voor de toekomst

Topsectoren website: https://www.topsectoren.nl/innovatie 

Ter voorbereiding van de Wetenschapsvisie is er een interdepartementaal beleidsonderzoek wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd.

Twee rapporten die gelijktijdig met de Wetenschapsvisie 2025 zijn uitgebracht: een Feiten & Cijfers publicatie van het Rathenau Instituut over drijfveren van onderzoekers en een adviesrapport over de inrichting van de organisatie van NWO.