calendar tag arrow download print
factsheet
01 januari 2018

Structuur van de Nederlandse kennisinfrastructuur

Deze factsheet beschrijft de Nederlandse kennisinfrastructuur op basis van de belangrijkste uitvoerende organisaties, publiek en privaat.

De Nederlandse kennisinfrastructuur wordt gekenmerkt door veelzijdigheid en pluriformiteit. Er zijn private en publieke instituten, maar in de praktijk wordt er veel samengewerkt. Publieke instituten werken voor een deel met private investeringen en omgekeerd wordt er in private ondernemingen gewerkt met publiek geld.

Private sector

Meer dan de helft van alle R&D activiteiten in Nederland vindt plaats in bedrijven. Het CBS meldt over 2016 een totaalbudget van R&D investeringen van € 8,131 miljard dat besteed wordt door bijna 21.000 bedrijven. De overheid stimuleert R&D activiteiten bij bedrijven door fiscale faciliteiten voor R&D activiteiten. De industriële sector investeert het meest (€ 4,348 miljard in 2015). Meer dan de helft van alle private investeringen in R&D (€ 4,495 miljard in 2015) wordt besteed door het industrieel grootbedrijf (250+ medewerkers). Voorbeelden in deze categorie zijn sterk op R&D gerichte bedrijven als Philips, ASML, Unilever, NXP, Shell, AKZO-Nobel, Gemalto, DSM en Tom Tom. Naast de industrie zijn de bedrijven voor gespecialiseerde zakelijke dienstverlening (€1.009 miljoen in 2015) en die voor informatie en communicatie (€ 909 miljoen in 2015) de sectoren waar veel R&D plaats vindt in Nederland.

Nederlandse bedrijven besteden een deel van het onderzoeksgeld in Nederland en een deel in het buitenland. Omgekeerd zijn er multinationals van buiten Nederland die een deel van hun research in Nederland uitvoeren zoals Tata steel en Danone. Vooral de development kant van de investeringen heeft de neiging om de markt te volgen en wordt daar uitgevoerd waar de markt zich ontwikkelt (zie het rapport van het Rathenau Instituut: R&D goes global). 

Publieke sector

De directe overheidsinvesteringen in R&D bedragen € 5,0 miljard, zijnde 0,72% van het bruto binnenlands product (zie ook de factsheet over ”Overheidsfinanciering van R&D”). De Nederlandse overheidsinvesteringen in onderzoek worden belegd in instituten die onder te verdelen zijn in hoger onderwijsinstellingen (universiteiten, UMC’s en lectoraten binnen de hogescholen), de instituten van KNAW en NWO, en de publieke kennisorganisaties (zoals planbureaus, NFI, KNMI, RIVM, TO2 instellingen enz). Al deze soorten organisaties combineren onderzoek met andere taken als onderwijs, beleidsuitvoering, of patiëntenzorg. Daarnaast gaat ook een deel van de overheidsfinanciering naar bedrijven in Nederland en naar het onderzoeksorganisaties in het buitenland, zoals CERN, ESO, ESA en EMBL.

 

Figuur. Onderzoeksgerelateerde omzet hoger onderwijsinstellingen en PKO's

Onderzoeksgerelateerde omzet hoger onderwijs en PKO's
In de figuur geeft de omvang van de blokjes een indicatie van de onderzoeksgerelateerde omzet van de verschillende groepen kennisorganisaties in 2016. Bij de NWO/KNAW-instituten zijn de omzetcijfers gebaseerd op de jaarverslagen van NWO en de KNAW. Bij universiteiten en umc’s zijn de cijfers gebaseerd op de jaarverslagen en CBS onderzoekscoëfficienten. Bij de PKO’s zijn de cijfers gebaseerd op de factsheet “Publieke kennisorganisaties”. De omzet van de lectoraten betreffen inkomsten praktijkgericht onderzoek uit de 1e, 2e en 3e geldstroom en overig (bron: BKO – CEKO, 2018).

Hoger onderwijs: de research universiteiten

De 14 publiek bekostigde Nederlandse universiteiten zijn verenigd in de VSNU. De universiteiten hebben het exclusieve recht om academische graden te verlenen die een voorwaarde zijn voor een onderzoekersfunctie in de publieke en private research. De universiteiten doen naast onderwijs en onderzoek ook aan valorisatie van kennis. De wettelijke basis  voor het functioneren van de universiteiten is geregeld in de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Het totale aantal wetenschappelijk personeel bij de universiteiten is 26.489 voltijdsequivalenten bij een totale werkgelegenheid van 45.282 fte.

De financiering van de universiteiten is afkomstig uit drie typen geldstromen:

  • De eerste geldstroom: rechtstreeks door de overheid op basis van een lumpsumfinanciering.
  • De tweede geldstroom: de overheidsfinanciering die via NWO wordt verdeeld. De financiering van NWO heeft de vorm van subsidies voor onderzoekers die voor een belangrijk deel in competitie worden verdeeld, en de financiering van onderzoeksfaciliteiten.
  • De derde geldstroom: het gaat hierbij om financiering van onderzoek en onderwijs uit publieke en private bronnen; opdrachtonderzoek van onder andere overheden, bedrijven, charitatieve fondsen en buitenlandse financieringsbronnen, zoals Horizon 2020.

Cijfers over de inkomsten van de 14 universiteiten laten zien dat het gaat om een bedrag van € 6,8 miljard (2016), waarvan € 3,5 miljard onderzoeksgerelateerd is (figuur). 

Hoger onderwijs: de universitair medische centra (UMC’s)

Alle 8 UMC’s, verenigd in de NFU, zijn samenwerkingsverbanden tussen een academisch ziekenhuis en de medische faculteit van een universiteit. Ze zijn ontstaan in een periode tussen 1983 (AMC) en 2008 (MUMC+). De UMC’s combineren onderwijs en opleidingen van medici met medisch wetenschappelijk onderzoek en patiëntenzorg (waaronder topklinische zorg). Doordat opleidingen en patiëntenzorg onder één dak worden uitgevoerd is er constante terugkoppeling tussen vernieuwingen in de beroepspraktijk en de opleidingen. De  combinatie van medisch wetenschappelijk onderzoek en patiëntenzorg zorgt voor een hoge kwaliteit van beide. De wettelijke basis is overeenkomstig de taken veelzijdig. Naast de WHW zijn de Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen en diverse wetten voor de patiëntenzorg het wettelijk kader.
De totale werkgelegenheid van de UMC’s bedraagt ruim 56.000 fte (voor patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek tezamen) waarvan circa 35% bestaat uit personeel met een wetenschappelijke achtergrond (onderwijs én onderzoek).
De financieringsbronnen bestaan uit verschillende hoofdcategorieën: rijksbijdragen (VWS en OCW), bijdragen voor patiëntenzorg, en bijdragen uit competitie (bedrijven, EU, NWO/ZonMw). De totale omzet van de 8 UMC’s tezamen bedraagt € 8,4 Miljard [bron: geconsolideerde jaarrekeningen uit jaarverslagen UMC's 2016]. Hiervan is € 1,1 miljard onderzoeksgerelateerd (figuur).

Hoger onderwijs: de lectoraten aan de hogescholen

Bij de lectoraten wordt praktijkonderzoek gedaan dat een brug wil slaan tussen wetenschappelijke kennis en de kennisinnovatie door professionals in de publieke en private sector. De wettelijke basis is de WHW.

De lectoraten aan de 37 hogescholen zijn sinds het begin van deze eeuw gestart. Inmiddels zijn er ruim 600 lectoraten waar circa 650 lectoren werken, bijna 900 promovendi, en ruim 4500 onderzoekers werkzaam zijn. De totale werkgelegenheid van de lectoraten is 2000 fte waarvan 220 ondersteunend personeel. Financiering van de lectoraten geschiedt uit de lumpsum financiering van de hogescholen, uit de subsidies van regieorgaan praktijkgericht onderzoek SIA van NWO en uit internationale en regionale bronnen (EU, bedrijven, regionale investeringsmaatschappijen). De totale bedragen waar alle lectoraten tezamen mee werken bedraagt € 171 miljoen (2014).

Onderzoeksinstituten: de KNAW en NWO instituten

De organisaties NWO en KNAW hebben een eigen functie in het academische landschap. NWO is (samen met ZonMw) een belangrijke financier van onderzoek, ook bij de universiteiten. Naast deze functie heeft NWO ook 9 eigen onderzoekinstituten waar in totaal 2321 fte werkgelegenheid gegenereerd wordt (jaarverslag NWO 2016). De wettelijke basis ligt in de Wet op de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO-wet). De moederorganisatie, NWO, heeft in 2016 bijna 914 miljoen aan totale baten. De totale baten van de NWO instituten is berekend op 257 miljoen.

De KNAW organisatie kent 15 specifieke onderzoekinstituten. De wettelijke basis ligt in de WHW. De totale werkgelegenheid bij deze instituten is 1006 fte in 2016 waarvan 52% van de fte’s wetenschappers betreft. De totale baten van de KNAW bedroegen € 145 miljoen in 2016. Voor de KNAW-instituten wordt € 112 miljoen gerapporteerd (jaarverslag KNAW 2016). De onderzoeksgerelateerde omzet van de NWO en KNAW instituten bedroeg € 241 miljoen in 2016 (figuur).

KNAW en NWO worden voor het grootste deel van hun inkomsten betaald uit de rijksbijdrage waarbij de KNAW instituten daarnaast voor 25% gefinancierd worden uit opdrachten van derden.

Onderzoeksinstituten: de publieke kennisorganisaties

Het Rathenau Instituut heeft de publieke kennisorganisaties (PKO’s) als groep geïdentificeerd en beschreven in de Feiten & Cijfers publicatie nr. 17. Deze organisaties  kenmerken zich door de combinatie van onderzoek en kennisintensieve dienstverlening en zijn gericht op een specifiek onderwerp of domein. In deze categorie vallen 29 instituten met een totale werkgelegenheid van 15.000 fte (2014). Voorbeelden zijn Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) en het  Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en ook kleinere instituten als de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). Deze PKO’s zorgen voor zaken als het bewaken van de voedselveiligheid, ze  geven weerwaarschuwingen af, coördineren het rijksvaccinatieprogramma, beschermen  ons land tegen het water van zee en rivieren, en verbeteren de forensische opsporingsmethoden om geweldsdelicten op te lossen. Deze en vele ander kennisintensieve diensten worden door deze gespecialiseerde instituten verzorgd. De algemene deler daarin is dat het wetenschappelijk onderzoek dat door deze instituten verricht of gebruikt wordt de basis van hun activiteiten vormt. Ieder PKO is qua governance verbonden aan een van de kerndepartementen, maar gezamenlijk functioneren ze voor de ministeries van OCW, EZ, VWS, I&M, Defensie, V&J en BuZa. Een aantal van deze kennisorganisaties kent een eigen wetgeving (zoals de wet op het RIVM), bij andere is het wettelijk kader neergelegd in regelingen. Sommige kennen een stichtingsvorm.

Wij onderscheiden de departementale kennisorganisaties (waaronder de 3 planbureaus), de beleidsuitvoerende kennisorganisatie (RIVM, NFI, KNMI, IFV en CBS), de TO2 instellingen (TNO, DLO, Deltares, Marin, ECN en NLR), de stichtingen (zoals Movisie en het Trimbos instituut) en de kennisinstellingen met een opleidingsdoelstelling (militaire academie, politieacademie en Clingendael). De verankering ten opzichte van de departementen is uiteenlopend, sommige zijn organisatorisch ondergebracht bij een van de departementen maar kennen een inhoudelijke zelfstandigheid, anderen functioneren als zelfstandige stichting en ontvangen een basisfinanciering (naast andere bronnen in binnen en buitenland).

De financiering van de publieke kennisorganisaties is per instituut verschillend en bestaat uit instituutsfinanciering door de departementen, opdrachten van de rijksoverheid, en contractactiviteiten uit binnen- en buitenland. Het totale inkomsten van de PKO’s zijn € 2.19 miljard (2016).

Bronnen