calendar tag arrow download print
Image
factsheet
13 november 2019

Twee en een half procent

R&D Innovatie Geldstromen financiering
De uitgaven voor research & development (R&D) voor Nederland bewegen zich al meer dan 50 jaar binnen de bandbreedte van 1,7% tot 2,2% van het bruto binnenlands product (bbp). De grote multinationals die samen circa 60% van alle bedrijfs-R&D in Nederland doen, investeren bovendien meer in R&D dan het gemiddelde van hun branchegenoten wereldwijd. Dat betekent dat de wens om naar een R&D-intensiteit te gaan van 2,5% van het bruto binnenlands product (bbp) niet gaat over iets meer investeren door bedrijven en overheid. Het doel betekent feitelijk een oproep tot het veranderen van de economische structuur van Nederland.

R&D en bruto binnenlands product

De totale uitgaven aan 'research & development' (R&D; onderzoek & ontwikkeling) bestaan uit een overheidsdeel en een deel van het bedrijfsleven. Deze beide delen bevatten ook internationale componenten, namelijk van buitenlandse overheden én buitenlandse bedrijven die in R&D in Nederland investeren. De hoogte van R&D-investeringen kan worden uitgedrukt in euro's of in relatie tot de omvang van de economie, gemeten aan het bruto binnenlands product (bbp). Voor beide is een lange tijdreeks beschikbaar die de periode vanaf 1964 tot en met 2017 beslaat.

Achterliggende gedachte bij investeringen in R&D is dat zij vitaal zijn voor onze kennissamenleving. Om bij te blijven bij de ontwikkelingen in Amerika en Azië, zouden Europese overheden en bedrijven samen tot jaarlijkse uitgaven aan R&D moeten komen van 3% van het bbp (doelstelling Europa 2020-strategie). In 2000 werd de Europese norm van 3% voor het eerst genoemd, in het Lissabon akkoord. Een decennium later werd de Europa 2020-strategie opgesteld. De verwachte verdeling op basis van het internationaal gemiddelde, is dat 1/3 daarvan van overheidsinvesteringen zou moeten komen en 2/3 van het bedrijfsleven. Nederland heeft, vanwege de structuur van de economie, zelf het streefgetal op 2,5% van het bbp bepaald.

R&D-cijfers Nederland

De nominale ontwikkeling in miljoenen euro's is te zien in de volgende figuur:

In bovenstaande figuur zien we dat de totale investeringen in R&D in de periode vanaf 1964 een enorme vlucht hebben genomen. Waar er destijds niet meer dan een half miljard euro geïnvesteerd werd, staat de meter in 2017 op 16,1 miljard euro. De investeringen van het bedrijfsleven vormen het grootste deel van de totale R&D-investeringen. Daarbij moet wel gesteld worden dat de fiscale maatregelen van de overheid (uit de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) 1,2 miljard euro) daar aanzienlijk aan bijdragen.

Hieronder volgt dezelfde tijdreeks maar dan als percentage van het bruto binnenlands product. Dit wordt ook wel de R&D-intensiteit genoemd.

Uit de figuur hierboven is op te maken dat de R&D-intensiteit over de gehele periode in de bandbreedte van 1,7% tot 2,2% van het bbp ligt. In 2017 investeert de overheid 0,64% en het bedrijfsleven 1,23% van het bbp. Er is daarnaast nog een post van 0,26% uit het buitenland. Die bestaat uit investeringen van bedrijven uit het buitenland en uit publieke investeringen van de Europese Unie. In totaal is de R&D-intensiteit in 2017 2,18%.

Nederland zit met de overheidsuitgaven aan R&D in de middenmoot: ongeveer op het gemiddelde van de EU-15 (de 15 EU-landen van 1995) en net iets boven het gemiddelde van de OESO (het samenwerkingsverband van 36 economieën). Hierin zijn de fiscale faciliteiten via de WBSO niet mee gerekend. Zie ook het factsheet en de datapublicatie over R&D-uitgaven in internationaal perspectief.

R&D-investeringen overheid als percentage bbp groeien niet

De overheidsuitgaven aan R&D in percentage van het bbp liggen al jaren op ongeveer hetzelfde niveau. De laatste tien jaar beweegt het zich in de bandbreedte tussen 0,63% en 0,71% van het bbp. Het percentage voor 2017 komt uit op 0,64%. Hoewel de overheidsuitgaven vanaf 2018 wel stijgen door de extra investeringen uit het Regeerakkoord 2017, leidt dit niet tot een toename van de overheidsuitgaven aan R&D in percentage van het bbp (zie: TWIN 2017-2023). Dit komt doordat de economie naar verwachting sterker groeit dan de overheidsuitgaven aan R&D. 

R&D-investeringen bedrijfsleven groeien waarschijnlijk ook niet

De investeringen van het bedrijfsleven liggen in Nederland met 1,23% van het bbp duidelijk onder het OESO-gemiddelde van 1,5%. Daarbij heeft Nederland aanzienlijke fiscale maatregelen, waarmee de overheid de R&D investeringen in het bedrijfsleven stimuleert volgens de Wet bevordering speur en ontwikkelingswerk (WBSO 2017; 1,2 miljard euro). Om te bepalen of de investeringen van het bedrijfsleven al dan niet achter blijven en of er ruimte is voor verbetering, is het van belang om de structuur van de Nederlandse economie in de afwegingen mee te nemen. De economie bestaat uit sectoren die sterk leunen op R&D (R&D-intensieve sectoren) en sectoren waarin weinig in R&D wordt geïnvestereerd (R&D-extensieve sectoren). Voorbeelden van R&D-intensieve sectoren zijn ICT/software, High-tech, Automotive en vooral Pharma. Voorbeelden van R&D-extensieve sectoren zijn de Olie en Gas industrie, Handel, Horeca en Bouw. De mix van sectoren is daarom in sterke mate bepalend voor het niveau van private investeringen in R&D.

Een aantal studies toont aan dat Nederland een specifieke sectorstructuur heeft, die de lage R&D-investeringen verklaart. Haveman en Donselaar (zie de bronnenlijst onderaan de pagina) kwamen al in 2008 tot de conclusie dat 60% van de achterstand van Nederland verklaard kan worden uit de sectorstructuur. Ook ING wijst erop dat Nederland veel hoger zou scoren op de R&D-intensiteit als rekening zou worden gehouden met de sectorstructuur. De OESO heeft becijferd dat de R&D intensiteit in Nederland met ruim een half procent zou stijgen als de sectorstructuur vergelijkbaar zou zijn met het gemiddelde van de OESO-landen.

Een andere benadering is de R&D intensiteit te analyseren van bedrijven die in Nederland actief zijn. Hiervoor maakten we gebruik van de top 2500 van bedrijven met de hoogste R&D investeringen ter wereld (Joint Research Centre van de EU). Al deze bedrijven samen hebben een R&D intensiteit van 4,14% (741 miljard euro R&D). Daaruit is een deelverzameling te bepalen met bedrijven die een fors deel van hun R&D in Nederland uitvoeren. Deze verzameling bestaat uit ruim 30 bedrijven die ruim 10 miljard euro aan R&D investeren (deels in Nederland). Als we de R&D-uitgaven van deze bedrijven vergelijken met de cijfers van hun branchegenoten in de top 2500, dan zien we dat vrijwel al deze ondernemingen bovengemiddeld investeren; sommige tot wel twee maal zoveel als het branche-gemiddelde. Dit leidt tot de conclusie dat de bedrijven die in Nederland actief zijn met R&D al relatief veel investeringen doen op dit vlak. Een forse verhoging van de R&D-intensiteit van deze 'Nederlandse' bedrijven is daarom niet erg waarschijnlijk.

Van de R&D-intensieve sectoren zien we dat Nederland vooral in de hightech aanwezig is met bedrijven als Philips, ASML en NXP. In de Pharma, Automotive en ICT zien we in Nederland wel degelijk ondernemingen, maar in veel mindere mate dan in andere landen waar zeer grote multinationals gehuisvest zijn, zoals Volkswagen (€ 13,7 miljard R&D), Alphabet (€ 12,9 miljard R&D) of Roche (€ 9,2 miljard R&D); mondiaal de grootste R&D investeerders in respectievelijk Automotive, ICT/software en Pharma. Nederland is dus minder aanwezig in drie van de vier meest R&D-intensieve bedrijfssectoren. Voor de berekeningswijze van de cijfers van JRC verwijzen we naar de methodische bijlage.

Hoe dan wel van 2,2% naar 2,5%?

Redenerend vanuit bestaande bedrijven en vanuit de traditie van de overheidsfinanciering, is dus niet te verwachten dat het doel van 2,5% bbp gehaald gaat worden. Maar is dat problematisch? Er wordt immers in R&D-extensieve sectoren zoals logistiek, horeca, olie-industrie en de bouw ook geld verdiend. De vraag naar het al dan niet halen van die 2,5% is niet een vraag of we er publiek en privaat nog een schepje bij kunnen doen, maar is veel meer de vraag of het wenselijk en mogelijk is om de economische structuur van Nederland te veranderen. Het willen waarmaken van deze doelstelling van 2,5% impliceert dat veranderingen in de economische structuur gewenst zijn.

Aanknopingspunt voor de rol van de overheid in die veranderingen zijn de grote maatschappelijke uitdagingen; de energietransitie, de zorg voor het klimaat, intensivering in de zorg, innovatie in onze agro-foodsector, watermanagement, fysieke- en cyberveiligheid. Al deze uitdagingen hebben met elkaar gemeen dat zij spelen in kennisintensieve sectoren van onze samenleving. Voor oplossingen van maatschappelijke uitdagingen is ook een mondiale markt. Dit impliceert dat deze oplossingen ook export-potentie in zich dragen. Dat versterkt de noodzaak om de R&D intensiteit van ons land te verhogen. Keuzes zijn daarbij vitaal; gerichte investeringen door overheid én bedrijfsleven zijn daarvoor onontbeerlijk. Zoals er in het verleden keuzes zijn gemaakt om te investeren in de agrofood-kennis en voor de kennis voor halfgeleiders (ASML), is in de toekomst ook rendement te verwachten van investeringen in de maatschappelijke uitdagingen. Bij de intensiveringen om op 2,5% te komen gaat het niet om enkele honderden miljoenen, maar om miljarden euro's (zie voor de becijfering hiervan: TWIN 2017-2023).

Het kan ook anders: Verenigd Koninkrijk en Duitsland

Ter vergelijking hebben we de cijfers van twee buurlanden in kaart gebracht.

Het beeld van het Verenigd Koninkrijk laat zien dat in 1981 nog ruim 2,3% van het bbp werd besteed aan R&D. Dat percentage is tot medio jaren 90 gezakt naar iets boven 1,5%. Sinds 2009 fluctueert de R&D-intensiteit rond de 1,7%. Zichtbaar is ook dat de daling wordt ingezet met teruglopende overheidsinvesteringen in de jaren 80, die later gevolgd worden door een daling van de private investeringen. Waar de investeringen uit het bedrijfsleven na 2005 weer toenemen, blijven de overheidsinvesteringen licht afnemen.

De gegevens voor Duitsland laten een heel ander patroon zien. Vóór de hereniging is er een lichte stijging. Tussen 1989 en 1996 is een daling te zien bij het bedrijfsleven, terwijl de overheidsinvesteringen procentueel gelijk blijven (in een dan flink groter land). Enkele jaren na de hereniging is er juist een forse stijging te zien in de R&D uitgaven bij bedrijven. De overheid daalt eerst iets om vanaf 2008 weer te stijgen. In 2017 komen de totale R&D uitgaven boven de 3,0% uit.

Twee landen met een vergelijkbare uitgangssituatie circa 40 jaar geleden, maar met een heel verschillende ontwikkeling, waarbij Duitsland 1,23 procentpunt hoger uitkomt dan het Verenigd Koninkrijk (in 2016). Dit alles is een optelsom van beslissingen van bedrijven en overheden, die zich in beide landen uiteenlopend hebben voltrokken. Nederland zit met de R&D-intensiteit tussen beide landen in. De vraag is, hoe het Duitse voorbeeld te volgen is, of dat we in de buurt van de Britten willen blijven.

Bronnen