Wie sturen de wetenschap in Nederland aan?
Wat is de rol van de Rijksoverheid, de adviesorganen, de regionale overheid en Europa? Er staan meerdere partijen aan het roer van de Nederlandse wetenschap. Naast de nationale en de regionale overheid heeft ook Europa invloed op het formuleren, bepalen en uitvoeren van de hoofdlijnen van het Nederlandse wetenschapsbeleid. Financiering, wetgeving en regulering zijn de belangrijkste instrumenten om de wetenschap en wetenschappelijke organisaties aan te sturen. Daarbij is de leidraad het wetenschappelijk, maatschappelijk en economisch belang van de wetenschap. In deze factsheet komt aan bod hoe de Rijksoverheid, de regio en Europa hieraan invulling geven.
In het kort
- De ministeries van OCW en EZK zijn binnen de Rijksoverheid hoofdzakelijk betrokken bij het nationale wetenschapsbeleid in Nederland.
- Binnen provincies en grote gemeenten wordt wetenschapsbeleid ontwikkeld op het gebied van kennis en innovatie, meestal als onderdeel van het regionaal economisch beleid en vooral gericht op innovatie.
- Vanuit de Europese Unie wordt gestreefd naar een dynamische en concurrerende kenniseconomie om zo het Europese concurrentievermogen te vergroten.
De Rijksoverheid en de wetenschap
Het parlement (de Eerste Kamer en de Tweede Kamer), de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) en de bijbehorende departementen zijn op nationaal niveau de belangrijkste partijen die betrokken zijn bij het formuleren van het wetenschapsbeleid. Daarbij streeft het kabinet (de ministers en staatssecretarissen) naar een sterk en duurzaam stelsel van wetenschap en hoger onderwijs en een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving. Er zijn drie hoofddoelen geformuleerd om het stelsel toekomstbestendig te maken:
- Het versterken van het fundament;
- Ruimte geven aan divers talent;
- Het vergroten van de maatschappelijke impact van hoger onderwijs en onderzoek en de publieke erkenning ervan.
Op kabinetsniveau worden onderwerpen voorbereid en behandeld in onderraden. De voorbereiding van de besluitvorming in de onderraden vindt plaats op departementaal niveau in zogenaamde ambtelijke voorportalen, overleggen waarbij (hoge) ambtenaren betrokken zijn.
Het parlement
Het parlement bestaat uit de Eerste en de Tweede Kamer. De Tweede Kamer beslist mee over de financiering van wetenschap. Daarnaast kunnen Tweede Kamerleden specifieke onderzoeksonderwerpen agenderen en hebben zij een belangrijke rol in het kritisch evalueren van het beleid van de ministers. De Eerste Kamer heeft een indirectere rol, gericht op het medebeoordelen van wetsvoorstellen.
De rol en verantwoordelijkheid van de minister van OCW
(In belangrijke mate gebaseerd op de tekst van de OCW-begroting 2026, artikel 16)
De minister van OCW is verantwoordelijk voor het onderzoeks- en wetenschapsstel. Op internationaal niveau zoals bij de ontwikkeling van het beleid van de Europese Unie, deelt de minister van OCW deze verantwoordelijkheid met de minister van EZK.
De minister van OCW heeft drie rollen om de ambitie en hoofddoelen te kunnen behalen.
- Financieren van het onderzoeks- en wetenschapsstelsel, met als doel optimaliseren, verbeteren en het faciliteren van het stelsel.
- Stimuleren door het bijeenbrengen van partijen in het kennisecosysteem.
- Regisseren door bepaalde voorwaarden voor het onderzoeks- en wetenschapsstelsel te scheppen middels bijvoorbeeld wet- en regelgeving waardoor een klimaat van excellent onderzoek wordt gefaciliteerd.
De rol en verantwoordelijkheid van de minister van EZK
(in belangrijke mate gebaseerd op de tekst van de EZK-begroting 2026, artikel 3)
De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is Rijksbreed verantwoordelijk voor een goed functionerende economie en markten. Om het verdienvermogen te versterken zet het kabinet in op drie strategische doelen:
- Het bevorderen van een innovatieve, concurrerende en weerbare economie;
- Een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat met optimale randvoorwaarden voor succesvol ondernemerschap;
- Het faciliteren van de transitie naar een toekomstbestendige, circulaire en inclusieve economie.
De minister van EZK is verantwoordelijk voor toegepast onderzoek en innovatie. Beslissingen over investeringen in valorisatie en fundamenteel en toegepast onderzoek worden samen met de minister van OCW gemaakt. Daarnaast coördineert en ontwikkelt de minister van EZK het industriebeleid en het missiegedreven innovatiebeleid. Samen met de minister van OCW draagt de minister van EZK de verantwoordelijkheid voor het coördineren van publiek-private samenwerking.
De rol en verantwoordelijkheden van de overige ministers
Andere ministers zijn verantwoordelijk voor het onderzoek dat de ministeries op het eigen beleidsterrein laten uitvoeren. Het onderzoek staat dan ten dienste van het eigen beleid. Zo is de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) verantwoordelijk voor het beschermen en bevorderen van de gezondheid van burgers. Hiervoor financiert de minister specifieke (bevolkings-)onderzoeken, programma’s en projecten. Sommige ministeries zijn daarnaast verantwoordelijk voor instituten op het eigen beleidsterrein, die tevens een onderzoekstaak hebben. Voorbeelden van deze instituten zijn het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op het gebied van volksgezondheid (het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)), het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) op het gebied van weer en klimaat (het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W)) en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) op het gebied van veiligheid en justitie (ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V)).
Adviesorganen van de rijksoverheid
De Rijksoverheid kent verschillende adviesorganen op het gebied van wetenschapsbeleid. De belangrijkste zijn:
- De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI). De AWTI is een bij Wet ingesteld, onafhankelijk adviesorgaan en bestaat uit leden uit verschillende geledingen van de maatschappij, zoals onderzoekinstellingen en het bedrijfsleven. De officiële taak van de raad is als volgt geformuleerd: "De raad heeft tot taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over het te voeren beleid in nationaal en internationaal verband ten aanzien van wetenschap, technologie en innovatie, met bijzondere aandacht voor de verbinding tussen wetenschap, technologie en innovatie en de inzet daarvan voor economische en maatschappelijke doelen." De AWTI maakt voor zijn adviezen gebruik van de inbreng van partijen uit het veld van wetenschap en innovatie. Naast adviezen en briefadviezen brengt de AWTI ook achtergrondstudies uit. De AWTI-website geeft ook informatie over adviezen, werkwijze en organisatie. Deze website bevat ook informatie over de stand van zaken van uitgebrachte adviezen en lopende adviestrajecten.
- De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Onderdeel van de taken van de KNAW is het gevraagd of ongevraagd adviseren van de regering over aangelegenheden op het gebied van de wetenschapsbeoefening. De adviestaak van de KNAW is in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) vastgelegd. De KNAW heeft hiervoor op verschillende disciplinaire gebieden adviesraden. Deze adviesraden bestaan uit wetenschappers van universiteiten, onderzoeksinstituten, maatschappelijke organisaties en uit het bedrijfsleven. De adviesraden worden (inhoudelijk) ondersteund vanuit het Bureau van de KNAW. De KNAW is verantwoordelijk voor tien nationale onderzoeksinstituten. Daarnaast zijn wij, het Rathenau Instituut, gelieerd aan de KNAW. Binnen het Rathenau Instituut doen wij onderzoek naar de impact van wetenschap, innovatie en technologie op de samenleving.
Andere instellingen kunnen, als uitvloeisel van hun taak, adviezen uitbrengen over onderwerpen die betrekking hebben op de kenniseconomie:
- Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – WRR
- Sociaal Economische Raad – SER
- Sociaal en Cultureel Planbureau – SCP
- Centraal Planbureau – CPB
- Planbureau voor de Leefomgeving – PBL
- Onderwijsraad
Uitvoeringsinstanties
Financiering van onderzoek door het Rijk verloopt grotendeels via de rijksbijdrage, rechtstreeks van het ministerie van OCW naar de kennisinstellingen. Daarnaast wordt publiek geld voor de wetenschap in competitie verdeeld via projectfinanciering. Hiervoor zijn specifieke uitvoeringsinstanties. De belangrijkste zijn de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), inclusief Regieorgaan SIA en ZorgOnderzoek Nederland / Medische Wetenschappen (ZonMW). Zij verdelen het geld in competitie over specifieke onderzoekers en onderzoeksprojecten.
De regio
Ook provincies en grote gemeenten ontwikkelen beleid op het terrein van kennis en innovatie. Meestal is dat onderdeel van het regionaal economisch beleid en vooral gericht op innovatie, waarbij kennis dient als ondersteuning van innovatieprocessen. Sommige provincies voeren dat beleid zelf uit, andere besteden de uitvoering uit bij organisaties, zoals een Regionale Ontwikkelingsmaatschappij (ROM) of een samenwerkingsverband. De provincies en ROM’s zijn ook betrokken bij het Kennis en Innovatieconvenant (KIC) voor 2024-2027 waarin betrokken bedrijven, kennispartijen en overheden samenwerken en inzetten op een missiegedreven kennis- en innovatiebeleid.
Naast eigen middelen, al dan niet verkregen uit de verkoop van aandelen in energiemaatschappijen, ontvangen provincies middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).
Europa
Het wetenschapsbeleid van de Europese Unie (EU) heeft als doel om van Europa een dynamische en concurrerende kenniseconomie te maken, en daarmee het Europese concurrentievermogen te vergroten. Verder moet het beleid bijdragen aan het oplossen van urgente maatschappelijke problemen.
Sinds 1984 kent de EU kaderprogramma’s. Dat zijn meerjarige onderzoeksprogramma’s waarvoor financiële middelen ter beschikking worden gesteld. De lidstaten van de EU bepalen de thema’s voor deze programma’s. Vervolgens kunnen onderzoekers, onderzoeksorganisaties en bedrijven op basis van “calls” voorstellen doen aan de Europese Commissie. Voor de inhoudelijke beoordeling maakt de Commissie gebruik van externe experts, waarna de Commissie verantwoordelijk is voor de besluitvorming. De programma’s hebben ook als doel de samenwerking te stimuleren tussen verschillende Europese onderzoeksgroepen.
Inmiddels loopt het negende kaderprogramma op zijn einde, bekend onder de naam Horizon Europe, dat een looptijd heeft van 2021-2027. Dit kaderprogramma richt zich op een drietal doelen: de versterking van de wetenschappelijke excellentie, de aanpak van grote maatschappelijke uitdagingen en de versterking van het concurrentievermogen van de EU. De omvang van de Europese kaderprogramma’s is door de jaren gegroeid tot de 93,5 miljard euro dat begroot is voor Horizon Europe. In de evaluatie van Horizon Europe bleek dat het kaderprogramma onvoldoende budget had om alle excellente voorstellen te kunnen honoreren. Om te zorgen dat het budget van het kaderprogramma tegemoet komt aan de wetenschappelijke capaciteit van Europa zal het volgende kaderprogramma, KP10, naar verwachting een veel hoger budget hebben.
Europa streeft naar een Europese onderzoeksruimte (ERA), waarin onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologieën vrij kunnen bewegen. Het doel van ERA is om tot een verbetering van de Europese onderzoekprestaties te komen, wat vervolgens moet leiden tot economische groei en het creëren van banen. Binnen de ERA zijn zes prioriteiten benoemd waaraan moet worden gewerkt:
- meer effectieve nationale onderzoekssystemen;
- optimale transnationale samenwerking en competitie;
- een open arbeidsmarkt voor onderzoekers;
- gendergelijkheid en in onderzoek;
- optimale circulatie en overdracht van wetenschappelijke kennis;
- internationale samenwerking.
Naast Europees beleid gericht op het nationale niveau is er ook beleid gericht op het regionale niveau van landen. Als onderdeel van dit beleid heeft de EU Europese Structuur- en Investeringsfondsen opgezet om de samenhang tussen Europese regio’s te versterken.
Tot slot
Kortom, aan het roer van de Nederlandse wetenschap staan de Rijksoverheid, Nederlandse provincies en grote gemeenten, en de Europese Unie. De ministeries van OCW en EZK zijn binnen de Rijksoverheid hoofdzakelijk betrokken bij het landelijke wetenschapsbeleid in Nederland. Zij laten zich voornamelijk adviseren door de AWTI en de KNAW, evenals door de WRR, SER, SCP, CPB, PBL en de Onderwijsraad. Financiering van onderzoek door het Rijk verloopt grotendeels via de rijksbijdrage. Daarnaast wordt publiek geld voor de wetenschap in competitie verdeeld door specifieke uitvoeringsinstanties zoals NWO.
Binnen provincies en grote gemeenten wordt wetenschapsbeleid ontwikkeld op het gebied van kennis en innovatie, meestal als onderdeel van het regionaal economisch beleid en vooral gericht op innovatie. Vanuit de Europese Unie wordt gestreefd naar een dynamische en concurrerende kenniseconomie om zo het Europese concurrentievermogen te vergroten. Daarnaast moet het beleid bijdragen aan het oplossen van urgente maatschappelijke problemen. Om dit mogelijk te maken heeft de EU sinds 1984 kaderprogramma’s (meerjarige onderzoeksprogramma’s) geïntroduceerd en wordt er gestreefd naar een Europese onderzoeksruimte.