• U moet ingelogd zijn om onderwerpen te kunnen volgen.

    Log-in als u al een account heeft of maak een gratis account aan.

Wetenschap, journalistiek en medialogica

Longread van Iris Korthagen over nieuwsmedialogica en de rol van wetenschapsjournalistiek

“Rood vlees is even kankerverwekkend als plutonium en asbest” twitterde NRC wetenschap… (oef). De NOS opende en sloot haar journaal af met een waarschuwing dat je van het eten van hamburgers, bacon of spek kanker kunt krijgen en gaf het daarmee enorme urgentie. Hart van Nederland bracht het wetenschapsnieuws: “Knakworstjes ongezonder dan asbest.” (aj aj aj…). En de lijst van missers qua duiding van de bevindingen van de WHO kan nog wel worden uitgebreid. 

Gelukkig was daar – onder andere – Aliëtte Jonkers die op de Nieuwe Reporter eens even goed de feiten over de daadwerkelijke bevindingen van de WHO op een rij zette, en kritisch reflecteerde op de verschenen berichten. Ze hekelde daarbij ook de boodschap van de WHO. In plaats van het gevaarlijk klinkende – want natuurlijk mediageniekere – percentage had de WHO beter absolute cijfers kunnen gebruiken om de risico’s van rood en bewerkt vlees te duiden. Kortom, Jonkers helderde in haar blogpost de ontstane verwarring eens even goed op en kopte met de briljante woordspeling: “Goed wetenschapsnieuws brengen: het zal media worst zijn”.   

Verhalen die in het nieuws verteld worden over wetenschap volgen de nieuwsmedialogica. Denk maar aan onderwerpen als schaliegas, straling van zendmasten en het klimaat. Nieuws gaat om het nu, het actuele en is daarbij meer gericht op negatieve ontwikkelingen die zich voordoen, dan op positieve gebeurtenissen. Bovendien zoomt nieuws vaak in op personen en emoties, biedt het human interest. Het gaat vaak over conflicten, en over autoriteiten die falen.  Het moet voor ons relevant zijn: het is dichtbij ons gebeurd of het zou ons ook zomaar kunnen overkomen.

Die nieuwsmedialogica onderzoek ik al zo’n 6 jaar. Eerder in mijn promotieonderzoek, en op dit moment als onderzoeker bij het Rathenau Instituut binnen de onderwerpen digitale democratie en wetenschapsjournalistiek.

Het Rathenau Instituut houdt zich bezig met de dialoog tussen wetenschap, politiek en samenleving. In onze toekomstverkenning denken we na over wat wetenschapsjournalistiek voor die dialoog tussen wetenschap, samenleving en politiek kan betekenen: wat zijn belangrijke maatschappelijke functies van wetenschapsjournalistiek en in hoeverre worden die functies al vervuld? We vingen allerlei geluiden op dat er zaken aan het schuiven zijn die van invloed zijn op wetenschapsjournalistiek, zoals een uitbreiding van het medialandschap met nieuwe spelers en nieuwe formats en andere communicatiestrategieën vanuit wetenschappers en hun instellingen. Dat maakt het relevant om de toekomst van de wetenschapsjournalistiek te verkennen.

Een greep uit de bevindingen

Voor deze toekomstverkenning wetenschapsjournalistiek hielden wij een enquête die is ingevuld door 100 respondenten die wetenschapsjournalistiek tot hun huidige functie of functies rekenden. Dat geeft een aardige impressie van het veld (die niet glashard is natuurlijk). Opvallend is overigens dat van die 100 respondenten, de helft ook andere functies naast wetenschapsjournalistiek selecteerde. Ze zijn ook tekstschrijver of journalist, of werken in voorlichting en communicatie.

Iets meer dan de helft (54 van de 100 respondenten) was het eens met de stelling ‘De toekomst van de wetenschapsjournalistiek ziet er rooskleurig uit’. De respondenten motiveren dit optimisme vanuit het maatschappelijk belang van wetenschapsjournalistiek, de interesse vanuit het publiek en dat mediaorganisaties het belang van wetenschapsjournalistiek steeds meer zien. Zorgen van respondenten die het niet eens waren met de stelling (45 respondenten, een iets kleinere groep), hadden vooral te maken met de financiering van wetenschapsjournalistiek, uit te splitsen in zorgen over eigen inkomsten, onzekere verdienmodellen en krimpende redacties. Daarnaast leven er bij aantal respondenten zorgen over een dunner wordende scheidslijn tussen wetenschaps-PR en wetenschapsjournalistiek.

Een andere opvallende bevinding is dat van de 100 wetenschapsjournalisten die onze enquête invulden, er slechts 16 een journalistieke opleiding hebben gevolgd, aanzienlijk minder dan journalisten in het algemeen. Tegelijkertijd hebben wetenschapsjournalisten  wel vaker een wetenschappelijke opleiding achter de rug.

Ook lijken wetenschapsjournalisten er toch een wat andere taakopvatting op na te houden dan journalisten. Wat betreft het informeren van het publiek gaan de wetenschapsjournalisten gelijk op. Zo rond de 90% vindt dat een belangrijke (wetenschaps)journalistieke taak. Maar opvallend is dat in onze enquête relatief weinig wetenschapsjournalisten ‘waakhond zijn van de wetenschap’ als onderdeel zien van hun ‘opdracht’: 41 van de 100. Hoewel we de cijfers niet een op een naast elkaar kunnen zetten vanwege verschillen in meting is het wel een signaal dat minder dan de helft van die wetenschapsjournalisten zich watchdog voelt, tegenover meer dan driekwart van de journalisten in het algemeen.

Die bevinding uit de enquête wordt onderstreept door de achtergrondstudie van Alexander Pleijter en Linda Duits. Zij hebben voor ons een impressieanalyse gemaakt van het wetenschapsjournalistieke medialandschap. Van krant tot damesblad, in een enorme variatie aan media is informatie te vinden over wetenschappelijk onderzoek en wordt gebruik gemaakt van onderzoekers als expert. Er zijn tegelijkertijd relatief weinig stukken te vinden die wetenschappelijk onderzoek of het functioneren van de wetenschap eens kritisch onder de loep nemen. Bij het opvoeren van onderzoek of van een onderzoeker wordt er niet vaak gekeken of andere onderzoekers deze bevindingen onderschrijven. Het lijkt op de meeste redacties niet de gewoonte te zijn dat wetenschappelijk onderzoek nog eens wordt gecheckt, zoals Tonie Mudde van de Volkskrant  die deel uitmaakt van onze begeleidingscommissie treffend opmerkte.  

Maatschappelijke functies van wetenschapsjournalistiek en -communicatie

Het Rathenau Instituut vindt dat alle mensen die zich binnen de journalistiek en communicatie bezighouden met wetenschap, belangrijke maatschappelijke functies vervullen. Naast wetenschapsjournalistiek dienen ook afdelingen communicatie bij universiteiten, musea, debatcentra, studium generale, festivals als het Eurekafestival, organisaties als SciCom en het Rathenau Instituut het publiek belang.

In onze analyse zien we drie belangrijke maatschappelijke functies die bijdragen aan goede relaties tussen wetenschap, samenleving en politiek.

  1. Bij informeren over wetenschappelijk onderzoek gaat het niet alleen om bevindingen weergeven, maar ook om noties over het onderzoeksproces en het contextualiseren van bevindingen aan de hand van onderzoek van andere wetenschappers.
  2. Inzichten uit wetenschappelijk onderzoek kunnen worden gebruikt om te debatteren over sociale, economische en politieke vraagstukken. Wetenschappers kunnen in het debat functioneren als experts.
  3. En als derde wil ik graag in het bijzonder aandacht vragen voor kritisch observeren. Ook NRC ombudsman Sjoerd de Jong hield bij het jubileumsymposium van de VWN een vurig pleidooi om in de wetenschapsjournalistiek meer te kijken naar proces, belangen en geldstromen in het onderzoek. Onderzoek bepaalt in belangrijke mate hoe de samenleving van de toekomst eruit ziet. Dat vraagt om een kritische observator van de wetenschap. Die functie kan op allerlei manieren worden bekleed. Zo is het uitfilteren van onzinberichten over slecht uitgevoerd onderzoek daar onderdeel van. Maar ook het aan de orde stellen van verwerpelijke onderzoekspraktijken, of een laakbaar wetenschappelijk systeem.

Ik wil extra de aandacht vestigen op deze functie omdat die door weinigen wordt opgepakt. En het lijkt erop dat een groot deel van de beoefenaars van de wetenschapsjournalistiek zich deze functie ook niet van nature toe-eigenen.

Een blik in de toekomst van de wetenschapsjournalistiek

Na even kort stil te hebben gestaan bij de stand van zaken wil ik graag een blik in de toekomst werpen. We werken bij het Rathenau Instituut immers aan een toekomstverkenning wetenschapsjournalistiek. Daarbij wil ik aandacht vestigen op een opkomende beweging waar onderstaande boeken deel van uitmaken.

Dit is een beweging van journalisten en onderzoekers van journalistiek, media en communicatie die zich afzet tegen de dominantie van de nieuwsmedialogica. De afgebeelde boeken bepleiten vormen van constructieve journalistiek, knowledge-based journalism, betrokken of activistische journalistiek en slow journalism.

Die alternatieve journalistieke benaderingen zijn ontstaan als tegenreactie op:

  • de snelheid en fragmentatie van het nieuws,
  • de voorkeur voor het uitlichten van negatieve aspecten in nieuws
  • false balance in nieuwsberichtgeving; en
  • vraagtekens bij het ideaal van objectief verslagleggen

Bij knowledge-based journalism, o.a. bepleit door Thomas Patterson en Matthew Nisbet en Declan Fahy, wordt kennis van experts gecontextualiseerd en kritisch geëvalueerd. Daarbij wordt getracht hardnekkige ideologische verschillen in het maatschappelijk debat te overbruggen en verschillende beleidsopties te bediscussiëren.

Constructieve journalistiek wordt onder andere bepleit door Cathrine Gyldensted. Vanuit de positieve psychologie ziet zij een alternatief in het positief benaderen van de werkelijkheid en in het aandragen van oplossingsrichtingen. Dit vormt een tegenreactie op het uitlichten van negatieve aspecten in veel nieuws.  Constructieve journalistiek informeert niet alleen maar, maar inspireert mensen ook om na te denken over verandering.

Activistische/betrokken journalistiek biedt een alternatief voor een al te stringent objectiviteitsideaal en false balance. In zijn proefschrift stelt mediadirecteur KRO/NCRV Taco Rijssemus dat betrokken of activistische journalistiek niet gelijk staat aan slechte journalistiek. In betrokken journalistiek is het nog steeds van belang zorgvuldig met feiten om te gaan en om onafhankelijk te opereren van politieke en economische belangen, maar je kunt het publieke debat wel een bepaalde kant op gidsen op basis van de beschikbare informatie. Op basis van de door jou opgebouwde kennis en ervaringen is dat zeker aanvaardbaar, mits je transparant bent over je eigen idealen. Ook communicatiewetenschapper Yves Pepermans stelt (in context van de klimaatdiscussie) dat betrokken journalistiek een alternatief kan bieden voor een technocratisch debat. Een technocratisch debat waarin waarden impliciet zijn en te weinig worden bediscussieerd.

Ten slotte is slow journalism een tegenreactie op de snelheid van het nieuws en de focus op het ‘actuele’. Slow journalism zet daar diepgravende (‘langzame’) journalistiek tegenover die zich bezighoudt met ‘het relevante’. Kenmerk van slow journalism is een onderzoekende benadering, waarbij veel van de expertise van anderen gebruik wordt gemaakt. Datajournalistiek zou een manier kunnen zijn om vorm te geven aan onderzoekingen in slow journalism.

Alternatieve journalistieke vormen: wat betekent dat voor de wetenschapsjournalistiek?

Ik heb zelf heel erg behoefte aan journalistiek die verdergaat dan het nieuws. Journalistiek die meer focust op positieve aspecten en oplossingsrichtingen, zoals constructieve journalistiek en knowledge –based journalism. Journalistiek die een meer onderzoekende benadering heeft, zoals slow journalism. Of betrokken journalistiek die ons kan helpen uit een te technocratisch debat te komen.

Natuurlijk wil ik via het nieuws op de hoogte worden gehouden van de actualiteit, van nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap. Maar ik wil mijn tijd juist ook besteden aan berichten die verder gaan. Die duiden, die zich beroepen op feiten, maar ook verschillende visies naast elkaar leggen en wegen. Aan stukken die mij aan het denken zetten. Daarin zit wat mij betreft journalistieke meerwaarde.

Maar wat betekent die beweging in de journalistiek voor de wetenschapsjournalistiek? Journalistiek die verder gaat dan de feitelijkheden van het nieuws is überhaupt meer geneigd te putten uit wetenschappelijk onderzoek en gebruik te maken van wetenschappelijk experts. Het Rathenau Instituut organiseerde een nazomerborrel over wetenschapsjournalistiek. Ernst-Jan Pfauth gaf daar aan dat de journalisten bij de Correspondent kennis moeten hebben van het hele werkveld rondom hun onderwerp. Daar horen vanzelfsprekend ook experts en wetenschappelijk onderzoek bij, vond hij.

Kritisch weerwoord daarop kwam van Maarten Keulemans: algemene journalisten kunnen het wetenschapsveld niet overzien, zij missen specialistische kennis en gaan daardoor te weinig kritisch om met bevindingen uit wetenschappelijk onderzoek en visies van experts. Recent kwamen diverse journalisten van de Correspondent ook zelf tot de conclusie “Wij gebruiken de wetenschap te vaak verkeerd in onze artikelen”. Zij startten een levendige discussie.

Ik ben heel blij met het pleidooi voor die kritische houding vanuit wetenschapsjournalistiek. Dat was precies het pijnpunt in de berichtgeving over de gevaren van rood en bewerkt vlees. En ik voel dat pijnpunt ook als ik in Volkskrant een brief lees van een huisarts die schrijft: “Mijn spreekkamer zit vol met worried well: hoogopgeleide allesvrezers die niets mankeren, maar bang zijn voor alle voedsel omdat je er kanker, hoge bloeddruk, hersen- en hartinfarcten van krijgen kan.”

Maar ik zie ook dat er na dat schreeuwerig nieuws over de gevolgen van rood en bewerkt vlees, flink wat reacties zijn verschenen die de eerdere interpretatie van de WHO-rapporten rechttrekken. Goede wetenschapsjournalistiek is dus wel degelijk te vinden in ons medialandschap. Bovendien denk ik dat het een positieve ontwikkeling is dat wetenschap meer vanzelfsprekend deel wordt van journalistieke verhalen. Dat past ook in een samenleving waarin veel ‘gewone’ onderwerpen een wetenschappelijk aspect hebben, zo merkte Piet Hagen al in 2002 op bij de uitreiking van het eredoctoraat van Karel Knip[1].

Ik denk dat gespecialiseerde wetenschapsjournalisten een mooie rol kunnen spelen bij het aanjagen en experimenteren met nieuwe journalistieke vormen als slow journalism, knowledge-based journalism, constructieve of betrokken journalistiek. Overigens zijn er al goede voorbeelden te vinden die verder gaan dan wetenschapsnieuws over nieuwe publicaties. Denk aan de serie ‘Ware wetenschap’ van de Volkskrant, wetenschapsspecials van de NRC en fact-checking en inspirerende blogs. Ook een positieve ontwikkeling is dat er steeds meer reflectie op journalistieke keuzes te vinden is in media, zoals via de rubrieken van ombudsmannen en -vrouwen. Die reflectie draagt bij aan de contextualisering van kennis en mediawijsheid van het publiek.

Wetenschapsjournalistiek en –communicatie vanuit het publiek belang

Via die alternatieve vormen van journalistiek kunnen beoefenaars van wetenschapsjournalistiek ook een impuls geven aan de maatschappelijke functies van wetenschapsjournalistiek. En, zoals gezegd, het vervullen van de maatschappelijke functies in de relaties tussen wetenschap, samenleving en politiek is niet alleen voorbehouden aan de wetenschapsjournalistiek.

 Ook wetenschapscommunicatie draagt bij aan de maatschappelijke functies van informant, verbinder en waakhond. Direct in haar relaties met het publiek, en via wetenschapsjournalistiek.

Wetenschapscommunicatie kan goed voorwerk leveren voor wetenschapsjournalistiek, zoals door het uitfilteren van nieuws van onderzoekers dat niet eens de moeite waard lijkt om een persbericht over te maken. En door de kwaliteit van de informatie over het onderzoek te borgen, dus op te passen met mediagenieke percentages (zoals mis ging in de communicatie vanuit de WHO). En pro-actief het onderzoeksproces aan de orde stellen zodat bevindingen goed op waarde kunnen worden geschat. De wetenschapscommunicatie moet een goede balans zien te vinden tussen de maatschappelijke waarde en functies van wetenschapscommunicatie en de wens van de onderzoeksinstelling om persaandacht te krijgen. Iedereen die werkzaam is in de communicatie bij onderzoeksinstellingen kan zich waarschijnlijk wel gevallen herinneren waarbij die spanning tussen de PR-doelen en het publiek belang van kwalitatief goede informatie voelbaar was. Voor welk belang is toen gekozen?

Sociale functie van wetenschapsnieuws en -communicatie

Nog een kleine noot ter relativering en afsluiting van dit betoog over het publiek belang van kwalitatief goede wetenschapsjournalistiek en –communicatie. Alexander Pleijter en Linda Duits voegen het brengen van weetjes toe aan het besproken maatschappelijke functiemodel. En dat is eigenlijk wel terecht. In de samenleving heeft die vorm van wetenschapsjournalistiek en – communicatie immers een belangrijke sociale functie, die niet uit ons dagelijks leven weg te denken is. Raakte ik niet ook op die manier bij het koffiezetapparaat als vegetariër in gesprek met mijn collega’s over de gevaren van het eten van rood vlees? 

Deze longread is gebaseerd op de lezingen die Iris Korthagen hield bij het jubileumsymposium van VWN en een bijeenkomst van Scicom.

 

[1] Hagen, P. (2002). Hagen, P. (2002). De kritische functie van alledaagse wetenschapsjournalistiek. In: Lindhout, R. & J. Willems (red.). Wetenschapsjournalistiek. Is de optiek van wetenschapsjournalistiek te beperkt? Amsterdam: Dienst Communicatie VU Amsterdam, pp. 38