Vertrouwen in de wetenschap 2026
Enquête 2026 – verdiepende inzichten en eerste longitudinale meting
Downloads
Sinds 2012 vraagt het Rathenau Instituut periodiek aan een representatieve groep Nederlanders hoeveel vertrouwen zij hebben in de wetenschap en een aantal andere instituties. Voor het eerst hebben we in deze editie (2026) dezelfde groep mensen bevraagd als in de vorige editie (2025). Daardoor kunnen we veranderingen in vertrouwen in de wetenschap binnen dezelfde personen bekijken. Bovendien presenteren we een aantal verdiepende inzichten over waar vertrouwen in de wetenschap mee samenhangt.
Nederlanders geven in 2026 gemiddeld een 7,4 voor hun vertrouwen in de wetenschap. Dat was een jaar geleden 7,5. De rechtspraak volgt met een 6,4 (was 6,5). Nederlanders zijn de afgelopen jaren wel sceptischer geworden over kunstmatige intelligentie. In 2026 denkt nog maar 37% dat AI grote wetenschappelijke uitdagingen zoals klimaatverandering en ernstige ziekten zal oplossen. In 2024 was dat 60%.
Naar aanleiding van het vorige onderzoek stelden we extra vragen om te kijken of er gevaar is voor polarisatie tussen de groep mensen met veel vertrouwen en die met weinig vertrouwen. Dat blijkt genuanceerd te liggen. Mensen met veel vertrouwen staan weliswaar vrij negatief tegenover mensen met weinig vertrouwen, maar beide groepen staan open voor een gesprek met de ander.
Auteurs
-
Onderzoeker
-
Onderzoeker
-
Onderzoekscoördinator
Sinds 2012 vraagt het Rathenau Instituut periodiek aan een representatieve groep Nederlanders hoeveel vertrouwen zij hebben in de wetenschap en een aantal andere instituties. Voor het eerst hebben we in deze editie (2026) dezelfde groep mensen bevraagd als in de vorige editie (2025). Daardoor kunnen we veranderingen in vertrouwen in de wetenschap binnen dezelfde personen bekijken. Bovendien presenteren we een aantal verdiepende inzichten over waar vertrouwen in de wetenschap mee samenhangt.
Vertrouwen in de wetenschap nog altijd hoog; de meeste mensen veranderen niet veel
Nederlanders geven in 2026 gemiddeld een 7,4 voor hun vertrouwen in de wetenschap. Dat is een lichte daling ten opzichte van 2025, toen het vertrouwen in de wetenschap gemiddeld een 7,5 was. Veruit de meeste mensen zijn tussen 2025 en 2026 weinig veranderd wat betreft vertrouwen in de wetenschap: ruim 80% van de mensen geeft in 2026 hoogstens 1 punt meer of minder voor hun vertrouwen in de wetenschap ten opzichte van 2025. Een relatief kleine groep mensen, 12%, daalt meer dan 1 punt, en 8% van de mensen stijgt meer dan 1 punt. Dit verschil verklaart de lichte daling in het gemiddelde vertrouwen in de wetenschap.
Nog altijd uitgesproken meningen
Het aandeel mensen met een laag vertrouwen in de wetenschap (5 of lager) stijgt voor de tweede meting op rij. Het betreft een lichte stijging, van ongeveer 15% in 2025 naar ongeveer 16% in 2026. Wanneer we langer terugkijken in de tijd zien we dat dit percentage niet uitzonderlijk hoog is: het schommelt sinds 2012 tussen de 10% en 15%.
Het percentage mensen met een heel hoog vertrouwen in de wetenschap (9 of 10) daalt ten opzichte van de vorige meting juist iets, van ongeveer 34% in 2025 naar ongeveer 32% in 2026. Ondanks de lichte daling zien we dat dit percentage uitzonderlijk hoog is wanneer we langer terugkijken in de tijd: tussen 2012 en 2018 lag dit percentage tussen de 10% en 15%.
Het percentage mensen met een gemiddeld tot hoog vertrouwen (6 tot en met 8) is ten opzichte van de vorige meting niet significant veranderd. In 2025 bedroeg dit percentage 51%; in 2026 bedraagt het 52%. Wanneer we langer terugkijken in de tijd zien we dat dit percentage flink gedaald is: tussen 2012 en 2018 lag dit percentage rond de 75%.
Vertrouwen verschilt sterk per thema, de factoren daarachter ook
Hoewel het gemiddelde vertrouwen in de wetenschap nog altijd hoog is, en de meerderheid van de mensen een gemiddeld tot (heel) hoog vertrouwen in de wetenschap heeft, vertelt dit niet het hele verhaal. We zagen in de vorige editie al dat vertrouwen in de wetenschap sterk verschilt per onderzoeksthema. In deze editie zien we bovendien dat voor sommige thema's, zoals klimaatverandering en vaccinaties, vertrouwen in het onderzoek samenhangt met of mensen het thema belangrijk vinden. Met andere woorden, mensen die veel vertrouwen hebben in onderzoek naar die thema's vinden het thema zelf vaak belangrijk, en vice versa. Voor andere thema's, zoals discriminatie en ongelijkheid, zien we dat vertrouwen in het onderzoek in mindere mate samenhangt met het belang van het thema zelf, maar eerder samenhangt met dat mensen het belangrijk vinden dat de wetenschap zich met dat thema bezighoudt.
Het thema gezondheid wijkt sterk af. Liefst 90% van de ondervraagden vindt gezondheid belangrijk en wil dat de wetenschap zich ermee bezighoudt. Toch heeft bijna een derde van de Nederlanders geen of weinig vertrouwen in gezondheidsonderzoek. Waarschijnlijk wordt het verschil tussen belangrijk en vertrouwen veroorzaakt door zorgen over commerciële belangen in gezondheidsonderzoek.
Sommige (beroeps)groepen en landen worden veel meer vertrouwd dan andere
Niet alleen waarover het onderzoek gaat, maar ook wie eraan meewerkt of erover uitspraken doet, is van invloed op het vertrouwen. Zo zagen we in de vorige editie dat bijna twee op drie Nederlanders vertrouwen heeft in de conclusies die wetenschappers trekken op basis van wetenschappelijk onderzoek. Echter, niet alleen wetenschappers doen uitspraken over de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. Ook andere (beroeps)groepen, zoals artsen, journalisten, beleidsmakers en burgers trekken weleens conclusies op basis van wetenschappelijk onderzoek. In deze editie zien we dat het vertrouwen dat Nederlanders in die conclusies hebben, sterk verschilt per (beroeps)groep. De conclusies van artsen, wetenschappelijke adviesraden, rechters en advocaten, en docenten worden door tussen de helft en driekwart van de mensen vertrouwd. De conclusies van familie en vrienden, journalisten, beleidsmakers, bedrijven, burgers, activisten, en politici worden door hoogstens een derde van de mensen vertrouwd.
Ook wanneer instellingen uit bepaalde landen meewerken aan onderzoek wordt het onderzoek in meerdere of mindere mate vertrouwd, afhankelijk van om welk land het gaat. Tussen de helft en driekwart van de Nederlanders heeft vertrouwen in onderzoek waaraan instellingen uit Nederland, een ander EU-land, Japan, of Australië hebben meegewerkt. Daarentegen heeft hoogstens een kwart van de Nederlanders vertrouwen in onderzoek waaraan instellingen uit de VS, India, Zuid-Afrika, Brazilië, China of Rusland hebben meegewerkt.
Psychologische afstand en huishoudinkomen hangen samen met vertrouwen in de wetenschap, opleidingsniveau niet
Niet alleen factoren die met de wetenschap van doen hebben, zoals wie meewerkt of waar het onderzoek over gaat, zijn van invloed op hoeveel vertrouwen mensen hebben in de wetenschap. Er zijn ook persoonlijke factoren – factoren die te maken hebben met de mensen zelf – die verband houden met hoeveel vertrouwen mensen hebben in de wetenschap. Zo zagen we in de vorige editie dat leeftijd, opleidingsniveau, politieke oriëntatie, spiritualiteit en aanraking met de wetenschap samenhangen met vertrouwen in de wetenschap. In deze editie zien we bovendien dat bepaalde vormen van psychologische afstand tot de wetenschap sterk samenhangen met vertrouwen in de wetenschap: het gevoel dat wetenschap een belangrijke rol speelt in de directe (leef)omgeving en het gevoel dat de effecten van de wetenschap pas in de verre toekomst zichtbaar zullen worden, hangen samen met een hoger vertrouwen in de wetenschap. Ook de mate waarin mensen het gevoel hebben rond te kunnen komen van hun totale huishoudinkomen hangt sterk samen met vertrouwen in de wetenschap. Dit is zelfs een betere verklarende factor voor vertrouwen in de wetenschap dan verschillen in opleidingsniveau. Wanneer we de mate waarin mensen het gevoel hebben rond te kunnen komen van hun totale huishoudinkomen meenemen, verdwijnt namelijk het verband tussen opleidingsniveau en vertrouwen in de wetenschap.
Mensen zijn verdeeld over de kansen van AI in de wetenschap
Momenteel zien we een zeer snelle toename van het gebruik van AI in de wetenschap. In 2024 was nog meer dan de helft van de Nederlanders het eens met de stelling dat het gebruik van AI in de wetenschap tot grote doorbraken kan leiden. De verdeeldheid over deze stelling onder Nederlanders is inmiddels toegenomen. In 2026 is nog maar iets meer dan een op drie Nederlanders het eens met de stelling dat het gebruik van AI in de wetenschap tot grote doorbraken kan leiden; zo'n 20% niet. Een derde van de mensen is het niet eens en niet oneens.
Mensen met hoog vertrouwen in de wetenschap zijn vaker affectief gepolariseerd dan mensen met laag vertrouwen in de wetenschap
Hoewel vertrouwen in de wetenschap een belangrijke voorwaarde is voor het vervullen van de maatschappelijke functie van de wetenschap, zit er ook een keerzijde aan een (heel) hoog vertrouwen in de wetenschap. We zien namelijk dat mensen met een (heel) hoog vertrouwen veel vaker affectief gepolariseerd zijn dan mensen met een laag vertrouwen in de wetenschap: bijna 9 op 10 Nederlanders met een heel hoog vertrouwen in de wetenschap (9 of 10) kijken positief naar andere mensen met een vergelijkbaar (hoog) vertrouwen, en juist negatief naar mensen met een ander (laag) vertrouwen in de wetenschap. Omgekeerd geldt dat in veel mindere mate: slechts 1 op 3 Nederlanders met een laag vertrouwen in de wetenschap kijken positief naar anderen met een vergelijkbaar (laag) vertrouwen in de wetenschap en tegelijkertijd negatief naar mensen met een ander (hoog) vertrouwen in de wetenschap.
Ondanks de sterke mate van polarisatie binnen sommige groepen zien we dat een meerderheid van de mensen, zowel met hoog als met laag vertrouwen in de wetenschap, bereid is om in gesprek te gaan met iemand die andere opvattingen heeft over de wetenschap dan zij.
Wetenschap is van groot maatschappelijk belang. Het leidt tot innovaties, informeert beleid en helpt bij het oplossen van sociale en maatschappelijke problemen. Zonder publiek vertrouwen is er geen draagvlak voor wetenschappelijk onderbouwd beleid. Daarbij is publiek vertrouwen ook belangrijk voor de publieke financiering van wetenschap.
In dit rapport onderzoeken we daarom welke factoren verband houden met het veel of weinig vertrouwen hebben in de wetenschap: in het algemeen en wanneer het gaat om een aantal specifieke thema's. In dit hoofdstuk (hoofdstuk 4 van het rapport) beschrijven we de belangrijkste inzichten uit ons onderzoek.
Vertrouwen in de wetenschap is stabiel
Het vertrouwen in de wetenschap is onverminderd hoog. In dit rapport laten we zien dat Nederlanders in 2026 gemiddeld een 7,4 geven voor hun vertrouwen in de wetenschap. Sinds de eerste editie van dit onderzoek in 2012 schommelt het gemiddelde vertrouwen in de wetenschap tussen de 7,0 (2015) en de 7,5 (2025) (Rathenau Instituut, 2013, 2015, 2018, 2021b, 2025b). Het vertrouwen in de wetenschap is daarmee ten minste sinds 2012 consistent hoger dan het vertrouwen in andere instituties van maatschappelijk belang, zoals de rechtspraak, vakbonden, of de regering.
In dit rapport laten we voor het eerst zien dat deze stabiliteit op populatieniveau gepaard gaat met stabiliteit op individueel niveau. Veruit de meeste Nederlanders, 8 op 10, veranderen in een jaar tijd niet sterk in hun vertrouwen in de wetenschap. De lichte daling van het gemiddelde vertrouwen in de wetenschap ten opzichte van 2025 komt doordat een kleine groep Nederlanders, iets meer dan 1 op 10, significant daalt in hun vertrouwen in de wetenschap. Iets minder dan 1 op de 10 Nederlanders stijgen in hun vertrouwen in de wetenschap.
Onafhankelijkheid en toepasbaarheid zijn belangrijke voorwaarden voor vertrouwen in de wetenschap
Gevraagd naar wat er nodig zou zijn om vertrouwen in de wetenschap te verhogen, gaven Nederlanders aan dat onafhankelijkheid en neutraliteit, en impact en toepasbaarheid belangrijke voorwaarden zijn. Veel mensen gaven aan zich zorgen te maken over commerciële belangen en politieke inmenging of politieke gekleurdheid in wetenschappelijk onderzoek.
Ook het zien van het 'nut' van wetenschap, in de zin van praktische toepasbaarheid en voordelen voor de samenleving, wordt vaak genoemd als een belangrijke voorwaarde voor (meer) vertrouwen in de wetenschap. Dit zien we bovendien duidelijk terug in de sterke samenhang tussen vertrouwen in de wetenschap en hypothetische afstand tot de wetenschap (het gevoel dat de wetenschap de juiste informatie geeft over de wereld om ons heen en voor resultaten zorgt die bruikbaar zijn in het echte leven).
Vertrouwen verschilt sterk per onderzoeksthema; de redenen daarachter ook
Vertrouwen in de wetenschap is sterk afhankelijk van een aantal factoren. Zo doet het onderzoeksthema ertoe: veel mensen hebben vertrouwen in onderzoek naar gezondheid, terwijl veel minder mensen vertrouwen hebben in onderzoek naar discriminatie en ongelijkheid. Wat achter die verschillen zit, verschilt ook sterk per thema. Het vertrouwen in onderzoek hangt samen met de mate waarin mensen belang hechten aan het onderwerp. Denk aan controversiële of gepolitiseerde thema's zoals klimaatverandering en vaccinaties.
Bij andere thema's, bijvoorbeeld discriminatie en ongelijkheid, vinden mensen het onderwerp wel belangrijk, maar vinden zij het niet belangrijk dat de wetenschap daar onderzoek naar doet. Dat kan verklaren waarom het vertrouwen in onderzoek naar die thema's lager is.
Het thema gezondheid wordt door nagenoeg iedereen belangrijk gevonden. Ook het belang van het onderzoek ernaar wordt door bijna iedereen ervaren. Toch heeft niet iedereen vertrouwen in gezondheidsonderzoek. Dat kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door zorgen over commerciële belangen achter het onderzoek, of door medische ervaringen die het vertrouwen hebben ondermijnd.
Mensen hebben meer vertrouwen in de wetenschap wanneer die in de directe leefomgeving zichtbaar aanwezig is
Vertrouwen in de wetenschap hangt sterk samen met de mate waarin mensen het gevoel hebben dat wetenschap iets is wat ver weg staat en irrelevant is voor het dagelijks leven: de psychologische afstand tot de wetenschap. We kunnen die psychologische afstand onderverdelen in sociale afstand, temporale afstand, spatiële afstand en hypothetische afstand. We vinden geen bewijs van een verband tussen vertrouwen en sociale afstand. Dat wil zeggen, mensen die veel sociale afstand tot de wetenschap ervaren ('ik zou nooit wetenschapper kunnen worden') verschillen niet significant in hun vertrouwen in de wetenschap met mensen die weinig sociale afstand ervaren. We zien wel verbanden tussen vertrouwen en de andere vormen van psychologische afstand tot de wetenschap. Zo zien we een positief verband tussen vertrouwen en temporele afstand. Dat wil zeggen, mensen die meer temporele afstand ervaren ('wetenschap is gericht op de verre toekomst') hebben gemiddeld meer vertrouwen in de wetenschap. We zien een negatief verband tussen vertrouwen en spatiële afstand. Met andere woorden, mensen die meer spatiële afstand ervaren ('wetenschap speelt geen belangrijke rol in mijn buurt') hebben gemiddeld juist minder vertrouwen in de wetenschap. We zien tot slot een sterk negatief verband tussen vertrouwen in de wetenschap en hypothetische afstand. Dat wil zeggen dat mensen die veel hypothetische afstand tot de wetenschap ervaren ('wetenschap zorgt niet voor resultaten die we in het echte leven kunnen gebruiken'), gemiddeld genomen minder vertrouwen in de wetenschap hebben.
Het verband tussen vertrouwen in de wetenschap en opleidingsniveau wordt verklaard door verschillen in huishoudinkomen
In alle eerdere edities van dit onderzoek lieten we zien dat opleidingsniveau een belangrijke voorspellende factor is voor vertrouwen in de wetenschap (Rathenau Instituut, 2013, 2015, 2018, 2021b, 2025b). Nu hebben we voor het eerst onderzocht of dit verband een uiting kan zijn van een ander, onderliggend verband: tussen de mate waarin mensen het gevoel hebben (goed) rond te kunnen komen van hun financiële situatie en vertrouwen in de wetenschap. Dat blijkt het geval.
Hoewel we constateren dat opleidingsniveau niet samenhangt met vertrouwen in de wetenschap wanneer we corrigeren voor de ervaren financiële zekerheid, zien we wel dat het juist mensen met een lager opleidingsniveau zijn die het belangrijk vinden dat hun vertrouwen in de wetenschap wordt vergroot. Zeker wanneer zij relatief weinig sociale afstand tot de wetenschap ervaren en al enige interesse in en kennis over de wetenschap hebben.
Internationale samenwerking heeft invloed op het vertrouwen in onderzoek
Het vertrouwen in onderzoek hangt af van of er buitenlandse instellingen meewerken aan het onderzoek. Wanneer deze instellingen gevestigd zijn in stabiele, democratische en Westerse landen, zoals de EU-landen, Japan, of Australië, wordt het onderzoek door de meeste mensen vertrouwd. Bevinden deze instellingen zich echter in politiek instabiele en autoritaire landen, zoals de VS, China of Rusland, dan heeft een meerderheid van de mensen weinig of geen vertrouwen in het onderzoek. Dat is opvallend omdat veel van de beste universiteiten ter wereld uit China en de VS komen.
We weten uit eerdere edities van ons onderzoek dat zorgen over commerciële en politieke inmenging het vertrouwen in onderzoek sterk doen afnemen (Rathenau Instituut, 2021b, 2025b). In deze editie zien we dat weer. Het is waarschijnlijk dat mensen in ieder geval deels door dat soort zorgen minder vertrouwen hebben in onderzoek waaraan instellingen uit deze landen meewerken.
Nederlanders hebben ook een laag vertrouwen in onderzoek met instellingen in het mondiale zuiden, zoals Brazilië, India of Zuid-Afrika. Mogelijk spelen daarbij andere factoren een rol.
Vertrouwen in de conclusies van onderzoek hangt samen met de afzender
Vertrouwen verschilt ook sterk voor welke groepen conclusies trekken op basis van dat onderzoek. In de vorige editie van dit onderzoek constateerden we dat er veel vertrouwen is in de conclusies die wetenschappers zelf trekken op basis van wetenschappelijk onderzoek, maar niet in de conclusies die 'anderen' daarover trekken (Rathenau Instituut, 2025b). In deze editie hebben we voor het eerst de categorie 'anderen' opgesplitst. We zien dat de conclusies van artsen en docenten op basis van wetenschappelijk onderzoek wel door een meerderheid van mensen worden vertrouwd, maar de conclusies van beleidsmakers, politici, bedrijven, activisten en burgers niet.
Hoe meer vertrouwen in de wetenschap, hoe meer affectieve polarisatie
Een zekere mate van vertrouwen in de wetenschap is een belangrijke voorwaarde voor het goed functioneren van maatschappelijke en democratische processen. We zien voor de tweede meting op rij dat het percentage mensen met laag vertrouwen iets stijgt. Dit percentage is vergeleken met de afgelopen vijftien jaar echter nog altijd niet uitzonderlijk hoog. Het percentage mensen met een heel hoog vertrouwen in de wetenschap nam daarentegen in de afgelopen vijftien jaar sterk toe.
Tegelijkertijd zien we dat vertrouwen in de wetenschap veruit de sterkste voorspeller is voor een hogere mate van affectieve polarisatie. Mensen met een hoger vertrouwen in de wetenschap hebben consistent vaker warme, positieve gevoelens naar anderen met een hoog vertrouwen en koude, negatieve gevoelens naar mensen met een laag vertrouwen. Dit kan het wij-zij-denken versterken en tegenstellingen in de samenleving op scherp zetten, zeker wanneer die tegenstellingen er in werkelijkheid niet zijn. We zien wel dat de meeste mensen, zowel met hoog als met laag vertrouwen, aangeven nog in gesprek te willen met iemand die andere opvattingen over de wetenschap heeft dan zij.
Voetnoten
Zo draagt dit bij aan onze missie
Wetenschap in Nederland
De Nederlandse wetenschap is van hoog niveau en heeft op meerdere fronten een internationale toppositie, maar er zijn belangrijke aandachtspunten, waaronder hoge werkdruk, een sterke nadruk op…
Alles over dit programmaWerking van het wetenschapssysteem
Het Rathenau Instituut heeft mede tot taak inzicht te verschaffen in de werking van het wetenschapssysteem. Daartoe onderhouden we een uitgebreide reeks van factsheets en datapublicaties en brengen…
Alles over dit thema