Kennisbasis voor academische vrijheid in Nederland

Status: Lopend

Op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap doet het Rathenau Instituut in 2026 onderzoek naar een kennisbasis voor academische vrijheid in Nederland. Doel is te onderzoeken of het nodig is om academische vrijheid in Nederland te monitoren, en wat daarvoor nodig zou zijn. In onderstaand projectplan leest u waarom, wat en hoe we het onderzoek uitvoeren.

Werking van het wetenschapssysteem

Project

TU-Delft-shutterstock_2262496047-Wolf-photography.jpg Gebouw van de TUDelft
Het Industrial Design Engineering-gebouw van de TU Delft (Foto: Wolf photography - Shutterstock)

Waarom doet het Rathenau Instituut dit onderzoek?

Academische vrijheid is een belangrijk aspect van het wetenschapssysteem. Het Rathenau Instituut heeft als wettelijke taak om inzicht te geven in de werking van het wetenschapssysteem. Met dit onderzoek willen wij het inzicht in academische vrijheid binnen Nederland vergroten en ontwikkelingen rondom academische vrijheid in de tijd kunnen volgen. Doel is te onderzoeken of het nodig is om academische vrijheid in Nederland te monitoren, en wat daarvoor nodig zou zijn. 

Het onderzoek wordt uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW). Vanuit het ministerie is er de wens om ontwikkelingen in academische vrijheid periodiek te onderzoeken. Vanuit de Tweede Kamer is hier ook in de motie Claassen om gevraagd. In dit onderzoek zullen we tevens de institutionele autonomie meenemen als factor van belang, tegemoetkomend aan de motie Abdi en Rooderkerk.   

Welke onderzoeksvragen beantwoorden we?  

In dit onderzoek beantwoorden we de volgende vragen:  

  1. Wat wordt verstaan onder academische vrijheid in het Nederlandse wetenschapssysteem? Welke deelaspecten zijn hierbij te onderscheiden?
  2. Welke kennisbasis is er beschikbaar over academische vrijheid binnen het Nederlandse wetenschapssysteem? Welke indicatoren en data zijn al beschikbaar om academische vrijheid te meten?
  3. Ontbreken er indicatoren of data om academische vrijheid te meten? Zo ja, welke?
  4. Wat is de staat van academische vrijheid binnen het Nederlandse wetenschapssysteem op basis van de beschikbare indicatoren en data?
  5. Welke mogelijkheden zijn er om politiek en beleid te ondersteunen met aanvullende (periodieke) monitoring van academische vrijheid binnen het Nederlandse wetenschapssysteem? Welke indicatoren kunnen gebruikt worden om academische vrijheid periodiek te monitoren?  

Hoe gaan we te werk? 

Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen doorlopen we de volgende stappen:  

Wat wordt verstaan onder academische vrijheid? Welke definities zien we terug? Zien we deelaspecten waarvan het belangrijk is deze van elkaar te onderscheiden (bijvoorbeeld institutionele autonomie, vrijheid van individuele onderzoekers, zelfcensuur en kennisveiligheid)? Om academische vrijheid conceptueel te verhelderen zullen wij een literatuuronderzoek uitvoeren. We richten ons daarnaast ook op relevante commissiedebatten van de Tweede Kamer.

Wat is de huidige kennisbasis voor academische vrijheid in het Nederlandse wetenschapssysteem? Welke kennis en indicatoren zijn al beschikbaar? Wat is de staat van academische vrijheid binnen het Nederlandse wetenschapssysteem op basis van deze beschikbare indicatoren en data? Wij voeren een literatuuronderzoek uit en kijken onder andere naar bestaande indicatoren voor academische vrijheid. We richten ons ook op relevante rapporten van institutionele partijen en indicatoren van (internationale) onderzoeksgroepen. Denk hierbij aan de Academic Freedom Index, de Europese Commissie en OESO-indicatoren gerelateerd aan academische vrijheid.  

De beschikbare kennis, indicatoren en data vullen wij aan met een schriftelijke uitvraag en/of semi-gestructureerde interviews onder relevante stakeholders. Wij inventariseren welke kennisbehoeften relevante stakeholders hebben binnen de deelaspecten van academische vrijheid. Daarnaast brengen wij in kaart welke activiteiten zij zelf op dit onderwerp doen of gepland hebben. De keuze voor een schriftelijke uitvraag of een interview is afhankelijk van de contactpersoon. Als een schriftelijke uitvraag toelichting vraagt zullen wij eventueel na de uitvraag ook nog een interview verrichten.  

In dit onderzoek beschouwen wij Universiteiten van Nederland (UNL), UMC-NL, Vereniging Hogescholen (VH), Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), De Jonge Akademie (DJA) en het ministerie van OCW als relevante stakeholders.  

Ontbreekt er informatie over academische vrijheid binnen het Nederlandse wetenschapssysteem? Zo ja, welk aanvullend onderzoek is er nodig? In deze fase formuleren we een kennisagenda voor academische vrijheid. Fasen 1 en 2 vormen de input voor deze kennisagenda. 

Hoe, en in hoeverre, kan academische vrijheid met behulp van periodieke monitoring in kaart worden gebracht? In deze fase brengen we fasen 1, 2 en 3 samen in aanbevelingen voor een indicatorenset die gebruikt kan worden in een (periodieke) monitor.  

Tot slot stellen wij een rapport op. Fasen 1 tot en met 4 vormen de input voor het rapport. De interne kwaliteitsborging zal bestaan uit een review van het rapport door de directie, het bestuur en (minimaal) twee interne tegenlezers. Daarnaast zullen wij een conceptrapport delen met het ministerie van OCW.

Wat onderzoeken we niet?

Wij doen in dit onderzoek een voorstel voor eventuele (periodieke) monitoring. De daadwerkelijke monitoring en het opstellen van een survey valt buiten de scope van dit onderzoek en zal deel uitmaken van een eventueel vervolgonderzoek.   

Wanneer wordt het onderzoek opgeleverd?  

Wij bieden het eindrapport in november aan de minister van OCW aan. Het rapport over pluriformiteit in de wetenschap leveren we gelijktijdig op.