Europees onderzoeks- en innovatiebeleid in tijden van geopolitieke onrust: “Maak dilemma’s bespreekbaar”
In de Europese Unie is de ontwikkeling van het nieuwe kaderprogramma voor onderzoeks- en innovatiebeleid in volle gang. Het Rathenau Instituut publiceerde begin 2026 een verkenning naar de gevolgen van geopolitieke ontwikkelingen voor het Nederlandse wetenschapssysteem. Daaruit blijkt dat er verschillende perspectieven op wetenschap bestaan onder partijen zoals politici, adviesorganen en wetenschappers, nu de geopolitieke situatie verandert door onder meer oorlogen, de opkomst van autoritair leiderschap, of klimaatverandering. Aan onderzoeker Esther Baar de vraag: ‘Herken je die uiteenlopende perspectieven op wetenschap ook in het debat over het Europees onderzoeksbeleid FP10?’
Esther, waarom doet geopolitiek ertoe bij de ontwikkeling van het nieuwe kaderprogramma van de Europese Unie voor onderzoek en innovatie?
Het nieuwe kaderprogramma, dat in Brussels jargon ‘FP10’ heet, bepaalt voor een periode van zeven jaar hoe de EU investeert in onderzoeks- en innovatieactiviteiten. Het vorige kaderprogramma, Horizon Europe, dat eind 2027 afloopt, had ruim 90 miljard euro te besteden en kenmerkte zich door onder meer een focus op excellente wetenschap, missies om maatschappelijke uitdagingen op te lossen en industrieel concurrentievermogen.
FP10 krijgt waarschijnlijk een budget dat bijna twee keer zo groot is, 175 miljard euro, en gaat zich naar verwachting nog meer richten op de concurrentiekracht van Europa ten opzichte van de VS en China. Met andere woorden: op het vermogen van de EU om machtig te blijven en nog machtiger te worden, en haar economische productiviteit te verhogen. De voorgestelde groei van het budget en de verschuiving van doelen voor het onderzoek zijn niet los te zien van geopolitieke ontwikkelingen zoals technologieraces, oorlog, autoritair leiderschap en ook klimaatverandering. De nadruk ligt op competitie, rivaliteit en nationale veiligheid. Dat vindt zijn weerslag in deze koerswijziging van het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid, waarin er tot voor kort altijd een op zijn minst retorische toewijding was aan internationale samenwerking en ‘science for good,’ in plaats van wetenschap als instrument dat zich vertaalt in macht.
Wat betekent dat voor Nederland?
Nederland ontvangt in euro’s 1,4 keer uit Horizon Europe ten opzichte van wat we eraan bijdragen, en we staan als land op de vierde plek qua absolute inkomsten. Hoe FP10 eruit komt te zien, heeft dus een grote impact op het Nederlandse kennislandschap. Het beïnvloedt niet alleen hoeveel onderzoek, of kennisproductie, er de komende jaren wordt gedaan, maar ook het soort, de inhoud en waardering daarvan.
Hoe beïnvloedt de geopolitieke onrust in de wereld het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid?
Hoewel er nog volop wordt gediscussieerd over hoe FP10 er uiteindelijk écht uit moet komen te zien, zien we nu al een aantal belangrijke voorstellen en uitspraken die te maken hebben met verschillende geopolitieke veranderingen in de wereld. Om te beginnen is de verdubbeling van het onderzoeks- en innovatiebudget moeilijk los te zien van het invloedrijke adviesrapport van Mario Draghi.
Dit rapport is geschreven in de context van een ‘kantelende wereldorde’ en is vrij alarmerend van toon. Als we niet meer investeren in wetenschap, technologie en innovatie wacht Europa een pijnlijke aftakeling, “a slow agony”, zei Draghi bij de presentatie van zijn rapport. Zijn gedachtegoed komt op verschillende manieren terug in FP10: minder regels en ‘gedoe’ voor groeiende bedrijven, meer geld voor R&D en meer focus op toepassing. De EU gaat dus niet alleen meer investeren, maar legt ook een ander accent. Er wordt vooral geïnvesteerd in kennisproductie omdat het een troef is die zich vertaalt in Europese macht.
“De militaire focus van het nieuwe Europese programma brengt moeilijke vragen met zich mee”
Een tweede ontwikkeling gaat over ‘dual-use’ onderzoek: kennis en technologie die zowel voor civiele als militaire toepassingen gebruikt kan worden, bijvoorbeeld drones en AI. Commissievoorzitter Ursula von der Leyen zei dat er ‘meer bruggen’ gebouwd moeten worden tussen de twee domeinen civiel en militair, en een expertgroep adviseerde om het nieuwe kaderprogramma ‘dual-use by design’ te maken. Beide uitspraken zijn gedaan in de context van een snel veranderend geopolitiek landschap, en specifiek de Russische inval in Oekraïne, wat leidde tot toegenomen aandacht voor de militaire paraatheid van de EU.
In de 40 jaar sinds dit kaderprogramma bestaat, heeft de nadruk altijd gelegen op civiele projecten, onderzoek voor en met de maatschappij. Het lijkt er dus op dat FP10 een duidelijke trendbreuk gaat zijn. De focus op dual-use onderzoek, of een meer militaire focus van FP10, brengt moeilijke vragen met zich mee. Wie mag er wel en niet meewerken aan gevoelige onderwerpen? Met wie worden de resultaten gedeeld? Hoe willen en kunnen civiele kennisinstellingen hieraan meewerken?
Dat doet me denken aan een derde discussie die nu speelt, over onderzoekssamenwerkingen met landen waarin er oorlog is of waar academische waarden en mensenrechten onder druk staan, zoals Rusland en Israël. In april heeft de Spaanse premier Pedro Sánchez bijvoorbeeld opgeroepen om de associatieovereenkomst met Israël op te schorten, waardoor het land niet meer mee zou kunnen doen met Horizon Europe. En vorige zomer raadde de Europese Commissie aan om Israëls deelname aan de European Innovation Council Accelerator te blokkeren. Tegelijk doet de Commissie moeite om Palestijnse, Oekraïense en andere bedreigde onderzoekers beter te betrekken bij Europees onderzoek.
We zien dat open en veilige samenwerkingen tussen landen niet meer vanzelfsprekend zijn, en dat er veel onduidelijkheid is over hoe hier mee om te gaan – zeker in een geopolitiek onzekere tijd. Wie moet de keuze maken om wel of niet samen te werken: onderzoekers, instellingen of de overheid? Hoe zorgen we ervoor dat een institutioneel boycot niet leidt tot discriminatie van bepaalde onderzoekers? En in welke gevallen moeten we samenwerkingen juist aanmoedigen, omdat ze vanuit strategisch oogpunt slim zijn?
Spelen deze discussies ook in Nederland?
Jazeker, er wordt volop gepraat en gediscussieerd over hoe ons wetenschapssysteem wordt geraakt door geopolitieke ontwikkelingen, en hoe we daarop zouden moeten reageren. Denk aan het levendige debat over de militarisering van universiteiten en hogescholen. Hoe goed kunnen zij hun onafhankelijke taak nog vervullen als ze steeds nauwer worden verwerven met defensie? En ook Nederlandse kennisinstellingen worstelen met vragen over met wie wel en niet zou moeten worden samengewerkt en wie daarover gaat.
“Door verschillende perspectieven op wetenschap te herkennen en te benoemen, verhelder je het gesprek.”
Hoe kan jullie nieuwe rapport mensen die zich hiermee bezig houden, of die erdoor worden geraakt, helpen?
In de verkenning presenteren we acht perspectieven van waaruit beleidsmakers en -uitvoerders naar de relatie tussen geopolitiek en wetenschap kijken, bijvoorbeeld via het perspectief van concurrentievermogen, van nationale veiligheid of van academische vrijheid. Al deze perspectieven zijn logisch en verdedigbaar, maar ze hebben wel uiteenlopende en soms conflicterende implicaties voor hoe we de wetenschap financieren, aansturen en beoordelen; en eigenlijk ook waartoe de wetenschap dient. De dilemma’s die daaruit voortkomen moeten besproken worden. Door deze perspectieven te herkennen en benoemen, maak je dingen die vaak impliciet zijn, zoals waarden of belangen, expliciet. Dat helpt en verheldert het gesprek. En het wordt duidelijk of bepaalde perspectieven ondergesneeuwd zijn, of juist oververtegenwoordigd.
Als we dat toepassen op FP10, zien we bijvoorbeeld dat er waarschijnlijk een veel sterkere nadruk komt te liggen op Europese veiligheid en concurrentievermogen, en dat er wellicht minder aandacht is voor maatschappelijke opgaven, terwijl de vorige twee kaderprogramma’s hier juist het accent op hadden gelegd. Dat kan een politieke keuze zijn, maar de perspectieven laten zien dat dit ten koste gaat van andere waarden.
En dan? Hoe moeten we die verschillende perspectieven wegen?
Dat is niet makkelijk. En die weging, dat is aan de instellingen, aan de academische gemeenschap en de politiek. Wat we met ons werk proberen te doen is dat democratische proces te ondersteunen, door een weegschaal aan te bieden en te laten zien wat daarop ligt: de verschillende perspectieven en daarbij horende normen, waarden en oplossingen.
Hoe gaan jullie verder met dit onderwerp?
We zijn nu bezig met een vervolgproject. We zien dat de toegenomen focus op de (on)veiligheid in samenwerkingen leidt tot het bevragen en inperken van bepaalde kenmerken van de wetenschap, zoals onbeperkte openheid, vrije uitwisseling van informatie, zelfgeorganiseerde internationale samenwerking. Wat is er nodig om in die context het goede gesprek te voeren en keuzes te maken over onderzoekssamenwerkingen?