De digitale overheid in kaart?
Zowel in Nederland als daarbuiten digitaliseren overheden steeds meer. De afgelopen jaren is een aantal internationale ranglijsten ontwikkeld om die ontwikkeling te monitoren. De positie van Nederland op deze ranglijsten loopt uiteen. Ook is deze positie niet altijd goed te rijmen met bijvoorbeeld de problemen rondom de afhandelingen van de kinderopvangtoeslag. In deze factsheet gaan we daarom dieper in op de vraag wat deze internationale ranglijsten precies meten en wat zij wel en niet laten zien over de digitalisering van de Nederlandse overheid.
In het kort
- Gemiddeld genomen heeft Nederland een goed basisniveau op de technische voorwaarden en digitale vaardigheden voor een digitale overheid.
- Vergeleken met andere landen betrekt de Nederlandse overheid haar burgers weinig bij de ontwikkeling van digitale publieke dienstverlening.
- De beschikbare internationale ranglijsten geven beperkt zicht op de veiligheid, transparantie, inhoudelijke kwaliteit en de uitvoering van digitale dienstverlening. Ook laten zij nauwelijks zien wat digitalisering in de praktijk betekent voor burgers.
Digitalisering voor een toekomstbestendige overheid?
Voor de burger is ‘de digitale overheid’ vooral zichtbaar als digitale publieke dienstverlener. De belastingopgave indienen, subsidie aanvragen of je rijbewijs verlengen: het kan in veel gevallen online. Maar digitalisering gaat ook over hoe overheidsorganisaties onderling gegevens uitwisselen, besluiten nemen en met burgers en ondernemers communiceren. In beleidsdocumenten wordt al jaren benadrukt dat digitalisering dienstverlening en werkprocessen bij de overheid kan verbeteren (Nederlandse Digitaliseringsstrategie, 2025, Rijksoverheid 2021; 2020; Europese Commissie, 2016).
Hoewel digitalisering grote kansen biedt, laat de praktijk zien dat zij ook kwetsbaarheden blootlegt. In Nederland doen deze zich voor binnen een breder kader van uitvoeringsproblemen. Meerdere rapporten wijzen erop dat wet- en regelgeving zo complex is geworden dat correcte uitvoering onder druk staat. Digitalisering speelt bij deze problematiek een belangrijke rol (Dwars door de orde, 2025; Stuurgroep Staat van de uitvoering, 2023; Kafkabrigade 2022).
Zo ontbreekt vaak een integraal overzicht van digitale gegevensstromen binnen en tussen overheidsorganisaties. Wanneer een burger een wijziging doorgeeft bij bijvoorbeeld een gemeente, is niet altijd duidelijk welke gevolgen dat heeft bij andere organisaties. Ook bij geautomatiseerde signalering van mogelijk misbruik is de doorwerking van zulke signalen niet altijd transparant. Omdat veel besluitvorming inmiddels (deels) geautomatiseerd plaatsvindt, worden fouten pas zichtbaar wanneer de burgers de gevolgen ondervinden. De afhandeling van de kinderopvangtoeslagaffaire en de problemen rond geautomatiseerde besluitvorming bij DUO (de uitvoeringsorganisatie voor studiefinanciering en onderwijsregelingen) illustreren hoe moeilijk het kan zijn om onbedoelde effecten tijdig te corrigeren. Geautomatiseerde systemen functioneren in veel gevallen naar behoren, maar wanneer het fout gaat, lukt het de overheid niet goed om de consequenties daarvan te repareren (Stuurgroep Staat van de uitvoering, 2023). Daarnaast is het digitale landschap van de overheid zelf erg complex geworden. Er bestaan duizenden websites en applicaties van rijksoverheid, gemeenten, provincies en waterschappen. Als deze digitale kanalen niet toegankelijk genoeg zijn, kunnen burgers moeite hebben om informatie te vinden, aanvragen te doen of bezwaar te maken. Dat vergroot het risico dat juist kwetsbare groepen, waaronder circa 2,5 miljoen laaggeletterde burgers in Nederland, minder goed toegang hebben tot publieke dienstverlening. Daarnaast kampt een deel van de overheid met verouderde IT-systemen (Stuurgroep Staat van de uitvoering 2023; Stokmans en Vermeulen, 2023). Dit kan de aansluiting van nieuwe IT-toepassingen en van de systemen onderling bemoeilijken.
Deze uitvoeringsvraagstukken raken niet alleen de kwaliteit van dienstverlening, maar ook de bredere robuustheid van de digitale overheid. Complexe en deels verouderde systemen vergroten de kwetsbaarheid van publieke dienstverlening voor fouten, verstoringen en beveiligingsrisico’s. Succesvolle digitalisering draait daarom niet alleen om méér digitalisering, maar ook om hoe die digitalisering wordt ingericht. Zijn systemen transparant? Kunnen fouten tijdig worden hersteld? Sluiten diensten aan bij uiteenlopende levenssituaties? En hoe robuust, veilig en toekomstbestendig is de digitale basis waarop deze diensten rusten?
Tegen deze achtergrond bespreken we in deze factsheet vier internationale indexen die digitalisering van de overheid in kaart brengen. Deze indexen meten vooral in hoeverre de basisvoorwaarden voor digitalisering aanwezig zijn, zoals infrastructuur, digitale vaardigheden en online dienstverlening. We analyseren de positie van Nederland in internationaal perspectief en onderzoeken in hoeverre deze indexen zicht geven op uitvoeringskwaliteit, gebruikersimpact en weerbaarheid.
Het meten van digitalisering bij de overheid
De internationale indexen die we in deze factsheet bespreken, brengen verschillende basisvoorwaarden voor digitale overheidsdienstverlening in kaart. Deze basisvoorwaarden worden in internationale vergelijking vaak samengevat onder de noemer digitale gereedheid en richten zich met name op drie aspecten:
- Het maatschappelijk absorptievermogen: in hoeverre beschikken burgers en bedrijven over digitale vaardigheden, toegang tot internet en middelen om gebruik te maken van digitale overheidsdiensten?
- Het gebruik van digitale middelen door de overheid: zijn overheidsdiensten digitaal beschikbaar en maakt de overheid gebruik van data en digitale technologie om beleid en dienstverlening te verbeteren?
- De gebruikersgerichtheid van digitale diensten: zijn digitale processen toegankelijk, transparant en afgestemd op de behoeften van gebruikers?
Onderstaande tabel (uitklapbaar) geeft een overzicht van de indexen die we gebruiken in deze factsheet en de aspecten die zij meten.
De eerste drie indexen richten zich vooral op de digitalisering van publieke dienstverlening. De Digital Government Index (OESO, 2025) kijkt daarnaast ook naar bredere governance-aspecten, zoals de ontwikkeling van een datagedreven overheid. Wat de indexen gemeen hebben, is dat zij voornamelijk de aanwezigheid van randvoorwaarden meten: zijn online diensten beschikbaar, zijn digitale vaardigheden aanwezig en bestaan er beleidskaders en standaarden? Zij geven daarmee inzicht in de mate waarin een land digitaal is toegerust.
Wat zij doorgaans niet beoordelen, is hoe digitale systemen in de praktijk functioneren: de kwaliteit van digitale middelen, de uitvoering van geautomatiseerde besluitvorming, het herstelvermogen bij fouten of de concrete gevolgen voor burgers. In het vervolg van deze factsheet analyseren we daarom wat deze indexen ons wél en niet vertellen over de digitalisering van de Nederlandse overheid.
Het Digital Decade programma: van meten naar sturen?
Tot en met 2022 werd de digitale ontwikkeling van EU-lidstaten gemeten via de Digital Economy & Society Index (DESI). Deze index bracht jaarlijks in kaart hoe landen scoorden op digitale vaardigheden, infrastructuur, digitalisering van bedrijven en digitale overheidsdiensten. DESI had vooral een vergelijkend karakter: het liet zien hoe landen het deden ten opzichte van elkaar. In de toelichting op Verordening (EU) 2022/2481 stelt de Europese Commissie dat sturing nodig is om de digitale ontwikkeling binnen de EU te versnellen.
Sinds 2023 is DESI geïntegreerd in het Digital Decade Policy Programme 2030. Dit programma werkt met gezamenlijke Europese doelstellingen voor 2030 op dezelfde vier terreinen: digitale vaardigheden, digitale infrastructuur digitalisering van bedrijven en digitalisering van overheidsdiensten. Lidstaten stellen nationale plannen op en rapporteren periodiek over hun voortgang (Europese Commissie, 2022). De verandering zit daarmee vooral in de manier waarop voortgang wordt gevolgd en besproken: niet langer alleen via indexen, maar binnen een breder Europees kader met gezamenlijke doelen. De onderliggende indicatoren bouwen grotendeels voort op de eerdere DESI-metingen. Een totaalscore voor het programma als geheel is echter niet beschikbaar, de voortgang wordt per doelstelling gemeten.
Hoewel het beleidskader is uitgebreid, richten de indicatoren zich nog steeds vooral op de aanwezigheid van digitale basisvoorwaarden. In de volgende paragraaf zoomen we in op de Nederlandse scores en bespreken we wat deze cijfers ons laten zien en wat zij niet zichtbaar maken.
Nederland op veel indicatoren van Digital Decade boven EU-gemiddelde, maar nog niet alle doelen bereikt.
De meest recente metingen uit 2024 laten zien dat Nederland op verschillende indicatoren goed scoort in de aanloop naar de doelstellingen van de Digitale Decade voor 2030 (zie tabel 2). In de onderstaande tabel zijn de kernindicatoren (KPI’s) opgenomen waarmee de voortgang richting de Europese doelstellingen voor 2030 wordt gemeten, inclusief een indicatie van de afstand tot deze doelen en de EU-gemiddelden. Het volledige dashboard bevat daarnaast een bredere set van 31 indicatoren.
Op enkele terreinen zijn de doelen al bereikt. Zo ligt het aandeel van de bevolking met digitale basisvaardigheden in Nederland op 83%, waarmee het EU-streefpercentage van 80% al is overtroffen. Ook de doelstelling voor 5G-dekking is behaald (Nederland 100%, EU-doelstelling 100%). Daarnaast is het doel voor het aandeel bedrijven dat cloudcomputing, data-analyse of kunstmatige intelligentie toepast eveneens al gerealiseerd (Nederland: 75%, EU-doelstelling: 75%). Op meerdere indicatoren ligt Nederland dicht bij de Europese doelstellingen. Zo heeft vrijwel ieder huishouden toegang tot zeer snel breedbandinternet (VHCN) en nadert ook het gebruik van digitale technologieën door mkb-bedrijven de gestelde doelen. Ook een groot deel van de kernoverheidsdiensten is online beschikbaar voor burgers en bedrijven. Tegelijkertijd zijn er indicatoren waarop Nederland nog duidelijk achterblijft ten opzichte van de Europese doelstellingen. Zo blijft het aandeel ICT-specialisten achter bij het streefpercentage en geldt hetzelfde voor de digitale toegang tot medische dossiers. Deze indicatoren laten zien dat verdere ontwikkeling nodig is om de doelstelling voor 2030 te behalen. De vergelijking met EU-gemiddelden laat zien dat Nederland op alle indicatoren bovengemiddelde scoort behalve op de indicator digitale toegang tot medische dossiers.
De indicatoren edge nodes (knooppunt aan de rand van een netwerk waar gegevensverwerking dichter bij de gebruiker plaatsvindt, bijvoorbeeld bij toepassingen zoals slimme verkeerslichten) en unicorns (niet-beursgenoteerde start-ups met een waardering van minimaal 1 miljard dollar)worden weergegeven als absolute aantallen. De bijbehorende doelstellingen hebben betrekking op het totaal voor de EU-als geheel (minimaal 10.000 edge nodes en 500 unicorns) en niet op afzonderlijke lidstaten. Daardoor kunnen deze indicatoren niet op dezelfde manier worden afgezet tegen nationale doelstellingen of EU-gemiddelden als de overige indicatoren in tabel 2.
Hoewel niet alle doelen zijn behaald, laten de cijfers zien dat Nederland op veel indicatoren relatief sterk presteert. Ook binnen de Europese context scoort Nederland relatief goed. Op vrijwel alle afzonderlijke indicatoren behoort Nederland tot de top-10 van de EU-lidstaten. Uitzonderingen zijn de indicatoren digitale overheidsdiensten voor bedrijven (13de plaats) en terugkerend op de indicator digitale toegang tot het medische dossier (26ste plaats). De metingen geven echter vooral inzicht in de beschikbaarheid van digitale infrastructuur, vaardigheden en online dienstverlening. Zij bieden minder zicht op hoe digitale systemen binnen de overheid in de praktijk functioneert of hoe burgers de digitale dienstverlening ervaren.
Digitale randvoorwaarden lijken op orde, maar uitvoering en gebruikerservaringen beperkt gemeten
De indicatoren binnen het Digital Decade programma laten zien dat Nederland goed scoort op digitale basisvoorwaarden. Ze zeggen echter weinig over hoe digitale systemen binnen de overheid functioneren of hoe de digitale dienstverlening in de praktijk wordt ervaren, omdat de indicatoren zich vooral richten op beschikbaarheid, toegang en gebruik.
Nationale uitvoerings- en toezichtrapporten bieden aanvullende inzichten op deze punten. Zo wijst Staat van de uitvoering (2023) op de samenhang tussen complexe regelgeving, organisatorische verkokering en verouderde IT-systemen, die de wendbaarheid van uitvoeringsorganisaties kunnen beperken. De Algemene Rekenkamer (2024) signaleert structurele aandachtspunten rond ICT-beheersing, informatiebeveiliging en de modernisering van rijksbrede systemen. Deze bevindingen staan los van de Digitale Decade-metingen, maar raken aan aspecten van digitalisering die buiten de huidige indicatoren vallen. Ook de positie van de gebruiker wordt slechts gedeeltelijk zichtbaar in de Digital Decade-indicatoren. Digitale basisvaardigheden meten elementaire competenties, maar niet hoe begrijpelijk digitale processen zijn ingericht, hoe eenvoudig fouten kunnen worden gecorrigeerd of in hoeverre burgers vertrouwen hebben in digitale besluitvorming. De Nationale Ombudsman (2024) signaleert knelpunten in digitale toegankelijkheid en herstelmogelijkheden voor burgers. De Autoriteit Persoonsgegevens (2023) benadrukt het belang van transparantie en zorgvuldige gegevensverwerking bij geautomatiseerde processen. Daarnaast blijkt uit de Eurobarometer (2024) dat vertrouwen in de bescherming van digitale rechten en privacy onder Nederlandse burgers geen vanzelfsprekendheid is.
Binnen het Digital Decade programma worden thema’s als digitale rechten, inclusie en veiligheid belicht, maar in de kernindicatoren worden ze niet expliciet gemeten. Daardoor maken internationale vergelijkingen vooral digitale basisvoorwaarden zichtbaar en blijven uitvoeringskwaliteit, gebruikerservaringen en weerbaarheid grotendeels buiten beeld. Dat betekent dat het meetkader van de Digital Decade 2030 vooral geschikt is om digitale capaciteit en beschikbaarheid te volgen, maar minder om publieke waarden en risico’s van digitalisering te monitoren.
De E-Government Development Index (EGDI)
De EGDI van de VN brengt sinds 2003 de digitale toegankelijkheid van overheidsdiensten en –informatie in kaart voor alle 193 VN-lidstaten De index biedt daarmee een wereldwijd vergelijkend beeld van de ontwikkeling van digitale overheden.
De opzet van de EGDI is in de editie van 2024 gelijk gebleven aan eerdere edities. De index bestaat nog uit steeds drie hoofdcomponenten. Wel zijn sinds 2022 binnen deze componenten inhoudelijke aanpassingen doorgevoerd om beter aan te sluiten bij technologische, beleidsmatige en maatschappelijke ontwikkelingen (VN, 2024):
- Telecommuncation Infrastructure Index (TII): de TII meet de toegang van inwoners tot digitale infrastructuur, zoals internet en mobiele verbinding. In de editie van 2024 is binnen deze component een indicator gewijzigd: het aantal vaste breedbandabonnementen is vervangen door een indicator voor betaalbaarheid van internettoegang. Daarmee verschuift de nadruk van louter beschikbaarheid naar toegankelijke en inclusieve connectiviteit.
- Human Capital Index (HCI): meet het opleidingsniveau van de bevolking en de vaardigheden die nodig zijn om gebruik te maken van digitale overheidsdiensten. In 2024 is deze component uitgebreid met een nieuwe subindicator voor geletterdheid voor digitale overheidsdiensten, die expliciet kijkt naar het vermogen van burgers om digitale overheidsdiensten te begrijpen en te gebruiken.
- Online Service Index (OSI): meet in hoeverre digitale overheidsdiensten en -informatie beschikbaar zijn, aansluiten bij de behoeftes van gebruikers en voor hen toegankelijk zijn en welke middelen voor e-participatie er zijn. In de editie van 2024 zijn de onderliggende beoordelingscriteria geactualiseerd: nieuwe functionaliteiten zijn toegevoegd en verouderde elementen verwijderd. Hierdoor is het aantal beoordelingsvragen uitgebreid, terwijl de onderliggende structuur van de index gelijk is gebleven.
Met deze aanpassingen biedt de EGDI 2024 een actueler en breder beeld van de digitale overheid. Tegelijkertijd betekent dit ook dat verschillen met eerdere versies mede het gevolg kunnen zijn van methodologische herijkingen.
Nederland nog in top-15 in 2024, veel nieuwkomers in de top-15
In de onderstaande figuur is te zien dat Nederland in 2024 de tiende plaats inneemt op de totaalscore van de EGDI. Daarmee is Nederland één plek gedaald ten opzichte van 2022. Denemarken behoudt de koppositie terwijl Estland en Singapore zijn gestegen. Zij verdringen daarmee Zuid-Korea (nu 4de) en Finland (nu 6de) uit de top-3. Ook de samenstelling van de top-15 is veranderd. Saudi-Arabië stijgt spectaculair van plaats 31 naar 6. Duitsland stijgt van plaats 22 naar 12 en Noorwegen van 17 naar 15. Deze landen behoren in 2024 tot de kopgroep, terwijl zij nog in 2022 nog buiten de top-15 vielen.
De verschillen tussen de landen in de top-15 zijn relatief klein. Daardoor kunnen beperkte veranderingen in scores leiden tot duidelijke verschuivingen in de ranglijst. Dat is ook zichtbaar in de afzonderlijke componenten van de EGDI. Nederland is in de Human Capital Index (HCI) flink gestegen: van plaats 10 naar 4. Op de Telecommuncation Infrastructure Index (TII) is Nederland juist gedaald van plaats 12 naar 21. Ook op de Online Service Index (OSI) is de positie van Nederland gedaald van plaats 10 naar 15.
De stijging op de HCI is deels te verklaren doordat in de editie van 2024 voor het eerst digitale vaardigheden voor overheidsdiensten zijn meegenomen in de berekening. Nederland scoort sterk op dit vlak. Dar biedt een plausibele verklaring voor de stijging op deze index. De daling op de TII is lastiger te verklaren. De totaalscore voor Nederland is niet verslechterd, maar de positie in de ranglijst is wel gedaald. Dit hangt samen met sterke vooruitgang in andere landen. In de editie van 2024 staan bovendien relatief veel kleinere en welvarende staten uit het Midden-Oosten hoog in de TII-ranglijst. Ook op de OSI is de positie van Nederland gedaald, maar het land blijft binnen de top-15. De score zelf is niet verslechterd ten opzichte van 2022.
Opvallend is dat juist de landen die nieuw zijn in de top-15 van de EGDI sterke stijgingen laten zien op de OSI. Duitsland springt eruit met een stijging van positie 44 naar 12. Saudi-Arabië (van 32 naar 4) en Noorwegen (van 39 naar 18) maken eveneens grote sprongen op deze index. Kijken we naar de andere afzonderlijke componenten, dan zien we ook voor alle drie de landen een stijging op de TII: Saudi-Arabië van plaats 58 naar 14, Noorwegen van plaats 37 naar 24 en Duitsland van plaats 59 naar 40. Alleen op de HCI is het beeld voor deze nieuwkomers wat dynamischer. Zo is alleen Duitsland gestegen van plaats 53 naar 5. Noorwegen (van plaats 7 naar 16) en Saudi-Arabië (van plaats 17 naar 19) zijn beiden iets gezakt.
| Land | Online Service Index | Human Capital Index | Telecommunication Infrastructure Index |
| DEN | 0,33308 | 0,31947 | 0,332206667 |
| EST | 0,331783333 | 0,316573333 | 0,324363333 |
| SIN | 0,327686667 | 0,31205 | 0,329353333 |
| KOR | 0,333333333 | 0,303993333 | 0,330566667 |
| IJS | 0,302516667 | 0,33177 | 0,332763333 |
| SAR | 0,329983333 | 0,30222 | 0,328036667 |
| VK | 0,31783 | 0,314993333 | 0,32489 |
| AUS | 0,307396667 | 0,333333333 | 0,316973333 |
| FIN | 0,303243333 | 0,327863333 | 0,326363333 |
| NED | 0,30706 | 0,322936667 | 0,323836667 |
| VAE | 0,305423333 | 0,314516667 | 0,333333333 |
| DUI | 0,307946667 | 0,322413333 | 0,307863333 |
| JAP | 0,314246667 | 0,3039 | 0,31697 |
| ZWE | 0,294536667 | 0,30915 | 0,32893 |
| NOO | 0,303906667 | 0,305826667 | 0,321796667 |
| VN-gemiddelde | 0,6382 |
Beschikbaarheid en gebruikersgerichtheid
De E-participatie index van de VN (net als de Digital Government Index van de OESO) brengt niet alleen in kaart of overheidsdiensten digitaal beschikbaar zijn, maar kijkt ook naar de mate waarin deze diensten gebruikersgericht zijn ingericht. Daarbij gaat het niet alleen om digitale dienstverlening, maar ook om de manier waarop digitalisering wordt ingezet om burgers te betrekken bij beleidsvorming.
Gebruikersgerichtheid zoals gemeten in deze indexen kent verschillende onderdelen. Ten eerste kijken de indexen naar de gebruikersgerichtheid van de diensten en digitale platformen zelf: zijn deze toegankelijk en gebruikersvriendelijk ingericht? Ten tweede kijken de indexen naar de gebruikersgerichtheid tijdens de ontwikkeling van de diensten en platformen. Onderdelen die hierbij aan bod komen, zijn het gebruik van feedback voor verbetering van de dienst, transparantie over het dienstverleningsproces en transparantie over de gebruikte data en algoritmen.
E-participatie index aangescherpt, maar blijvende beperkingen
De E-participatie index (EPI) van de VN heeft als doel om de digitale betrokkenheid van burgers bij beleidsvorming van lidstaten in beeld brengen. Tot en met 2022 bestond de index uit drie componenten:
- e-informatie: informatievoorziening over overheidsbeleid;
- e-consultatie: feedback ontvangen van burgers bij ontwerpen overheidsbeleid;
- e-besluitvorming: digitale vormen van gezamenlijke beleidsontwikkeling met burgers.
De beschikbaar gestelde databestanden van de VN bevatten alleen de totaalscore op de EPI. Deze totaalscore fungeert als samenvattende maat voor digitale burgerparticipatie, zonder uitsplitsing naar afzonderlijke componenten.
In de editie van 2024 is de EPI inhoudelijk aangescherpt. De structuur van de index is gelijk gebleven, maar de onderliggende beoordelingscriteria zijn geactualiseerd om beter aan te sluiten bij recente technologische en beleidsmatige ontwikkelingen. De index kijkt sindsdien niet alleen naar de aanwezigheid van digitale participatiekanalen, maar ook nadrukkelijker naar kenmerken die iets zeggen over de kwaliteit, reikwijdte en daadwerkelijk gebruik van deze kanalen. Zo is er meer aandacht gekomen voor:
- Open data (e-informatie): de mate waarin overheden datasets over beleid, uitgaven en processen openbaar maken;
- Digitale inclusie (e-consultatie): toegankelijkheid van participatiemiddelen voor alle bevolkingsgroepen, inclusief kwetsbare burgers;
- Participatieve begrotingsprocessen (e-besluitvorming): de mogelijkheid voor burgers om via digitale platforms mee te beslissen over de besteding van overheidsmiddelen;
- Kunstmatige intelligentie (e-besluitvorming): de inzet van AI om burgerfeedback te analyseren en besluitvorming te ondersteunen, bijvoorbeeld via geautomatiseerde analyse van input of gepersonaliseerde interactie. De wijze waarop dergelijke analyses plaatsvinden en welke aannames daarin worden gemaakt, maakt echter geen onderdeel uit van de beoordeling binnen de index.
Hoewel deze vernieuwingen zorgen voor een breder en actueler beeld van digitale participatie, blijft de EPI ook in 2024 voornamelijk gericht op de aanbodzijde. De index meet of participatiemogelijkheden bestaan en hoe deze zijn ingericht, maar niet in welke mate burgers deze mogelijkheden daadwerkelijk gebruiken of invloed uitoefenen op beleidsuitkomsten. Feitelijke burgerparticipatie in e-consultatie en e-besluitvorming wordt daarmee nog steeds niet direct gemeten.
Verschuivingen in de E-Participatie Index 2024, Nederland zakt uit de top-5 naar de 13e plaats.
Waar Nederland in de EPI 2022 nog tot de wereldwijde top-5 behoorde, is ons land in de meest recente editie van 2024 gezakt naar de 13de plaats. Daarmee is Nederland sinds 2022 acht plaatsen gezakt. De top van de index wordt in 2024 aangevoerd door Oekraïne, gevolgd door Japan en Denemarken. Ter vergelijking: in 2022 bestond de top-3 nog uit Japan, Australië en Singapore.
Opvallend aan de EPI 2024 is de komst van een aantal landen die in eerdere edities aanzienlijk lager scoorden. Oekraïne stijgt heel spectaculair van positie 57 naar 1, Duitsland van 36 naar 6, Saudi-Arabië van 43 naar 8, IJsland van 17 naar 9 en Ierland van 49 naar 15. Deze stijgingen wijzen op een snelle versterking van digitale participatievoorzieningen en institutionele randvoorwaarden voor burgerbetrokkenheid.
Tegelijkertijd verdwijnen meerdere landen die in 2022 nog in de top-15 behoorden. Zo dalen onder andere: Australië van plaats 2 naar 26, Finland van plaats 8 naar 20, Brazilië van plaats 11 naar 25, Canada van plaats 14 naar 17 en Servië van plaats 15 naar 19. Australië laat daarbij ook in absolute zin een duidelijke daling in score zien. Voor andere landen is de scoreverandering beperkter, maar voldoende om relatief te verliezen ten opzichte van snel stijgende landen. Deze verschuivingen benadrukken dat het internationale e-participatielandschap dynamisch is. Wijzigingen in de positie kunnen het gevolg zijn van nationale digitale hervormingen, maar moeten ook worden geïnterpreteerd in het licht van relatieve prestaties en methodologische doorontwikkeling van de index. De EPI is bovendien primair gebaseerd op een beoordeling van beschikbaarheid en inrichting van digitale participatiemogelijkheden. Een stijging of daling in de index betekent dus niet automatisch dat het beleid zelf is verbeterd of verslechterd, maar kan ook het gevolg zijn van ontwikkelingen in andere landen of van wijzigingen in het meetkader.
| Land | E-Participation Index 2024 |
| OEK | 1 |
| JAP | 0,9863 |
| DEN | 0,9863 |
| VK | 0,9726 |
| KOR | 0,9726 |
| DUI | 0,9726 |
| SIN | 0,9589 |
| SAR | 0,9589 |
| IJS | 0,9589 |
| EST | 0,9589 |
| VS | 0,9452 |
| NZE | 0,9315 |
| NED | 0,9315 |
| CHI | 0,9315 |
| IER | 0,9178 |
| VN-gemiddelde | 0,4893 |
Digital Government Index OESO
In tegenstelling tot de eerdere indexen, die vooral de mate van digitalisering van de publieke dienstverlening meten, richt de Digital Government Index (DGI) zich op de vraag in hoeverre overheden de voorwaarden hebben ingericht voor een digitale overheid. Daarbij wordt onder meer gekeken of overheden beleid, strategieën en richtlijnen hebben voor het gebruik van digitale technologie en data, bijvoorbeeld om burgers en bedrijven beter te betrekken bij beleidsvorming en digitale publieke dienstverlening. De index richt zich daarmee vooral op de beleidsmatige en organisatorische randvoorwaarden voor digitale overheid, en minder op de feitelijke werking van digitale dienstverlening.
De index bestaat uit zes samengestelde dimensies. Vier daarvan vormen de bouwstenen van een digitale overheid, terwijl de andere twee inzicht geven in hoe effectief deze bouwstenen worden ingezet om beleid en diensten te ontwikkelen die aansluiten bij de behoefte van gebruikers. In de onderstaande tabel staat welke dimensies dit zijn en wat ze meten. De DGI richt zich op de nationale en/of federale overheidsinstanties van 33 landen, waarvan het merendeel lid is van de OESO. Het digitaliseringsbeleid van decentrale overheden, zoals provincies en gemeenten wordt hierbij niet gemeten.
Vergelijkbaarheid tussen edities
In de 2019-editie van de DGI presteerde Nederland gemiddeld op de vier bouwstenen van digitale overheid. Op de dimensies die gebruikersgerichtheid meten, waaronder gebruikersgedrevenheid en pro-activiteit, bleef Nederland duidelijk achter. In de nieuwste editie van 2023 zijn de dimensies opnieuw gemeten, maar zijn zowel de methodologie als de onderliggende indicatoren herzien. Zo is de vragenlijst uitgebreid met nieuwe vragen. Hierdoor kunnen verschillende scores en posities deels het gevolg zijn va deze methodologische wijzigingen en niet uitsluitend van daadwerkelijke beleidsveranderingen. Vergelijking tussen de jaren dienen daarom met de nodige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd.
Waar staat Nederland in het internationale speelveld?
Nederland bezet met een samengestelde score van 0,56 de 24ste plaats op de DGI-ranglijst van de 33 OESO-landen (zie figuur 2.1). De index loopt van 0 tot 1, waarbij 1 de hoogste score is. Daarmee blijft Nederland onder het OESO-gemiddelde van 0,60. Deze score suggereert dat Nederland, in vergelijking met andere lidstaten, minder ver is in het ontwikkelen en toepassen van digitaal overheidsbeleid en -dienstverlening. Landen als Zuid-Korea (0,93), Denemarken (0,81) en het Verenigd Koninkrijk (0,78) lopen hierin duidelijk voorop.
| Bouwstenen | Gebruikersgerichtheid | |
| KOR | 0,628 | 0,308 |
| DEN | 0,56 | 0,25 |
| VK | 0,479 | 0,296 |
| NOO | 0,502 | 0,267 |
| AUS | 0,492 | 0,262 |
| EST | 0,494 | 0,247 |
| COL | 0,499 | 0,237 |
| IER | 0,483 | 0,231 |
| FRA | 0,472 | 0,192 |
| CAN | 0,439 | 0,216 |
| POR | 0,402 | 0,238 |
| FIN | 0,417 | 0,221 |
| IJS | 0,406 | 0,23 |
| BRA | 0,403 | 0,217 |
| LIT | 0,424 | 0,182 |
| ... | ||
| OESO-gemiddelde | 0,604 | |
| Nederland (24ste) | 0,382 | 0,18 |
Bouwstenen
Op bouwstenen (figuur 2.2) voor digitale overheid scoort Nederland (0,38) min of meer gelijk aan het OESO-gemiddelde (0,40). Overigens ligt het OESO-gemiddelde op 0,40, wat laat zien dat er in veel deelnemende landen nog wat valt te winnen (zie onderstaande figuur).
Nederland staat 23ste op het totaal van deze vier bouwstenen. Dat is een duidelijke daling ten opzichte van 2019, toen Nederland nog op plek 16 stond. Ook op de afzonderlijke dimensies voor de bouwstenen is Nederland gedaald, met uitzondering van Standaard open overheidssystemen waar Nederland een hogere positie bezette dan in de vorige editie: 16de in DGI 2023 en 19ste in DGI 2019. Voor de andere dimensies zijn de dalende positieverschuivingen na methodologische wijzigingen als volgt:
- Standaard digitaal toegankelijk: plaats 16 in (2023) - plaats 9(2019);
- Overheid als platform: plaats 23 (2023) – plaats 17 (2019);
- Datagedreven publieke sector: plaats 27 (2023) – plaats 18 (2019).
De positie op de laatstgenoemde indicator is de laagste positie van Nederland op alle indicatoren binnen de DGI 2023. De top-3 landen op deze indicatoren verschillen, maar wel valt op dat Zuid-Korea de koppositie heeft op al deze indicatoren.
| Digital by design | Data-driven public sector | Government as a platform | Open by default | |
| KOR | 0,162 | 0,167 | 0,152 | 0,147 |
| DEN | 0,142 | 0,139 | 0,149 | 0,13 |
| NOO | 0,126 | 0,142 | 0,136 | 0,098 |
| COL | 0,136 | 0,132 | 0,109 | 0,122 |
| EST | 0,115 | 0,158 | 0,117 | 0,104 |
| AUS | 0,162 | 0,129 | 0,123 | 0,078 |
| IER | 0,141 | 0,144 | 0,105 | 0,093 |
| VK | 0,152 | 0,1 | 0,116 | 0,111 |
| FRA | 0,113 | 0,136 | 0,096 | 0,127 |
| LET | 0,114 | 0,109 | 0,113 | 0,105 |
| CAN | 0,138 | 0,107 | 0,073 | 0,121 |
| TSJ | 0,102 | 0,113 | 0,105 | 0,107 |
| LIT | 0,098 | 0,125 | 0,108 | 0,093 |
| FIN | 0,12 | 0,113 | 0,113 | 0,071 |
| SPA | 0,116 | 0,088 | 0,103 | 0,108 |
| ... | ||||
| OESO-gemiddelde | 0,409 | |||
| NED (23ste) | 0,113 | 0,085 | 0,097 | 0,087 |
Gebruikersgerichtheid: beperkte scoreverschillen, duidelijke positie verschuiving
Ook op de dimensies die gebruikersgerichtheid (figuur 2.3) meten, zien we ontwikkelingen ten opzichte van 2019. Nederland heeft in de DGI 2023 een hogere score ten opzichte van 2019, maar scoort ook in deze editie onder het OESO-gemiddelde. De vergelijking tussen 2023 en 2019 wordt bemoeilijkt door methodologische wijzigingen, waaronder uitbreiding van de vragenlijst en een sterkere nadruk op de structurele verankering van gebruikersbetrokkenheid in beleid en organisatie
Gebruikersgedreven/Userdriven (0,07) Nederland veel lager scoort dan het OESO-gemiddelde (0,10). Dat betekent dat de overheid minder vaak dan het OESO gemiddelde stakeholders feitelijk betrekt bij de ontwikkeling van digitale publieke dienstverlening. Hiervoor is in Nederland meer aandacht nodig, wat ook wordt onderstreept in het rapport Dwars door de Orde (2025). Daarin pleit voormalig regeringscommissaris Informatiehuishouding Arre Zuurmond voor een actief publiek domein waarin burgers de ruimte krijgen om zelf met alternatieven te komen voor beleidsvorming en uitvoering van digitale overheidsdiensten. Het rapport ziet het als een taak voor de overheid om het oplossend vermogen van de samenleving te faciliteren bij o.a. digitale overheidsdiensten.
Op de indicator Proactiviteit doet Nederland het wel een stuk beter dan in 2019. Met een score van 0,11 zit Nederland boven het OESO-gemiddelde (0,09). Dit betekent dat in Nederland meer aandacht bestaat voor beleidsinstrumenten en processen die proactieve digitale dienstverlening mogelijk moeten maken, dan het OESO-gemiddelde. Deze dimensie kijkt ook naar de inclusiviteit van digitale platformen. Door (digitale) inspraakruimte te organiseren voor de afnemers van (digitaal) publieke dienstverlening, kunnen overheidsinstellingen de aansluiting bij de gebruiker bevorderen.
Overheidsinstanties in bijvoorbeeld Zuid-Korea, het VK en Noorwegen hebben meer structurele aandacht voor gebruikersgerichtheid bij digitale dienstverlening. Waar de hoge score op de e-participatie index van de VN suggereert dat in Nederland veel overheidsdiensten digitaal beschikbaar zijn, laten de relatief lage scores zien dat gebruikersgerichtheid in het digitale overheidsbeleid minder sterk is verankerd.
Opvallend is dat positieverschuivingen voor Nederland niet verklaard kunnen worden door lagere scores op de DGI 2023, omdat Nederland alleen op één indicator lager scoort dan in 2019. De daling in positie lijkt dan ook vooral het gevolg van snellere vooruitgang in andere OESO-landen, in combinatie met een methodologische uitbreiding van de index. Alleen op de dimensie Standaard open overheidssystemen is de score daadwerkelijk gedaald (niet weergegeven in figuur)
| Proactiveness | User-driven | |
| KOR | 0,156 | 0,152 |
| VK | 0,142 | 0,154 |
| NOO | 0,125 | 0,142 |
| AUS | 0,123 | 0,139 |
| DEN | 0,131 | 0,119 |
| EST | 0,145 | 0,102 |
| POR | 0,103 | 0,135 |
| TUR | 0,127 | 0,111 |
| COL | 0,108 | 0,129 |
| IER | 0,117 | 0,114 |
| IJS | 0,119 | 0,111 |
| FIN | 0,11 | 0,111 |
| BRA | 0,11 | 0,107 |
| CAN | 0,091 | 0,125 |
| LUX | 0,106 | 0,089 |
| ... | ||
| OESO-gemiddelde | 0,195 | |
| NED (21ste) | 0,106 | 0,074 |
Uitkomsten voor Nederland: sterke digitale basis, maar gebruikersgerichtheid en uitvoering vragen aandacht
Internationale indexen geven een globaal beeld van de mate van digitalisering van overheden, maar zeggen weinig over hoe deze digitalisering in de praktijk uitpakt. De meeste indexen brengen vooral de basisvoorwaarden voor digitale publieke dienstverlening in kaart: wordt dienstverlening digitaal aangeboden? Hebben burgers voldoende digitale vaardigheden en toegangsmiddelen om hiervan gebruik te maken?
Nederland heeft de ambitie om digitale koploper te worden in Europa en heeft een goede basis voor het bouwen van een digitale overheid. De indexen laten zien dat de voorwaarden voor een digitale overheid en dienstverlening goed aanwezig zijn. Nederland is een behoorlijk gedigitaliseerd land binnen Europa. Veel burgers en bedrijven hebben zowel de vaardigheden als de middelen om hun zaken digitaal te regelen. Tegelijkertijd blijkt uit verschillende nationale rapporten dat de kwaliteit van uitvoering, de samenhang tussen systemen en de positie van de gebruiker minder vanzelfsprekend op orde zijn. Zo vindt een substantieel deel van de Nederlandse burgers digitale rechten en privacy belangrijk, terwijl internationale indexen zich daar slechts beperkt expliciet over uitspreken. Daarnaast laten de indexen vooral zien hoe digitaal gereed de buitenwereld is (infrastructuur, digitalisering bedrijven, basisvaardigheden), maar minder hoe de interne digitale infrastructuur van overheidsinstanties functioneert.
Het rapport Staat van de uitvoering (2023) onderstreept dat veel IT-systemen binnen de overheid verouderd zijn en dat complexiteit in wetgeving en ketensamenwerking de uitvoering onder druk zet. Ook Dwars door de Orde (2025) wijst op structurele knelpunten in digitale overheidsomgevingen en op het belang van betere aansluiting bij de leefwereld van burgers. De Algemene Rekenkamer (2024) signaleert daarnaast structurele aandachtspunten rond informatiebeveiliging, IT-beheersing en modernisering van rijksbrede systemen. Deze aspecten worden in internationale indexen slechts indirect gemeten.
Een indicator die zicht zou geven op de technische staat, moderniteit en onderlinge samenhang van IT-diensten bij de overheid ontbreekt in de huidige internationale meetkaders. Ook groepen die structureel minder goed meekomen, zoals laaggeletterden, verdwijnen in de scores. Zoals ook in de Staat van de uitvoering (2023) wordt aangeduid, blijven verschillen in digitale zelfredzaamheid daardoor grotendeels buiten beeld. Wat de indexen evenmin in kaart brengen is hoe de uitvoering van digitale dienstverlening in de praktijk uitpakt en of diensten daadwerkelijk adequaat, begrijpelijk en herstelbaar zijn ingericht. Juist dat is in Nederland een belangrijk aandachtspunt gebleken.
De gebruikersgerichtheid van de digitale overheid kan beter
De Digital Govenment Index (DGI) van de OESO is de enige index die expliciet kijkt naar governance, beleidskaders en structurele verankering van digitale ontwikkeling. De Nederlandse score van 0,56, onder het OESO gemiddelde van 0,60, wijst erop dat er nog ontwikkelpunten zijn in de structurele inbedding van digitale governance en gebruikersgerichtheid. Met name op dimensies rond gebruikersgedrevenheid blijft Nederland relatief achter. Dit betekent dat digitale betrokkenheid van burgers en stakeholders bij het ontwerpen van digitale publieke dienstverlening nog beperkt structureel is verankerd. Tegelijktijdig laat de DGI zien dat Nederland vooruitgang boekt op het terrein van proactiviteit. De uitdaging ligt daarmee minder in het formuleren van ambities, maar meer in het daadwerkelijk realiseren van gebruikersgedreven ontwerp- en ontwikkelpraktijken.
Digitale overheidsdiensten die onvoldoende gebruikersgericht zijn, sluiten mogelijk minder goed aan bij de uiteenlopende levenssituaties van burgers en bedrijven. In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (2025) wordt daarom expliciet ingezet op centraal stellen van burgers en ondernemers en op proactieve dienstverlening. Deze beleidsambitie sluit aan bij de zwakke punten die uit de DGI naar voren komen. In de onderzoeken Online meebeslissen (2018) en Voor het voetlicht (2022b) benadrukte het Rathenau Instituut al de relevantie van digitale inspraak bij beleidsvorming en gaf aanbevelingen voor het inrichten hiervan. Uit de recente scores op gebruikersgerichtheid bij overheidsdiensten blijkt dat de overheid hier nog altijd meer op mag inzetten.
Transparantie, veiligheid en strategische autonomie blijven beperkt zichtbaar
Naast uitvoering en gebruikersgerichtheid blijven ook transparantie, veiligheid en strategische autonomie in internationale indexen onderbelicht. Na de toeslagenaffaire is in Nederland nadrukkelijk ingezet op verbetering van gegevenskwaliteit, transparantie van algoritmen en herstelvermogen bij fouten (Rijksoverheid, 2020; 2021; BZK, 2022). Hoewel sommige indexen kijken naar het bestaan van beleidskaders voor verantwoord datagebruik, meten zij niet of gegevens daadwerkelijk betrouwbaar zijn, of algoritmen uitlegbaar zijn, of burgers effectief rechtsbescherming ervaren wanneer digitale processen tekortschieten.
Daarnaast groeit met verdere digitalisering de afhankelijkheid van complexe IT-architecturen en internationale technologiebedrijven. Overheden maken in toenemende mate gebruik van cloudinfrastructuur, terwijl de wereldwijde markt van clouddiensten sterk geconcentreerd is rond enkele grote aanbieders. Dit roept vragen op over leveranciersonafhankelijkheid, concentratierisico’s en juridische afhankelijkheden (Rathenau Instituut, 2025; Autoriteit Persoonsgegevens, 2026). Deze vraagstukken zijn beleidsmatig wel geadresseerd. In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (2025) wordt ingezet op gezamenlijke cloudstrategie, versterking van digitale weerbaarheid en vermindering van afhankelijkheid van een beperkt aantal leveranciers. Ook publicaties zoals Cyberweerbaar met nieuwe technologie (Rathenau Instituut, 2020) wijzen op de risico’s die ontstaan wanneer digitalisering sneller toeneemt dan de institutionele borging van veiligheid en autonomie.
Internationale indexen meten echter vooral of infrastructuur beschikbaar is en diensten online toegankelijk zijn. Zij maken minder zichtbaar in hoeverre de digitale basis van de overheid zelf robuust, veilig en strategisch zelfstandig is ingericht.
Tot slot
Ranglijsten meten voorwaarden
Deze factsheet laat zien dat het bij het gebruik van deze ranglijsten in het debat van groot belang is steeds scherp te houden wat zij meten en te beseffen dat het daarbij vooral gaat om de voorwaarden voor een succesvolle digitale overheid en niet de consequenties daarvan.
Methodologische kanttekening
Voordat we de factsheet afsluiten, is het belangrijk om enkele methodologische kanttekeningen te maken bij het gebruik van deze ranglijsten. Ranglijsten geven een globaal beeld van de positie van landen. De scores waarop deze ranglijsten zijn gebaseerd, zijn doorgaans samengesteld uit meerdere indicatoren die worden samengevoegd tot één totaalscore. De uitkomsten kunnen daardoor, naast de keuze van indicatoren die we hebben omschreven, ook beïnvloed worden door verandering in de methode. Daar komt bij dat een positie op een ranglijst niet laat zien op welke plekken het misgaat en wat daaraan gedaan wordt. Die omissie wordt versterkt doordat de metingen zich sterk richten op voorwaarden voor digitale dienstverlening terwijl juist op complexe dossiers en in de uitvoering digitale middelen en processen regelmatig tekortschieten.
Omdat het om samengestelde scores gaat, is transparantie over methode en het gebruik van de resultaten van groot belang. Bij alle hier besproken indexen zijn de onderliggende methodes, indicatoren en vragenlijsten publiekelijk toegankelijk. Daarmee is inzichtelijk wat er wordt gemeten en hoe de scores tot stand komen. Tegelijkertijd zijn de resultaten slechts beperkt herleidbaar. Dit komt doordat de beschikbare databestanden vaak beperkt zijn tot totaalscore of opgestapelde deelindices, terwijl onderliggende indicatoren en individuele metingen niet altijd toegankelijk zijn. Daardoor zijn resultaten niet volledig te herleiden of reproduceerbaar. Daarnaast maken sommige indexen (zoals de DGI en onderdelen van het Digital Decade-programma) gebruik van zelfrapportage door overheden over de aanwezigheid van beleid, strategieën en digitale voorzieningen. Hoewel dit past binnen het doel van deze indexen, het in kaart brengen van beleidsmatige randvoorwaarden, vraagt het om een zorgvuldige interpretatie van de uitkomsten. De scores geven vooral inzicht in formele gereedheid en beleidsintenties en minder in de feitelijke werking, uitkomsten, uitvoeringskwaliteit en impact van digitale overheidspraktijken.