calendar tag arrow download print
Image
factsheet
16 november 2020

R&D-uitgaven en -capaciteit naar wetenschapsgebied

Foto: Silas Stein/dpa Picture-Alliance GmbH/Hollandse Hoogte
In welke sector zijn de R&D-uitgaven het hoogste? Zijn de nationale uitgaven een afspiegeling van de economie of heeft een bepaalde sector de bovenhand? Deze factsheet geeft inzicht in de verdeling van Nederlandse R&D-uitgaven en onderzoekscapaciteit naar wetenschapsgebied en de verhouding ten opzichte van andere landen. Daaruit blijkt dat de R&D-uitgaven naar wetenschapsgebied goed passen bij de aard van de Nederlandse economie.

In het kort:

  • Nederland besteedt, vergeleken met andere landen, een relatief groot deel van de R&D-uitgaven aan de sociale- en medische wetenschappen.
  • het aandeel dat Nederland besteedt aan de natuur- en technische wetenschappen is vergeleken met andere landen relatief laag. Dit past bij de aard van de Nederlandse economie.
  • Sinds 2007 is het aandeel van de R&D-uitgaven voor de medische wetenschappen het sterkste gestegen, van 25,2% van de Nederlandse R&D-uitgaven naar 27,4% in 2017. Het aandeel van de natuur- en technische wetenschappen daalde in dezelfde periode licht.

In Nederland werd in 2018 in totaal € 16,7 miljard uitgegeven aan R&D: wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling. Een groot deel van dit onderzoek wordt zowel privaat gefinancierd als uitgevoerd door bedrijven uit binnen- en buitenland. Het publieke - voornamelijk door de overheid - gefinancierde onderzoek wordt vooral gedaan bij hoger onderwijsinstellingen (inclusief de universitair medische centra) en bij publieke onderzoeksinstellingen, met resp. € 4,6 en € 1 miljard.

In dit factsheet wordt ingegaan op de uitgaven in zes te onderscheiden wetenschapsgebieden: natuurwetenschappen, technische wetenschappen, landbouwwetenschappen, medische wetenschappen, sociale wetenschappen (inclusief economie en recht) en geesteswetenschappen. Daarbij wordt met name gekeken naar de uitgaven van hogeronderwijs- en publieke onderzoeksinstellingen ('publieke kennisinstellingen') .

Uitgaven aan wetenschappelijk onderzoek bij publieke kennisinstellingen in Nederland

Van de R&D-uitgaven door bedrijven weten we dat 79% naar R&D in de natuur- en technische wetenschappen gaat, 10% naar de medische wetenschappen en 8% naar de landbouwwetenschap (cijfers 2018). Voor de publieke uitgaven in wetenschappelijk onderzoek kijken we voor de verdeling tussen wetenschapsgebieden naar de instellingen voor hoger onderwijs (vooral de universiteiten en de universitair medische centra) en de publieke onderzoeksinstellingen samen.

De publieke uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek naar wetenschapsgebied zijn weergegeven in de onderstaande figuur.

Totale publieke uitgaven stijgen, methodebreuk in 2018
De totale publieke uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek stijgen in de jaren 2007-2017. Het cluster van natuur- en technische wetenschappen blijkt in deze periode nauwelijks te stijgen. In relatieve zin daalt het aandeel van beide vakgebieden van 42,2% (€ 1.904 miljoen) in 2007 naar 39,4% in 2017 (€ 2.416 miljoen).

De belangrijkste stijger in de periode 2007-2017, zowel absoluut als relatief, is het medisch onderzoek. Het aandeel van het medisch wetenschappelijk onderzoek stijgt van 25,2% (€ 1.136 miljoen) in 2007 naar 27,4% in 2017 (€ 1.681 miljoen). Het aandeel van de geesteswetenschappen stijgt van 6% (€ 269 miljoen) in 2007 naar 7,6% (€ 468 miljoen) in 2017. Het aandeel van de sociale wetenschappen blijft in de jaren 2007-2017 met 17,6% min of meer gelijk.

In 2018 lijkt er sprake te zijn van een daling in de totale publieke uitgaven. Door een verandering in de gehanteerde classificatie zijn deze cijfers echter niet te vergelijken met die van voorgaande jaren. De richtlijnen die bepalen welke uitgaven in welke categorie vallen, zijn namelijk recentelijk aangepast. Dit heeft ervoor gezorgd dat bepaalde R&D uitgaven die voorheen als publiek werden aangeduid, nu tot de bedrijvensector behoren. Deze wijziging verklaart waarom de totale uitgaven van de publieke kennisinstellingen lager uitvallen in 2018.

Duidelijk verschil universiteiten en publieke onderzoeksinstellingen
Er zijn duidelijke verschillen tussen de universiteiten en de publieke onderzoeksinstellingen in de verdeling van geld voor het wetenschappelijk onderzoek over de wetenschapsgebieden. Het aandeel van de natuur- en technische wetenschappen is in 2018 bij de universiteiten met 34,1% duidelijk lager dan bij de publieke onderzoeksinstellingen: 51,5%. Ook de landbouwwetenschappen zijn in de publieke onderzoeksinstellingen (22,4%) veel meer aanwezig dan bij de HO-instellingen (4,2%). Voor de medische wetenschappen (33,6% versus 22,4%), de sociale wetenschappen (19,1% versus 15,3%) en de geesteswetenschappen (8,7% versus 4,2%) geldt het omgekeerde: de HO-instellingen investeren daar meer in.

Internationale benchmark

In de onderstaande figuur zien we de cijfers in een internationale vergelijking. Het betreft waar mogelijk een vergelijking van landen met cijfers voor het jaar 2018.

De figuur laat zien dat er duidelijke verschillen zijn tussen de landen.

Nederland geeft relatief meer uit aan sociale-, geestes- , landbouw- en medische wetenschappen
Als we kijken naar de uitgaven voor natuur- en technische wetenschappen, dan zit Nederland in de figuur met 37,1% van de totale uitgaven voor natuur- en technische wetenschappen aan de lage kant van het spectrum. De landen links in de figuur geven (substantieel) meer uit aan de natuur- en technische wetenschappen, Noorwegen scoort lager dan Nederland. Uitgaven voor onderzoek in de medische wetenschappen zijn in Nederland relatief hoog, maar in Denemarken, Japan, Noorwegen en Zweden wordt meer uitgegeven aan dit gebied. Ook het aandeel van de sociale wetenschappen (inclusief economie en recht) is in Nederland vrij hoog, met 18,5% ten opzichte van 15% gemiddeld. Het aandeel van de onderzoeksuitgaven dat naar de geestes- en landbouwwetenschappen gaat, ligt in Nederland iets boven het gemiddelde.

Weerspiegeling van de economie
Vaak wordt beargumenteerd dat het onderzoek naar wetenschapsgebieden een weerspiegeling is (of zou moeten zijn) van de samenstelling van de economie van een land. De behoefte aan kennis en academisch geschoold personeel vloeit daar dan uit voort. Landen als Nederland en het Verenigd Koninkrijk met een relatief grote dienstensector zouden zo meer behoefte hebben aan onderzoek (en professionals) in de economie, het recht en andere sociale wetenschappen. Landen met veel maakindustrie als Japan, Korea en Duitsland zouden juist meer behoefte hebben aan onderzoek en onderzoekers in de natuur- en technische wetenschappen. In onderstaande figuur laten we de relatie zien tussen het percentage maakindustrie in een land en de mate waarin er publieke investeringen in de natuur- en technische wetenschappen worden gedaan.
 

Scatterplot_NL
Bron: Eurostat (R&D uitgaven) OESO – STAN (beroepsbevolking werkzaam in de maakindustrie)

Notitie: Voor Zuid-Korea betreft het gegevens over 2015. Voor België, Denemarken, Noorwegen en Zweden betreft het cijfers van 2017. In deze grafiek zetten we het aandeel van de publieke R&D uitgaven bestemd voor de sectoren natuur en techniek af tegen het aandeel van de beroepsbevolking dat werkzaam is in de maakindustrie. Het gaat daarbij niet alleen om werknemers, maar om alle personen verbonden aan de maakindustrie.

Duidelijke relatie omvang maakindustrie en uitgaven naar wetenschapsgebieden
De relatie tussen de aard van de economie in termen van de omvang van de maakindustrie en de verdeling van de uitgaven naar wetenschapsgebieden wordt in deze figuur duidelijk zichtbaar. Landen linksonder - het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Noorwegen -  hebben relatie weinig maakindustrie én relatief weinig onderzoek in de natuur- en technische wetenschappen. Voor landen rechtsboven geldt het omgekeerde.

Nederland staat derde van links (onder) met 8,4% van de economie die uit maakindustrie bestaat en 39,9% van de publieke uitgaven aan onderzoek in de domeinen natuur en techniek. Duitsland staat met 17,2% van de economie als maakindustrie en 59,5% van de publieke onderzoekinvesteringen in de natuur- en technische wetenschappen rechts (boven). Nederland en Duitsland liggen, zoals de meeste landen, dicht bij de regressielijn en besteden dus beide proportioneel naar de aard van de economie aandacht en publieke middelen aan de wetenschapsgebieden natuur en techniek. De uitgaven van deze beide landen aan publiek uitgevoerd onderzoek in de natuur- en technische wetenschappen liggen ver uit elkaar maar zijn beide in verhouding met de samenstelling van de economie. Zuid-Korea besteedt naar de aard van de economie relatief veel geld aan natuur- en technisch wetenschappelijk onderzoek.

De universitaire geldstromen in Nederland naar wetenschapsgebied

We kunnen ook inzoomen op het universitaire onderzoek in Nederland en de verschillende geldstromen uitsplitsen naar wetenschapsgebied. Dit kan niet op basis van financiële cijfers, maar wel op basis van de onderzoekscapaciteit in fte. In Nederland kennen we de eerste, tweede en derde geldstroom. De eerste geldstroom komt rechtstreeks van de overheid als lumpsum financiering. De tweede geldstroom is de competitieve geldstroom van NWO. De derde geldstroom is eveneens competitief op basis van opdrachten van bedrijven en overheden uit binnen- en buitenland.


De figuur laat zien dat de verdeling van de onderzoekscapaciteit van de verschillende wetenschapsgebieden in 2017 varieert per geldstroom:

  • Bij de drie geldstromen samen is het cluster van natuur- en technische wetenschappen het grootst met 37%, tegenover 30% voor de medische wetenschappen en 20% voor de sociale wetenschappen. De aandelen van de landbouwwetenschappen en de geesteswetenschappen zijn het kleinst, beide 7%.
  • Datzelfde beeld zien we in de tweede en derde geldstroom, waarbij het aandeel van de natuur- en technische wetenschappen nog groter is met respectievelijk 46% en 37% van het totaal. De derde geldstroom kent met 34% een relatief groot aandeel medisch wetenschappelijk personeel.
  • In de eerste geldstroom is het aandeel van de natuur- en technische wetenschappen met 32% ongeveer vergelijkbaar met dat van de sociale en de medische wetenschappen, met 27% respectievelijk 29%.
Over de cijfers
Bronnen