calendar tag arrow download print
Image
factsheet
05 februari 2019

R&D-uitgaven en -capaciteit naar wetenschapsgebied

Factsheet over de verdeling van R&D-uitgaven (internationaal) en onderzoekscapaciteit (nationaal) naar wetenschapsgebied.

In Nederland werd in 2017 in totaal € 14,7 miljard uitgegeven aan R&D: wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling (Voorlopige cijfers). Een groot deel van dit onderzoek wordt zowel privaat gefinancierd als uitgevoerd door bedrijven uit binnen- en buitenland. Het publieke - voornamelijk door de overheid - gefinancierde onderzoek wordt vooral gedaan bij hoger onderwijsinstellingen (inclusief de universitair medische centra) en bij publieke onderzoeksinstellingen, met resp. € 4,4 en € 1,7 miljard.

In dit factsheet wordt ingegaan op de uitgaven in zes te onderscheiden wetenschapsgebieden: natuurwetenschappen, technische wetenschappen, landbouwwetenschappen, medische wetenschappen, sociale wetenschappen (inclusief economie en recht) en geesteswetenschappen. Daarbij wordt met name gekeken naar de uitgaven van publieke onderzoeksinstellingen.

Uitgaven aan wetenschappelijk onderzoek bij publieke kennisinstellingen in Nederland

Van de R&D-uitgaven door bedrijven weten we dat 80% naar R&D in de natuur- en technische wetenschappen gaat, 9% naar de medische wetenschappen en 8% naar de landbouwwetenschap (cijfers 2016). Voor de publieke uitgaven in wetenschappelijk onderzoek kijken we voor de verdeling tussen wetenschapsgebieden naar de instellingen voor hoger onderwijs (vooral de universiteiten en de universitair medische centra) en de publieke onderzoeksinstellingen samen.

De publieke uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek naar wetenschapsgebied zijn weergegeven in de onderstaande figuur.

De totale publieke uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek stijgen vanaf 2007. Het cluster van natuur- en technische wetenschappen blijkt nauwelijks te stijgen. In relatieve zin daalt het aandeel van beide vakgebieden van 42,2% (€ 1.904 miljoen) in 2007 naar 39,7% in 2016 (€ 2.342 miljoen). In 2016 zien we voor het eerst een kleine daling van de publieke uitgaven, met 2% (€ 127 miljoen).

De belangrijkste stijger, zowel absoluut als relatief, is het medisch onderzoek. Het aandeel van het medisch wetenschappelijk onderzoek stijgt van 25,2% (€ 1.136 miljoen) in 2007 naar 27,2% in 2016 (€ 1.606 miljoen). Het aandeel van de geesteswetenschappen stijgt van 6% (€ 269 miljoen) in 2007 naar 7,7% (€ 452 miljoen) in 2016. Het aandeel van de sociale wetenschappen blijft met 17,9% min of meer gelijk.

Er zijn wel duidelijke verschillen tussen de universiteiten en de publieke onderzoeksinstellingen in de verdeling van geld voor het wetenschappelijk onderzoek over de wetenschapsgebieden. Het aandeel van de natuur- en technische wetenschappen is in 2016 bij de universiteiten met 35,8% duidelijk lager dan bij de publieke onderzoeksinstellingen: 50,3%. Ook de landbouwwetenschappen zijn in de publieke onderzoeksinstellingen (18,5%) veel meer aanwezig dan bij de HO-instellingen (3,5%). Voor de medische wetenschappen (31,3% versus 16,3%), de sociale wetenschappen (20,2% versus 11,7%) en de geesteswetenschappen (9,3% versus 3,2%) geldt het omgekeerde: de HO-instellingen investeren daar meer in.

Internationale benchmark

In de onderstaande figuur zien we de cijfers in een internationale vergelijking. Het betreft waar mogelijk een vergelijking van landen met cijfers voor het jaar 2016.

De figuur laat zien dat er duidelijke verschillen zijn tussen de landen.

Als we kijken naar de uitgaven voor natuur- en technische wetenschappen, dan zit Nederland in de figuur met 39,7% van de totale uitgaven voor natuur- en technische wetenschappen aan de lage kant van het spectrum. De landen links in de figuur geven substantieel meer uit aan de natuur- en technische wetenschappen, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Noorwegen scoren lager dan Nederland. Uitgaven voor onderzoek in de medische wetenschappen zijn in Nederland relatief hoog, maar in Denemarken, Japan, Noorwegen en Zweden wordt meer uitgegeven aan dit gebied. Ook het aandeel van de sociale wetenschappen (inclusief economie en recht) is in Nederland vrij hoog, met 17,9% ten opzichte van 14,7% gemiddeld. Het aandeel van de onderzoeksuitgaven dat naar de geestes- en landbouwwetenschappen gaat, ligt in Nederland iets boven het gemiddelde.

Vaak wordt beargumenteerd dat het onderzoek naar wetenschapsgebieden een weerspiegeling is (of zou moeten zijn) van de samenstelling van de economie van een land. De behoefte aan kennis en academisch geschoold personeel vloeit daar dan uit voort. Landen als Nederland en het Verenigd Koninkrijk met een relatief grote dienstensector zouden zo meer behoefte hebben aan onderzoek (en professionals) in de economie, het recht en andere sociale wetenschappen. Landen met veel maakindustrie als Japan, Korea en Duitsland zouden juist meer behoefte hebben aan onderzoek en onderzoekers in de natuur- en technische wetenschappen. In onderstaande figuur laten we de relatie zien tussen het percentage maakindustrie in een land en de mate waarin er publieke investeringen in de natuur- en technische wetenschappen worden gedaan.
 

Verhouding tussen het belang van de maakindustrie in de economie en de publieke R&D investeringen in de natuur- en technische wetenschappen (2016)
Bron: Eurostat (R&D uitgaven) OESO – STAN (beroepsbevolking werkzaam in de maakindustrie) Notitie: Voor Zuid-Korea betreft het gegevens over 2015. In deze grafiek zetten we het aandeel van de publieke R&D uitgaven bestemd voor de sectoren natuur en techniek af tegen het aandeel van de beroepsbevolking dat werkzaam is in de maakindustrie. Het gaat daarbij niet alleen om werknemers, maar om alle personen verbonden aan de maakindustrie.

De relatie tussen de aard van de economie in termen van de omvang van de maakindustrie en de verdeling van de uitgaven naar wetenschapsgebieden wordt in deze figuur duidelijk zichtbaar. Landen linksonder - het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Noorwegen -  hebben relatie weinig maakindustrie én relatief weinig onderzoek in de natuur- en technische wetenschappen. Voor landen rechtsboven geldt het omgekeerde.

Nederland staat derde van links (onder) met 8,6% van de economie die uit maakindustrie bestaat en 39,7% van de publieke uitgaven aan onderzoek in de domeinen natuur en techniek. Duitsland staat met 17,3% van de economie als maakindustrie en 58,8% van de publieke onderzoekinvesteringen in de natuur- en technische wetenschappen rechts (boven). Nederland en Duitsland liggen, zoals de meeste landen, dicht bij de regressielijn en besteden dus beide proportioneel naar de aard van de economie aandacht en publieke middelen aan de wetenschapsgebieden natuur en techniek. De uitgaven van deze beide landen aan publiek uitgevoerd onderzoek in de natuur- en technische wetenschappen liggen ver uit elkaar maar zijn beide in verhouding met de samenstelling van de economie. Zuid-Korea besteedt naar de aard van de economie relatief veel geld aan natuur- en technisch wetenschappelijk onderzoek.

De universitaire geldstromen in Nederland naar wetenschapsgebied

We kunnen ook inzoomen op het universitaire onderzoek in Nederland en de verschillende geldstromen uitsplitsen naar wetenschapsgebied. Dit kan niet op basis van financiële cijfers, maar wel op basis van de onderzoekscapaciteit in fte. In Nederland kennen we de eerste, tweede en derde geldstroom. De eerste geldstroom komt rechtstreeks van de overheid als lumpsum financiering. De tweede geldstroom is de competitieve geldstroom van NWO. De derde geldstroom is eveneens competitief op basis van opdrachten van bedrijven en overheden uit binnen- en buitenland.


De figuur laat zien dat de verdeling van de onderzoekscapaciteit van de verschillende wetenschapsgebieden in 2017 varieert per geldstroom:

  • Bij de drie geldstromen samen is het cluster van natuur- en technische wetenschappen het grootst met 37%, tegenover 30% voor de medische wetenschappen en 20% voor de sociale wetenschappen. De aandelen van de landbouwwetenschappen en de geesteswetenschappen zijn het kleinst, beide 7%.
  • Datzelfde beeld zien we in de tweede en derde geldstroom, waarbij het aandeel van de natuur- en technische wetenschappen nog groter is met respectievelijk 46% en 37% van het totaal. De derde geldstroom kent met 34% een relatief groot aandeel medisch wetenschappelijk personeel.
  • In de eerste geldstroom is het aandeel van de natuur- en technische wetenschappen met 32% ongeveer vergelijkbaar met dat van de sociale en de medische wetenschappen, met 27% respectievelijk 29%.

Over de cijfers

De hierboven gebruikte financiële data zijn afkomstig van de database van Eurostat. In deze database kunnen de gegevens over R&D-uitgaven worden gegenereerd in euro's en in nationale valuta. Voor de puur Nederlandse statistieken wordt de specificatie in euro’s gegeven; de internationale vergelijkingen zijn in miljoenen PPS (purchasing power standard). De cijfers zijn verzameld volgens de richtlijnen in het Frascati Manual en voor Nederland verzorgd door het CBS.

De cijfers over de aard van de economie komen uit de OESO database: STatistical ANalysis Database. De cijfers per land zijn de percentages van de totale economie die met manufacturing worden omgezet volgens de International Standard Industrial Classification of All Economic Activities activiteit C manufacturing. Het gaat om het totaal van personen betrokken bij de sector, in fte. Het onderscheid dat voor dit factsheet van belang is - de opsplitsing in 6 vakgebieden - is niet voor alle landen en jaren beschikbaar.

Voor Nederland zijn de data van 2007, 2009 en de periode 2011-2016 beschikbaar. Voor eerdere jaren ontbreken de data van de publieke kennisinstellingen.  

Voor de internationale vergelijking missen we de Verenigde Staten, Frankrijk, Canada, Brazilië en China omdat voor deze landen de uitsplitsingen niet beschikbaar zijn. Naast de gebruikelijke referentielanden in Europa hebben we er voor gekozen om voor deze vergelijking ook Japan en Zuid-Korea mee te nemen omdat deze tot de wereldtop qua kenniseconomie behoren.

De gegevens over onderzoekscapaciteit zijn afkomstig van de VSNU, die jaarlijks gegevens bij de universiteiten verzamelt over de onderzoekscapaciteit naar geldstroom, de zgn. Kengetallen Universitair Onderzoek (KUOZ). Daarbij wordt ook de onderzoeksinzet van de universitair medische centra meegenomen. Bij Leiden is die pas vanaf 2008 beschikbaar, bij de Universiteit van Amsterdam is die capaciteit vanaf 2008 juist niet meer beschikbaar.

Bronnen

 

Foto: Silas Stein/dpa Picture-Alliance GmbH/Hollandse Hoogte