calendar tag arrow download print
Image
factsheet
13 november 2019

Financiering en uitvoering van R&D in Nederland

Geldstromen
Dit factsheet geeft inzicht in en cijfers over de financieringsbronnen van de R&D in Nederland en de sectoren waar deze R&D wordt uitgevoerd.

De Nederlandse R&D wordt uitgevoerd door verschillende soorten organisaties en gefinancierd uit verschillende bronnen. In 2018 had de in Nederland uitgevoerde R&D een omvang van 16,7 miljard euro.

In onderstaande tabel wordt aangegeven wie in 2017 de financiers zijn van R&D in Nederland, wat ze hebben uitgegeven en door welke type organisatie deze R&D is uitgevoerd. (Deze gegevens zijn voor 2018 nog niet beschikbaar.)

Uitvoerende sectoren Financierings-bron: Bedrijven Financieringsbron: Overheid Financieringsbron: Overige Nationale bronnen Financierings-bron: Buitenland Totaal per Uitvoerende sector
Bedrijven 8623 609 79 1343 10654
Hoger onderwijs 376 3433 286 412 4507
Research-instellingen 78 692 11 132 913
Totaal per Financieringsbron 9077 4734 376 1887 16074

Financiering van R&D

De uitgaven voor R&D in Nederland worden gefinancierd uit verschillende bronnen: de Rijksoverheid, bedrijven, overige nationale bronnen en het buitenland.

Bedrijven

Bedrijven financieren iets meer dan de helft van het totaal aan wetenschappelijk onderzoek en ontwikkelingswerk (R&D) in Nederland. Financiering van bedrijven richt zich vooral op R&D binnen het eigen bedrijf en binnen de eigen sector (80-85 procent). Daarnaast financieren Nederlandse bedrijven wetenschappelijk onderzoek bij universiteiten en researchinstellingen. Ze financieren ook R&D in het buitenland: daaraan besteden ze 3,2 miljard euro, volgens de cijfers voor 2017 van het CBS.

De rijksoverheid

De rijksoverheid financiert ongeveer een derde van de Nederlandse R&D. Overheidsfinanciering van wetenschappelijk onderzoek vindt op verschillende manieren plaats.

-    Directe overheidsfinanciering

Dit gebeurt via:

  • Vaste bijdragen aan instellingen (zogenaamde institutionele financiering of basisfinanciering). Daarnaast het financieren van onderzoek via intermediaire organisaties, zoals de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO: instrumenten), de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO: subsidies & financiering)
  • Het financieren van onderzoek in eigen (kennis)instituten, zoals het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie of het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) van het ministerie van Infrastructuur en Milieu
  • Het rechtstreeks financieren van beleidsgericht onderzoek (via de financiering van projecten of programma's)

-    Fiscale steun

Fiscale steun is een belangrijk instrument binnen het innovatiebeleid van de overheid. Dit instrument heeft aan belang gewonnen sinds het Kabinet Rutte de omslag heeft gemaakt van specifieke financiering (via programma’s en subsidies) naar generieke fiscale steun van innovatie.


Fiscale stimulering is geregeld in de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO), een regeling bedoeld voor bedrijven waarmee de Nederlandse overheid een deel van de kosten voor onderzoek en ontwikkelingswerk compenseert. De WBSO, die vanaf 1994 bestaat, heeft door de jaren heen een gestage groei doorgemaakt in budget en aantallen projecten. De omvang van de WBSO bedroeg in 2015 €769 miljoen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (voorheen Agentschap NL) voert namens de overheid de WBSO uit. De WBSO kent drie faciliteiten:

  • Een tegemoetkoming in de loonkosten van onderzoek en ontwikkelingswerk in de vorm van een vermindering van de af te dragen loonheffing
  • Een aftrek S&O (speur- en ontwikkelingswerk) voor zelfstandige ondernemers
  • Een extra tegemoetkoming voor startende ondernemers of ondernemingen

Vanaf 2012 is, als aanvulling op de WBSO, een nieuw fiscaal instrument in het leven geroepen, de Research & Development Aftrek (RDA). Waar de WBSO wordt gebruikt voor de personele kosten, is de RDA bedoeld voor de andere kosten die in het kader van R&D-projecten worden gemaakt (R&D-investeringen en R&D-exploitatiekosten). De omvang van de RDA in 2015 was € 238 miljoen. Per 2016 is de RDA samengevoegd met de WBSO (zie hierover de Kabinetsbrief van 7 juli 2015).

Meer over de directe overheidsfinanciering en de fiscale steun voor R&D is te lezen in de datapublicatie over de ontwikkeling van de directe en indirecte overheidssteun voor R&D in Nederland.

Fondsen

Een deel van de Nederlandse R&D wordt gefinancierd door private non-profit fondsen. De grootste bijdrage voor wetenschappelijk onderzoek komt van de gezondheidsfondsen. Nederland kent een aantal ’gezondheidsfondsen’, die zich richten op bepaalde aandoeningen of groepen van aandoeningen. De jaarverslagen van de fondsen laten zien dat ze in 2016 in totaal ruim € 171 miljoen aan wetenschappelijk onderzoek financierden. De twee grootste financiers van onderzoek zijn KWF Kankerbestrijding en de Nederlandse Hartstichting.
Negentien van deze fondsen bundelen hun krachten in de vereniging Samenwerkende GezondheidsFondsen (SGF).

Het buitenland

Naast financiering uit Nederlandse bronnen vindt de financiering van het onderzoek in Nederland ook plaats via buitenlandse bedrijven en onderzoeksmiddelen van de Europese Unie, met name vanuit de Kaderprogramma's. Buitenlandse financiering is in de loop der jaren een steeds belangrijkere bron geworden voor de Nederlandse R&D: vanaf 1994 is de financiering vanuit het buitenland geleidelijk gegroeid van € 497 miljoen tot € 2.223 miljoen in 2016. De buitenlandse financiering komt van:

  • Buitenlandse bedrijven, die vooral onderzoek in Nederlandse bedrijven financieren.
  • De onderzoeksprogramma's van de Europese Unie, met name de EU-Kaderprogramma's. Het Zevende EU-Kaderprogramma (KP7) had een looptijd van 2007-2013 met een totaalbudget van ruim € 50 miljard. Nederlandse onderzoekers wisten in deze periode 3,4 miljard euro binnen te halen, een aandeel van 7,4 procent van de totaal beschikbare middelen. Horizon 2020, de opvolger van KP7, heeft een looptijd van 2014-2020 en een totaalbudget van ruim 70 miljard euro.

In de datapublicaties over de EU-kaderprogramma's zijn ontwikkelingen te zien in de positie van Nederland in de Kaderprogramma's en het aandeel financiering van de EU-kaderprogramma's ten opzichte van de overheidsfinanciering voor R&D in Nederland.

Ontwikkelingen in de Nederlandse R&D-financiering

Onderstaande figuur laat de onderlinge verhouding tussen de verschillende financieringsbronnen zien. Nederlandse bedrijven financieren ongeveer de helft van de in Nederland uitgevoerde R&D. De financiering van de overheid steeg van bijna € 3 miljard in 2001 tot € 4,7 miljard in 2017. Als aandeel van het totaal schommelde de overheidsfinanciering voor R&D tot en met 2009 rond de 35 procent. In de jaren daarna daalde hij tot 30 procent in 2017. Het aandeel van het buitenland schommelt vanaf 1997 tussen 10 en 13 procent.

Uitvoering van R&D

De totale omvang van de R&D-uitgaven zijn geleidelijk gegroeid, van € 5.041 miljoen in 1990 tot € 16.748 miljoen in 2018. De sprongen in de uitgaven bij bedrijven in 2011 en 2013 worden verklaard door een verandering in de dataverzameling bij het CBS. Zie hiervoor de uitleg onder bovenstaand figuur en aan het einde van de factsheet.

Het aandeel van het bedrijfsleven als uitvoerder van R&D is het grootst met 67% in 2018; daarna volgen het hoger onderwijs met 27% en uiteindelijk de researchinstellingen met 6%.

Over de data

  • Het Centraal Bureau voor de Statistiek verzamelt en publiceert gegevens over de R&D in Nederland.

    In 2019 heeft het CBS de R&D-statistieken voor Nederland in overeenstemming gebracht met de internationale richtlijnen zoals vastgelegd in de Frascati Handleiding. Deze revisie is doorgevoerd met terugwerkende kracht vanaf 2013. Hij houdt in dat:

    - R&D uitgevoerd met ingeleend personeel wél tot de eigen R&D behoort, en meetelt in de nationale R&D-statistieken;
    - Werkzaamheden van een persoon pas tot R&D mogen worden gerekend vanaf een ondergrens van 0,1 fte.
    - De afbakening van de sectoren researchinstellingen en bedrijven is veranderd, waardoor researchinstellingen die minder dan 50% van hun inkomsten als overheidsfinanciering ontvangen, als bedrijf worden gerekend.

    Het effect van deze wijzigingen is dat vanaf 2013 de R&D-financiering structureel met €1,7 miljard toeneemt. Ook groeit de sector bedrijven als financier en uitvoerder, waar die van de (research)instellingen krimpt. De wijzigingen zijn voor zover als mogelijk opgenomen in onze factsheets en datapublicaties.

    Waar de gegevens over R&D-uitgaven naar uitvoerende sector zijn gewijzigd vanaf 2013, zijn voor de R&D-uitgaven naar financieringsbron alleen voor 2017 gewijzigde gegevens beschikbaar. Hierdoor lopen de totalen voor de jaren 2013-2016 tussen deze twee categorieën uiteen. Wanneer we hier en elders op de site praten over de totale R&D-intensiteit zijn hiervoor vanaf 2013 de nieuwe gegevens op basis van R&D-uitgaven naar uitvoerende sector gebruikt.

  • De OESO Frascati Manual is de erkende wereldwijde standaard voor het verzamelen en rapporteren van internationaal vergelijkbare statistieken over de financiële en personele middelen voor onderzoek en experimentele ontwikkeling, beter bekend als R&D (in het Nederlands: Onderzoek en Ontwikkeling – O&O). De Frascati Manual vormt de basis voor een gemeenschappelijke taal voor discussies over R&D en de resultaten ervan.

 

Foto: NASA Gleen Research Center/Eyevine/Hollandse Hoogte