Digitale vaardigheden voor technologisch burgerschap
Digitale inclusie, het toegankelijk maken van onze digitale samenleving voor iedereen, is een belangrijk beleidsdoel. Hiervoor is het van belang dat Nederlanders de vaardigheden hebben om met digitalisering om te gaan. In deze factsheet zetten wij de gegevens hierover op een rij, voor verschillende leeftijdsgroepen en opleidingsniveaus. We kijken naar de digitale basisvaardigheden, de digitale overheid, online bankieren en winkelen en digitale veiligheid.
In het kort
- Over het algemeen hebben Nederlanders goede digitale vaardigheden.
- Maar sommige groepen blijven achter, met name laagopgeleide ouderen.
- Veiligheid blijft een aandachtspunt voor alle Nederlanders, evenals de beperkte deelname aan het online publieke debat en breder technologisch burgerschap.
Inleiding
Een grote beleidsuitdaging in deze tijd van digitalisering is om ervoor te zorgen dat iedereen mee kan doen in de digitale samenleving. Digitale inclusie is dan ook een belangrijk beleidsdoel van het huidige kabinet (zie de Kamerbrief Digitale inclusie van 12 december 2018).
Binnen de Europese Unie (EU) heeft Nederland een goede positie op het gebied van de digitale economie en samenleving. Nederland bezet de derde positie op de Digital Economy & Society Index 2022. Deze index bestaat uit vier componenten: 1) menselijk capitaal, 2) connectiviteit, 3) gebruik van digitale technologieën door bedrijven en 4) digitale overheidsdiensten. Op de eerste twee van deze componenten staat Nederland tweede van de EU-landen. Op digitale technologie en digitale overheidsdiensten bezet Nederland de vierde positie.
Eerder onderzoek van het Rathenau Instituut beschreef de noodzaak voor technologisch burgerschap. Technologisch burgerschap houdt in dat Nederlanders de vaardigheden hebben om de mogelijkheden van digitalisering te begrijpen, de kennis en de weerbaarheid hebben om met de risico’s van digitale technologie om te gaan, en deel kunnen nemen aan het democratisch debat en de politieke besluitvorming over nieuwe digitale technologie. Dit betekent dat Nederlanders moeten begrijpen welke persoonlijke en maatschappelijke gevolgen digitale technologie heeft en daar keuzes in kunnen maken. Ook houdt dit in dat ze over vaardigheden beschikken om hun voordeel te doen met digitale technologie, bijvoorbeeld in het contact met de overheid, het vinden van werk en het regelen van financiële zaken.
In deze datapublicatie gaan we in op de volgende vier thema’s:
1. Digitale basisvaardigheden
2. Digitale overheid
3. Online bankieren en winkelen
4. Digitale vaardigheden
1. Digitale basisvaardigheden
Nederlanders scoren over het algemeen goed op digitale vaardigheden: in 2025 had 83% van de Nederlanders tenminste digitale basisvaardigheden. Dit ligt ruim boven het EU27-gemiddelde van 56%. Maar tussen leeftijdsgroepen en opleidingsniveaus bestaan grote verschillen. Binnen de groep 16-24 jarigen zijn de verschillen in digitale basisvaardigheden naar opleidingsniveau relatief beperkt. het aandeel varieert van ongeveer 83% onder laagopgeleiden tot 99% onder de hoogopgeleiden (een verschil van 16 procentpunten). In de oudere leeftijdsgroepen lopen deze verschillen duidelijk verder op. Bij de 25- tot 54-jarigen ligt het aandeel tussen ongeveer 73% en 96% (23 procentpunten verschil), terwijl dit bij 55- tot 74-jarigen uiteenloopt van 52% onder de laagopgeleiden tot 91% onder de hoogopgeleiden. Dit komt neer op een verschil van 40 procentpunten. De digitale basisvaardigheden onder oudere en lageropgeleide groepen hangen waarschijnlijk samen met minder ervaring met digitale toepassingen, met name softwarevaardigheden zoals het gebruik van programma's als Word en en Excel.
Digitale vaardigheden inwoners stad, dorp en platteland
Verder is er gekeken naar de digitale vaardigheden per woongebied: stad, dorp en platteland. Per woongebied zijn de verschillen in digitale basisvaardigheden klein. Zo heeft 77% van de individuen uit het dorp en platteland tenminste digitale basisvaardigheden. Voor individuen uit de stad is dit percentage iets hoger: 81%. Deze percentages zijn hoger dan het EU-27 gemiddelde (zie onderstaande afbeelding). Alleen Noorwegen doet het in Europa beter dan Nederland op tenminste digitale basisvaardigheden. Internettoegang per huishouden in deze woongebieden is ongeveer even gelijk: bijna 99% van alle huishoudens per woongebied.
Bovenstaande analyse geeft een globale indicatie van de digitale vaardigheden van Nederlanders. Om meer inzicht te krijgen, kijken we hieronder naar het gebruik van enkele digitale toepassingen en hoe Nederlanders met hun digitale veiligheid omgaan.
2. Digitale overheid
Digitalisering speelt een belangrijke rol in het contact met de overheid. Steeds meer diensten zijn online beschikbaar, wat zorgt voor gemak en efficiënte, maar ook risico's met zich meebrengt voor mensen die over onvoldoende digitale vaardigheden beschikken en/of laaggeletterd zijn. Zij kunnen bijvoorbeeld moeite hebben met het vinden van de juiste informatie of ondersteuning.
Nederlander maken veel gebruik van digitale interactie met de overheid. Binnen alle leeftijdsgroepen ligt dit aandeel hoog: 96% voor 2025. Maar er zijn duidelijke verschillen tussen leeftijdsgroepen en opleidingsniveaus. Bij de 16-24 jarigen varieert het aandeel van 86% onder laagopgeleiden tot 98% onder de hoogopgeleiden. Bij 25- tot 54 jarigen ligt dit tussen de 93% bij laagopgeleiden en 99% bij hoogopgeleiden. Voor 55- tot 74-jarigen zijn de aandelen respectievelijk 91% (laagopgeleiden) en 99% (hoogopgeleiden.
De verschillen tussen opleidingsniveaus zijn daarmee aanwezig, maar relatief beperkt. In tegenstelling tot digitale basisvaardigheden blijven de verschillen hier binnen alle leeftijdsgroepen onder de 10 procentpunt. Wel ligt het gebruik onder de laagopgeleiden in alle leeftijdsgroepen consequent lager dan bij middelbaar- en hoogopgeleiden.
Slechts een klein aandeel van de Nederlanders gebruikt het internet om deel te nemen aan online consultaties over politieke onderwerpen (11%) of om politieke meningen via blogs of sociale media te plaatsen (8%). Dit zijn juist belangrijke zaken voor technologisch burgerschap. Het valt dus op dat Nederlanders weinig gebruik maken van deze mogelijkheden. Het aandeel Nederlanders dat hiervan gebruik maakt ligt ook net boven en onder de EU27-gemiddelden (respectievelijk 10 en 12%).
3. Online bankieren en winkelen
Ook het online regelen van financiële zaken via internetbankieren kan zorgen voor meer efficiëntie en gemak, maar brengt ook risico's met zich mee wanneer mensen niet over voldoende digitale vaardigheden beschikken. In 2025 maakten 96% van alle Nederlanders gebruik van internet bankieren. Dit is ruim boven het EU27-gemiddelde van 70%. Maar er zijn wel verschillen naar opleidingsniveau per leeftijdsgroep.
Bij 16- tot 24-jarigen maakt 99% van de hoogopgeleiden gebruik van internetbankieren, tegenover 92% van de laagopgeleiden. Voor de middelbaar opgeleiden was dit 97%. De verschillen binnen deze jongste groep blijft daarmee relatief beperkt. In geldt ook voor de middelbare leeftijdsgroepen: 34% van de laagopgeleiden tot 99% van de hoogopgeleiden. Bij de hogere leeftijdsgroepen (55- tot 74-jarigen) ligt dit tussen de 87% bij de laagopgeleiden en 97% bij de hoogopgeleiden, wat neerkomt op een verschil van ruim 10procentpunten. Hiermee is het verschil in de hoge leeftijdsgroep duidelijk groter. Hoewel internetbankieren in alle leeftijdsgroepen vaak voorkomt, blijft het gebruik onder laagopgeleiden, met name in de oudere leeftijdsgroepen, duidelijk achter bij dat van middelbaar- en hoofopgeleiden.
Ook online winkelen is de laatste jaren sterk gegroeid (cijfers hierna niet in figuur). In 2023 maakte 84% van de Nederlanders hier gebruik van, meer dan het EU27-gemiddelde van 57%. De leeftijfdsgroepen 16 tot 24 jaar en 25 tot 54 jaar (90%) maken hier gemiddeld meer gebruik van dan ouderen van 55 tot 74 jaar (72%). Ook per leeftijdscategorie winkelen Nederlanders vaker online dan het EU27-gemiddelde: 16-24 jaar 67%, 25-54 jaar 68% en 55-74 jaar 39%. Het verschil tussen opleidingsniveaus is voor de twee hogere leeftijdsgroepen groter (rond de 26 procentpunten) dan voor de 16-24 jarigen (10-15 procentpunten).
Hoewel 72% van de 55-74 jarigen recent online een aankoop heeft gedaan, geeft slechts een klein percentage (7%) aan dit niet te doen wegens gebrek aan vaardigheden. Andere redenen die deze leeftijdsgroep noemt, zijn zorgen over de veiligheid van de betaling (9%) en de voorkeur om naar een fysieke winkel te gaan (16%).
4. Digitale veiligheid
Om op veilige wijze van digitale diensten gebruik te maken is het van belang dat Nederlanders goed met hun persoonlijke informatie en identificatie omgaan. Bijna 60% van de Nederlandse jongeren hun sociale media login ook gebruiken om in te loggen bij andere online services. Onder de middelbaaropgeleiden komt dit net iets minder vaker voor dan bij laagopgeleiden en hoogopgeleiden. Het inloggen met sociale media profielen geeft bedrijven en organisaties toegang tot persoonlijke informatie. Nederlandse jongeren doen dit ook meer dan Europese jongeren (EU27-gemiddelde voor jongeren is 57%).
Zoals in onderstaand figuur is te zien, gaan jongeren wel redelijk goed om met het beschermen van persoonlijke data op hun telefoon tijdens het gebruiken en installeren van apps. Hier is ook geen groot verschil tussen de opleidingsniveaus. De groepen 55- tot 74-jarigen beschermt hun persoonlijke data minder vaak dan de andere twee groepen. In de leeftijdsgroepen 25-54 jarigen en 55-74 jarigen zien we ook grotere verschillen tussen de opleidingsniveaus, rond de 30 procentpunten. Gemiddeld beschermt 70% van de Nederlanders zijn persoonlijke data op de telefoon. Dit ligt boven het EU27-gemiddelde van 66% procent.
Tot slot
Bovengenoemde variabelen geven een beeld van de digitale vaardigheden van Nederlanders en het gebruik van digitale toepassingen op basis van zelfrapportage. Maar deze data geven nog geen volledig inzicht in hoe digitaal vaardig Nederlanders nu echt zijn. Om hier meer inzicht in te krijgen, is experimenteel onderzoek naar het gedrag van mensen nodig. Een interessant voorbeeld is de Kennisnet Monitor Jeugd en Media (2017). Hieruit komt naar voren dat, hoewel kinderen zelf rapporteren goede digitale vaardigheden te hebben, ze niet altijd goed zijn in het kritisch beoordelen en zoeken van informatie op internet. Juist deze kritische beoordelingsvaardigheden zijn belangrijk voor technologisch burgerschap. Hierin zijn weer verschillen tussen schoolniveaus te zien. Leerlingen op havo/vwo niveau scoren hoger dan leerlingen op vmbo-niveau.
Ook bij volwassenen zien we vergelijkbare effecten. Uit een recente studie naar veilig onlinegedrag blijkt dat Nederlandse volwassenen nog vaker dan ze dat zelf rapporteren, zich online onveilig gedragen door het delen van persoonlijke informatie en het klikken op onbetrouwbare hyperlinks (Van ’t Hoff-de Goede et al., 2019). In deze studie zijn de effecten van leeftijd en opleidingsniveau minder eenduidig. Hoe ouder de deelnemer, des te kleiner de kans dat deze klikt op een onbetrouwbare hyperlink, maar des te groter de kans dat deze persoonlijke informatie deelt. Het hebben van een hogere opleiding hangt samen met een kleinere kans op het delen van persoonlijke informatie, maar niet met het klikken op onbetrouwbare hyperlinks.
Uit bovenstaande gegevens blijkt dat lager opgeleiden binnen alle leeftijdsgroepen minder digitaal vaardig zijn. Dit brengt grote risico’s met zich mee op toenemende ongelijkheid in onze steeds verder digitaliserende samenleving. Het goed kunnen omgaan met digitalisering en internet levert namelijk voordelen op, voor werk- en opleidingsmogelijkheden en op financieel en sociaal gebied (Van Deursen, 2018). Verder blijkt veiligheid een belangrijk aandachtspunt voor alle leeftijden en opleidingsniveaus. Ook is de deelname aan het online publieke debat nog beperkt. Het begrijpen van digitalisering en hiertoe bewust handelen, vormen de basis voor technologisch burgerschap en voor gelijke kansen om mee te doen in de samenleving en mee te beslissen over de toekomst van Nederland. Hierover is echter onvoldoende informatie beschikbaar. De beschikbare informatie gaat voornamelijk over het uitvoeren van verschillende zaken in het digitale domein, maar onvoldoende over in hoeverre men digitalisering begrijpt en hiertoe bewust handelt.
Bronnen
Europese Commissie – Digital Economy & Society Index (2019)
Eurostat – ICT usage in households and by individuals
Kennisnet – Monitor Jeugd en Media (2017)
Rathenau Instituut – Technologisch burgerschap: dé democratische uitdaging van de eenentwintigste eeuw
Van Deursen, A.J.A.M. (2018). Digitale ongelijkheid in Nederland anno 2018. Enschede, Nederland: Universiteit Twente.
Van ’t Hoff-de Goede, S., Van der Kleij, R., Van de Weijer, S. & Leukfeldt, R. (2019). Hoe veilig gedragen wij ons online? Een studie naar de samenhang tussen kennis, gelegenheid, motivatie en online gedrag van Nederlanders. Den Haag, Nederland: Centre of Expertise Cybersecurity, De Haagse Hogeschool & Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
Foto: Opa leert een online spelletje van zijn kleinzoon Abel. - Hollands Hoogte (Sabine Joosten)