Internationalisering in perspectief: aantallen studenten, studiekeuzes en arbeidsmarkt

Factsheet

Nederland telt steeds meer studenten in het hoger onderwijs. Zo veel, dat zij onderwerp van discussie zijn geworden: kunnen instellingen de groeiende studentenaantallen nog wel aan? Passen de keuzes van studenten bij de Nederlandse arbeidsmarktbehoefte? In deze factsheet kijken we waar de grootste groei in studentenaantallen zit en welke studierichtingen studenten kiezen. We hebben hierbij speciale aandacht voor internationale studenten. We vergelijken de toename en keuzes van studenten in Nederland met die van studenten in andere landen. Ook kijken we naar de studiekeuzes vanuit arbeidsmarktperspectief.

Foto: Oxana V. - Unsplash
De groeiende studentenaantallen vormden de afgelopen jaren een belangrijk punt van discussie (foto: Oxana V. - Unsplash)

In het kort

  • Het aandeel internationale studenten in Nederland groeit sneller dan in meeste referentielanden 273% in 2023.
  • Studenten in Nederland kozen in 2023 gemiddeld vaker voor een studie sociale wetenschappen (53%) dan studenten in andere landen (44%).
  • Een groeiend deel van de Nederlandse en internationale studenten kiest voor techniek en IT (16% in 2025), wat aansluit bij de gunstige huidige arbeidsmarktperspectieven voor deze sectoren.

Inleiding

De groeiende studentenaantallen vormden de afgelopen jaren een belangrijk punt van discussie. Aan de ene kant komt er druk op personeel in het hoger onderwijs. Uit eerder onderzoek bleek dat met name aan de universiteiten het onderwijs vaak meer tijd kost dan gepland (Jongsma, Sanders & Weeda, 2020; Rathenau Instituut, 2022). De toename van internationale studenten speelt in discussies hierover vaak een rol. Aan de andere kant biedt de toestroom van internationale studenten kansen om talent voor de arbeidsmarkt aan te trekken (Ministerie van Financiën, 2019). Daarnaast kan internationale mobiliteit de vaardigheden versterken van zowel internationale studenten als studenten van eigen bodem (Europese Commissie, 2019). De Nederlandse universiteiten geven aan dat het internationale karakter van het hoger onderwijs van groot belang is voor de hele samenleving: “Het draagt bij aan een stimulerend studieklimaat, een goede aansluiting op internationale wetenschappelijke ontwikkelingen en aan het opleiden van (voldoende) talent voor de arbeidsmarkt”. Zij zien graag dat instellingen en overheid de knelpunten gezamenlijk aanpakken (UNL, 2023). Om de voordelen van internationalisering in het hoger onderwijs beter te benutten en meer grip te krijgen op de nadelen, is de overheid van plan een nieuwe wet te introduceren: de Wet internationalisering in balans. Deze wet is nog in de ontwerpfase en ook onderwerp van discussie (UNL, 2023).

In deze factsheet kijken we waar de grootste groei in studentenaantallen zit en welke studierichtingen studenten kiezen. We betrekken hierbij de internationale studenten en vergelijken de studiekeuzes van studenten in Nederland met die van studenten in andere landen. Tot slot kijken we naar de studiekeuzes vanuit arbeidsmarktperspectief. Deze factsheet biedt daarmee een basis om de ontwikkelingen op het gebied van internationale mobiliteit van studenten in het hoger onderwijs te monitoren.

1. Groei hoger onderwijs vlakt af na jaren van toename

In 2025 volgen ruim 791.000 studenten een opleiding aan een Nederlandse publiek gefinancierde hogeschool of universiteit. Ongeveer 653.000 volgen een bacheloropleiding en 139.000 studenten een masteropleiding. Van de bachelorstudenten studeert 67% aan een hogeschool en 33% aan een universiteit. Van de masterstudenten studeert 11% aan een hogeschool en 89% aan een universiteit.

Sinds 2011 is het aantal studenten aan publiek gefinancierde universiteiten en hogescholen in Nederland toegenomen van ruim 656.000 in 2011 naar ruim 792.000 in 2025, een groei van ongeveer 20%. Deze groei was het sterkste aan de universiteiten. Het aantal universitaire bachelorstudenten nam toe met 34% (circa 55.000 studenten) en het aantal universitaire masterstudenten met 56% (circa 44.000 studenten). Aan de hogescholen was de groei beperkter. Het aantal bachelorstudenten steeg met circa 8% (circa 31.600 studenten) en het aantal masterstudenten met 12% (circa 1.650 studenten). Als gevolg hiervan is het aandeel studenten aan universiteiten toegenomen: van 37% in 2011 naar 43% in 2025. 

Na jaren van aanhoudende groei tot begin jaren 2020 is het aantal studenten recent gaan dalen. Sinds 2023 neemt het totale aan studenten licht af. Recente ramingen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap laten zien dat deze daling zich naar verwachting zal voortzetten in zowel het hoger beroepsonderwijs als het wetenschappelijk onderwijs, zij het met verschillende ontwikkelingen per sector (Brils et al., 2024). 

 

Hoge deelname aan hoger onderwijs in Nedelrand bij 20-24 jarigen, groei vooral zichtbaar bij masters

In 2024 volgde ongeveer 41% van de 20 tot 24-jarigen in Nederland een opleiding in het hoger onderwijs. Dit aandeel is ten opzichte van eerdere jaren licht afgenomen, maar Nederland behoort nog steeds tot de koplopers binnen de referentielanden. In onderstaande grafiek is te zien dat Nederland daarmee in de top-5 staat van de referentielanden.

De groei van het aantal bachelor- en masterstudenten laten internationaal een gemengd beeld zien. Tussen 2013 en 2023 nam het aantal bachelorstudenten in Nederland met 16% toe. Daarmee bevind Nederland zich in de middengroep van de referentielanden. Het aantal masterstudenten groeide in dezelfde periode met 45%. Daarmee behoort Nederland tot de landen met de sterkste groei en staat het op de vierde plaats van de referentielanden waarvoor gegevens beschikbaar zijn.Ondanks deze verschillen ligt de groei van zowel het aantal bachelor- als masterstudenten in Nederland boven het EU27-gemiddelde.

 

In onze internationale vergelijkingen maken we bij het Rathenau Instituut zo veel mogelijk gebruik van een set van twintig referentielanden, die gekozen zijn omdat hun profiel vergelijkbaar is met dat van Nederland. Daarmee bedoelen we dat de economische ontwikkeling, kenmerken van het wetenschapssysteem en het belang van R&D enigszins vergelijkbaar zijn. In deze publicatie zijn steeds alle referentielanden meegenomen waarvoor de benodigde data beschikbaar waren. Er zijn geen data beschikbaar voor onder andere de VS en China, vaak meegenomen in onze internationale vergelijkingen vanwege de sterke groei van R&D.

2. Internationale studenten spelen belangrijke rol in groeiende studentenaantallen hoger onderwijs

In 2025 heeft 14% van de bachelor- en 29% van de masterstudenten in Nederland zowel een buitenlandse nationaliteit als een buitenlandse vooropleiding. Het aandeel internationale studenten ligt aan universiteiten hoger dan aan hogescholen, vooral bij de bacheloropleidingen. Zo is 26% vab de universitaire bachelorstudenten een internationale student, tegenover 8% in het hbo. Bij de masteropleidingen is het verschil kleiner: 29% aan de universiteiten en 27% aan de hogescholen. 

Zoals de onderstaande figuren laten zien, hebben internationale studenten een belangrijke bijdrage geleverd aan de groei van het aantal studenten in Nederland. Tussen 2011 en 2025 groeide het aantal internationale bachelorstudenten met 144% (53.260 studenten) en het aantal internationale masterstudenten met 179% (24.170 studenten). Ter vergelijking: het aantal Nederlandse bachelorstudenten nam in dezelfde periode met 9% (47.140) studenten toe en het aantal Nederlandse masterstudenten met 25% (20.110 studenten). 

Internationale studenten waren daarmee goed voor een substantieel deel van de groei van het aantal studenten: 63% van de groei bij bachelorstudenten en 57% van de groei van het aantal masterstudenten. Bij universiteiten is dit aandeel bij bachelorstudenten nog groter: daar hangt 82% van de groei samen met de toename van internationale studenten. bij masterstudenten ligt dit aandeel met 52% juist iets lager dan gemiddeld.

Recente ontwikkelingen wijzen erop dat deze groei afvlakt. Sinds 2023 was er voor het eerst sprake van een lager aantal nieuwe inschrijvingen van internationale studenten aan de universiteiten en hogescholen ten opzichte van de voorgaande jaren (CBS, 2025).

De meeste internationale studenten komen uit Europese landen (76%), gevolgd door studenten uit Azië (18%). de grootste herkomstlanden zijn Duitsland, Italië, China, Roemenië en Spanje (Nuffic, 2024).

 

Aantal internationale studenten neemt in alle landen toe

Ook internationaal is het aantal internationale studenten in het hoger onderwijs tussen 2013 en 2023 toegenomen. In alle referentielanden in de onderstaande figuur is sprake van groei. De sterkste procentuele stijging is zichtbaar in Duitsland (+278%), gevolgd door Nederland (+273%) en Zuid-Korea (+240%).

In absolute aantallen telt de Verenigde Staten in 2023 de meeste internationale studenten, gevolgd door het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Nederland telt in 2023 237.531 internationale studenten en staat daarmee binnen de referentielanden op de vijfde plaats. binnen de Europese landen in de figuur neemt Nederland de derde positie in, na het Verenigd Koninkrijk en Duitsland.

Aandeel internationale studenten in Nederland relatief hoog, vooral bij masteropleidingen

In internationale vergelijking ligt het aandeel internationale studenten in Nederland relatief hoog. In 2023 is 16% van de bachelorstudenten en 27% van de masterstudenten in Nederland afkomstig uit het buitenland. Bij de bacheloropleidingen behoort Nederland daarmee tot de landen met de hoogste aandelen internationale studenten. Alleen Oostenrijk (19%) en Australië (17%) kennen een hoger aandeel. Nederland neemt daarmee een derde positie in binnen de referentielanden, gevolgd door Canada en het Verenigd Koninkrijk (beide 15%). Bij de masteropleidingen ligt het aandeel internationale studenten in Nederland duidelijk hoger. Met 27% behoort Nederland ook hier tot de landen met de hoogste aandelen internationale studenten. alleen Australië en het Verenigd Koninkrijk (beide 51%) en Zwitserland (32%) kennen een hoger aandeel. Nederland bevindt zich hiermee in de top-5 van de referentielanden en heeft een vergelijkbaar aandeel als Oostenrijk (27%).

Het verschil tussen bachelor- en masteropleidingen is niet uniek voor Nederland. In vrijwel alle referentielanden ligt het aandeel internationale studenten hoger bij masterstudenten dan bij bachelorstudenten. Ook in nederland is dit verschil zichtbaar: het aandeel internationale studenten ligt bij masterstudenten 11 procentpunt hoger dan bij bachelorstudenten. 

Hierbij moet opgemerkt worden dat deze data afwijken van de CBS-data voor Nederland: in de internationale vergelijking worden ook studenten aan privaat gefinancierde instellingen meegeteld. 

3. Ook Nederlandse studenten studeren steeds vaker in het buitenland

Ook steeds meer Nederlandse studenten volgen (een deel van) hun studie in het buitenland (zie figuur 7). Het aantal uitgaande studenten met een Nederlandse vooropleiding is in de afgelopen jaren duidelijk toegenomen. Waar deze groep rond 2010 nog uit ruim 12.000 studenten bestond, groeide dit aantal naar bijna 20.000 studenten in 2020. In 2021 is echter sprake van een lichte daling naar ongeveer 19.000 studenten. Over de gehele periode komt de groei daarmee uit op ruim 50%. Nederlandse studenten kiezen daarbij voor een breed scala aan bestemmingen. In 2021 zijn België, het VK, Duitsland, de VS en Turkije de meest populaire bestemmingen.

Het aantal uitgaande Nederlandse studenten is veel kleiner dan het aantal inkomende buitenlandse studenten. Zo waren er in 2021 ruim vijf keer zoveel inkomende studenten als uitgaande studenten.

4. Sociale wetenschappen zijn populair in Nederland

Onder de bachelorstudenten in het Nederlandse hoger onderwijs zijn sociale wetenschappen en gezondheid de populairste studierichtingen. Van alle bachelorstudenten kiest 26% voor een opleiding in recht en bestuur en 12% voor een opleiding gedrag en maatschappij. 16% kiest voor een opleiding in de gezondheid (inclusief geneeskunde). Dit zijn de drie meest populaire opleidingsrichtingen. 9% van de bachelorstudenten kiest een technische opleiding, 5% voor een opleiding in de IT en 5% een opleiding in de natuurwetenschappen (natuurwetenschappen en wiskunde). 

Internationale bachelorstudenten maken relatief andere studiekeuzes dan Nederlandse studenten, maar het patroon verschilt tussen universiteiten en hogescholen. In het wo kiezen internationale studenten vooral vaker voor de volgende opleidingen:

  • Gedrag en maatschappij (38% tegenover 21%);
  • Informatica (8% tegenover 4%) ;
  • Techniek (12% tegenover 9%). 

Nederlandse studenten kiezen daarentegen vaker voor: 

  • Gezondheid (11% tegenover 1%);
  • Natuurwetenschappen (11% tegenover 7%);
  • Taal en cultuur (9% tegenover 4%);
  • Onderwijs (5% tegenover ongeveer 1%).  

In het hbo valt vooral op dat internationale bachelorstudenten relatief vaker kiezen voor taal en cultuur (24% tegenover 7%) en recht en bestuur (30% tegenover 25%). Nederlandse hbo-bachelorstudenten kiezen juist vaker voor gezondheid (21% tegenover 9%) en onderwijs (16% tegenover 3%).

In de studiekeuzes van bachelorstudenten is sinds 2013 een lichte verschuiving te zien (niet in figuur). Het aandeel dat kiest voor een IT-opleiding groeide met 2,5 procentpunt en natuurwetenschappen met 1 procentpunt. Daartegenover staat een afname van het aandeel studenten dat kiest voor recht en bestuur (-2 procentpunt) en dienstverlening (-2 procentpunt). Ook het aandeel studenten in gezondheid nam licht af (circa 1 procentpunt), evenals het aandeel in onderwijs (circa -1 procentpunt). Ook onder internationale bachelorstudenten zijn verschuivingen zichtbaar (niet in figuur). Het aandeel dat kiest voor gedrag en maatschappij is tussen 2013 en 2025 toegenomen met 9 procentpunt. Ook het aandeel dat kiest voor een IT-opleiding nam toe (+6 procentpunt). evenals het aandeel dat kiest voor een opleiding in de techniek (+4 procentpunt) en natuurwetenschappen (+3 procentpunt). Tegelijkertijd is het aandeel dat kiest voor een opleiding in gezondheid (-10 procentpunt), dienstverlening (-6 procentpunt) en recht en bestuur (-6 procentpunt) afgenomen. 

Ook bij de masterstudenten zien we dat de meeste studenten kiezen voor een opleiding in de sociale wetenschappen (zoals recht en bestuur 23% of gedrag en maatschappij 15%). Ook een opleiding in gezondheid, techniek (beide 13%) en natuurwetenschappen (11%) zijn populair. Masterstudenten kiezen daarmee vaker voor een opleiding in de richting bèta en techniek dan bachelorstudenten. In 2025 kiest in totaal 33% voor van de masterstudenten voor opleiding in de bèta of techniek, tegenover 20% van de bachelorstudenten.

Zoals in bovenstaand figuur te zien is, kiezen internationale masterstudenten net als de bachelorstudenten relatief vaak een opleiding in de richting gedrag en maatschappij (19%, tegenover 13% van de Nederlandse studenten). Ook kiezen zij iets vaker dan Nederlandse studenten voor techniek (17% tegenover 12%), natuurwetenschappen (12% tegenover 11%) en taal en cultuur (11% tegenover 6%).

Onder de masterstudenten is sinds 2013 een nog iets sterkere verschuiving in de studiekeuze dan bij de bachelorstudenten (niet in figuur). Het aandeel masters dat kiest voor een opleiding in de IT nam toe met 4 procentpunt, bij natuurwetenschappen met 3 procentpunt en techniek met 2 procentpunt. Het aandeel masters dat kiest voor een opleiding in onderwijs daalde met 6 procentpunt en het aandeel dat een opleiding kiest binnen de sociale wetenschappen (gedrag en maatschappij, recht en bestuur en dienstverlening) met 2 procentpunt. Met name de Nederlandse masterstudenten maakten anno 2025 vaker de keuze voor een bèta-technische opleiding en minder in de sociale wetenschappen dan in 2013.  Ook de internationale masterstudenten kiezen anno 2025 vooral vaker voor IT (+6 procentpunt) en minder vaak dan in 2013 voor de sociale opleidingen (-2 procentpunt). Van alle studenten in het hoger onderwijs kiest 16% in 2025 voor techniek of IT.

Deze ontwikkelingen moeten met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, omdat veranderingen in de clustering van de opleidingen hebben plaatsgevonden die op de verdeling van invloed kunnen zijn. Vanaf 2017 gebruikt het CBS een andere indeling, om beter aan te sluiten bij de internationale standaarden. Een belangrijke wijziging is dat waar voorheen alle studies van een technische universiteit onder techniek vielen, nu wordt gekeken naar de discipline om de studierichting te bepalen. Deze nieuwe indeling sluit nauwkeuriger aan bij de inhoud van de opleidingen e  n verbetert de internationale vergelijkbaarheid van de gegevens. De nieuwe clustering heeft tot gevolg dat de bovengenoemde wijzigingen minder groot zijn dan ze met de oorspronkelijke indeling zouden zijn geweest.

In onderstaande figuren is te zien wat de studiekeuzes betekenen voor het aandeel internationale studenten per studierichting.

5. Sociale wetenschappen populairder in Nederland dan in meeste andere landen

Studenten in Nederland kiezen gemiddeld vaker voor een opleiding in de sociale wetenschappen. In 2023 kiest 53% (inclusief onderwijs) van de studenten in Nederland voor een sociaalwetenschappelijke opleiding, tegenover 43% gemiddeld in de referentielanden. Het aandeel bèta- en techniekstudenten ligt in de bachelorfase (23%) relatief laag, maar in de masterfase internationaal gezien iets bovengemiddeld (39%). Dit blijkt ook uit de datapublicatie over HO-studenten naar wetenschapsgebied, waarin we inzichten presenteren over de studiekeuzes van alle studenten in Nederland en andere landen.

Hier richten we ons op de keuzes van internationale studenten en hoe die aansluiten bij de behoeften van de Nederlandse arbeidsmarkt. Maken internationale studenten die naar Nederland komen vergelijkbare keuzes met studenten die naar andere landen gaan?

Internationale bachelorstudenten in Nederland kiezen nog vaker voor de sociale wetenschappen dan gemiddeld. In 2023 koos 60% van hen voor een sociaalwetenschappelijke opleiding. Daarmee ligt Nederland aan de top van de referentie landen, samen met Zuid-Korea (60%) en Japan (58%). Het aandeel dat kiest voor een bèta- en techniekopleiding ligt met 23% relatief laag. IN slechts vijf landen ligt dit aandeel ongeveer even laag of lager. Tegelijkertijd is het aandeel studenten dat kiest voor bèta of techniek sinds 2013 wel duidelijk toegenomen. In de meeste landen kiezen internationale bachelorstudenten vaker voor een opleiding in de bèta of techniek dan de nationale studenten.

Bij de masteropleidingen zien we een ander patroon. Het aandeel internationale masterstudenten dat kiest voor een bèta- of techniekopleiding ligt met 39% iets boven het gemiddelde van de referentielanden (37%). Nederland bevindt zich hiermee in de bovenste helft van de ranglijst. Het aandeel dat kiest voor een medische opleiding ligt met 3% duidelijk onder het gemiddelde (10%). Het aandeel internationale masterstudenten dat kiest voor de sociale wetenschappen ligt met 46% iets boven het gemiddelde van de referentielanden (42%). In de meeste referentielanden kiezen internationale masterstudenten vaker voor een opleiding in bèta of techniek en veel minder vaak voor een medische opleiding.

Om de internationale vergelijkingen overzichtelijk te houden, zijn de tien studierichtingen gegroepeerd in vijf studierichtingen, overeenkomstig de indeling in wetenschapsgebieden. Onder bèta vallen de natuurwetenschappelijke en landbouwopleidingen. De IT-opleidingen zijn samengenomen met de technische opleidingen onder de noemer techniek. De gammawetenschappen omvatten opleidingen op het gebied van gedrag en maatschappij, recht en bestuur, dienstverlening en het onderwijs. De opleidingen taal en cultuur zijn hernoemd als alfa-opleidingen en de opleidingen op het gebied van gezondheid als medisch.

6. Behouden van talent uit het hoger onderwijs voor de arbeidsmarkt

Een aantal onderzoeksrapporten geeft aan dat studenten en hoger onderwijsinstellingen kunnen profiteren van internationalisering binnen het hoger onderwijs. Zo gaf een ruime meerderheid van internationale studenten die deelnamen aan het Erasmus+ programma in een enquête aan, dat het een gunstig effect had op hun vaardigheden, competenties en loopbaan. Ook verhoogde het hun kansen op de arbeidsmarkt ten opzichte van niet-mobiele studenten (Europese Commissie 2015 en 2019).

Belangrijkste factoren voor internationale mobiliteit bij de hoger onderwijsinstellingen wereldwijd, zijn de vraag vanuit industrie en bedrijfsleven, de vraag vanuit buitenlandse hoger onderwijsinstellingen en overheidsbeleid (IAU, 2019). Voor de meeste West-Europese hogeronderwijsinstellingen zijn de belangrijkste doelen van internationalisering dan ook: het voorbereiden van studenten op een internationale wereld en hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt verbeteren (90%); en het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs (68%) (EAIE, 2018).

Ook hoger onderwijsinstellingen wereldwijd verwachten dat internationalisering leidt tot betere internationale samenwerking en capaciteitsontwikkeling, evenals hogere kwaliteit van onderwijs en leerprestaties. Als risico’s van internationale studentenmobiliteit noemen de instellingen: toegang tot internationale mobiliteit is beperkt tot studenten met voldoende financiële middelen, moeite met het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijsaanbod bij instellingen in het buitenland en sterke concurrentie met andere hoger onderwijsinstellingen (IAU, 2019). Instellingen wereldwijd zien commercialisering van onderwijsprogramma’s en een brain drain daarnaast als voornaamste maatschappelijke risico’s (IAU, 2019).

Ook het CPB noemt een flink aantal mogelijke effecten van internationalisering van het hoger onderwijs. Met aan de ene kant kwaliteitsverbetering van het onderwijs door meer concurrentie, alsmede meer keuzemogelijkheden voor studenten. Aan de andere kant kan internationalisering leiden tot een numerus fixus op bepaalde studies door snelle stijging van het aantal internationale inschrijvingen en hogere huurprijzen door druk op de woningmarkt. Bij studenten kan internationalisering interculturele competenties bevorderen en daarmee bijdragen aan de productiviteit, internationale netwerken en handelsbetrekkingen. Het kan de leerresultaten van studenten positief, maar ook negatief beïnvloeden (CPB, 2019). Tenslotte kan internationalisering leiden tot een hogere werkdruk voor docenten en consequenties hebben voor de personeelssamenstelling en werkgelegenheid. Concrete data over de omvang van deze effecten van internationalisering zijn niet beschikbaar.

Wel heeft het CPB (2019) berekend dat de komst van internationale studenten een economisch voordeel oplevert voor Nederland. Uit deze kosten-baten analyse blijkt dat internationale studenten de overheid aanvankelijk geld kosten, maar gemiddeld netto meer opleveren doordat een deel van hen na afstuderen in Nederland blijft werken. Het terugverdienen gaat sneller voor studenten die van buiten de grenzen van de Europese Unie afkomstig zijn. Buitenlandse studenten uit EU-landen hebben volgens Europese wetgeving recht op studiefinanciering wanneer zij in Nederland studeren en de onderwijsinstellingen ontvangen een rijksbijdrage voor deze studenten. Hierdoor neemt de Nederlandse overheid een deel van de studiekosten van Europese studenten over, wanneer die studeren aan Nederlandse hogeronderwijsinstellingen. Voor internationale studenten van buiten de grenzen van de Europese Unie geldt dit niet (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023). Maar ook de internationale studenten uit EU-landen leveren de Nederlandse staat economisch gemiddeld meer op dan zij kosten (CPB, 2019). De omvang van dit positieve economische effect hangt samen met het aantal internationale studenten dat na hun afstuderen in Nederland blijft werken.

Daarom kijken we hieronder naar de aansluiting op de arbeidsmarkt van de verschillende studierichtingen, voor Nederlandse en internationale studenten.

Gediplomeerden uit het hoger onderwijs doen het doorgaans goed op de Nederlandse arbeidsmarkt. Anno 2024 was in totaal ruim 93% van alle bachelor- en mastergediplomeerden in de leeftijdscategorie 20 tot 34 jaar die in Nederland wonen, aan het werk. Van de bachelors en masters afkomstig uit Nederland was 94% werkzaam en van de internationale bachelors en masters ruim 86% (Eurostat, 2023). In de onderstaande figuur kijken we naar de arbeidsmarktpositie van internationale en Nederlandse hogeronderwijsstudenten één jaar na afstuderen.

Van de internationale afgestudeerden vertrekt een groot deel binnen een jaar na afstuderen uit Nederland. In figuur 11.1 zien we dat 62% van de internationale studenten die in 2020/2021 afstudeerden, uit Nederland vertrok. Bijna een kwart van de internationale afgestudeerden had één jaar na afstuderen een baan in Nederland. Het resterende deel bestond uit doorstudeerders (5%) en afgestudeerden zonder werk en zonder  uitkering (7%). Van de Nederlandse hogeronderwijsstudenten vertrekt 3% binnen één jaar na afstuderen. Daarnaast gaat een deel doorstuderen 10%) en is een deel niet werkend (5%), waarvan ruim een kwart een uitkering heeft. Ongeveer 78% van de Nederlandse afgestudeerden uit het hoger onderwijs heeft één jaar na afstuderen werk.

De studierichtingen met de hoogste kans op werk één jaar na afstuderen verschillen iets tussen internationale en nationale gediplomeerden. De top-3 studierichtingen met de hoogste kans op werk in Nederland een jaar na afstuderen, bestaat voor de internationale gediplomeerden uit: techniek (38%), natuur (32%) en onderwijs (29%) (zie figuur 11.2). Bij de Nederlandse gediplomeerden is dit onderwijs (81%). In vrijwel alle andere richtingen werkt vindt ongeveer de helft van de afgestudeerden werk (zie figuur 11.3). De kansen op werk in Nederland een jaar na afstuderen zijn het kleinst voor de internationale gediplomeerden in sectoroverstijgende opleidingen (11%), recht (17%) en gedrag en maatschappij (17%). 

Hoogste blijfkans na vijf jaar voor internationale afgestudeerden onderwijs, techniek, natuur en landbouw

Voor de ontwikkelingen in de arbeidsmarktpositie vijf jaar na afstuderen, kijken we naar de lichting die in 2015/2016 is afgestudeerd aan Nederlandse hogeronderwijsinstellingen (zie figuur 12.1). De arbeidsmarktpositie betreft het jaar 2022. Van de Nederlandse afgestudeerden had 69% na vijf jaar werk in Nederland. Verder deed 20% een vervolgopleiding en 4% was vijf jaar na afstuderen vertrokken uit Nederland. 5% had geen werk, waarvan de helft een uitkering had. Voor de internationale afgestudeerden liggen de verhoudingen anders. Het merendeel (81%) was na vijf jaar vertrokken uit Nederland. 12% van de internationale afgestudeerden had na vijf jaar nog werk in Nederland. Ongeveer 5% deed een vervolgopleiding en 2% had geen werk.

Vijf jaar na afstuderen, was nog steeds bijna één op de vijf internationale studenten techniek, natuur en landbouw, die in 2016/2017 afstudeerden, werkzaam in Nederland (zie figuur 12.2). Bij onderwijs was dit zelfs 36%. De blijfkans en kans op werk (zonder uitkering) na vijf jaar was een stuk lager voor internationale studenten die zijn afgestudeerd in de sociale wetenschappen (recht en bestuur 12%, economie 8% en gedrag & maatschappij 7%), taal en cultuur (10%) en gezondheidszorg (8%). Ter vergelijking, voor de Nederlandse studenten waren de studierichtingen met het hoogste percentage werk in Nederland vijf jaar na afstuderen: recht (73%), economie (71%), techniek en landbouw (beide 70%).

Prognoses tot 2030 gunstigst voor techniek en ICT

Uit de prognoses tot 2030 van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA, 2019; 2021; 2023; 2025) blijkt fat de arbeidsmarktperspectieven voor opleidingen in de techniek en ICT het meest gunstig zijn. Ook voor onderwijs blijven de vooruitzichten redelijk tot positief.

Tegelijkertijd zijn er duidelijke verschillen tussen bachelor- en masteropleidingen (zie tabel 1). Voor bachelorgediplomeerden zijn de vooruitzichten in de meeste studierichtingen slecht tot redelijk. Dit geldt onder meer voor de opleidingen economie, gedrag en maatschappij, taal en cultuur, gezondheid en onderwijs. Alleen in enkele richtingen landbouw, techniek en ICT zijn de vooruitzichten gunstig. Voor de mastergediplomeerden zijn de vooruitzichten over het algemeen gunstiger. in de meeste studierichtingen zoals taal en cultuur, techniek en ICT, gezondheidszorg en onderwijs worden de arbeidsmarktperspectieven als goed ingeschat. In andere richtingen zoals economie, gedrag en maatschappij en landbouw zijn de vooruitzichten matig tot redelijk ingeschat (zie tabel 1). 

De resultaten uit de prognose van ROA (2021) moeten wel met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. De vooruitzichten op de arbeidsmarkt kunnen in de tussentijd veranderen, zeker bij conjunctuurgevoelige sectoren. Daarnaast resulteert een afgeronde opleiding ook bij de kansrijkere opleidingen niet per se in baangarantie. De kans op een baan kan namelijk verschillen tussen specifieke opleidingen binnen studierichtingen (CBS, 2023). 

Tabel 1. Arbeidsmarktperspectieven voor bachelors en masters in Nederland periode 2025-2030, naar studierichting.
 Bachelor Master
Economie en recht Matig Redelijk
Gedrag en maatschappij Slecht Matig
Taal en cultuur Matig Goed
Landbouw, wiskunde en natuur Goed Redelijk
Techniek en ICT Goed Goed
Gezondheidszorg Matig Goed
Onderwijs Redelijk Goed

7. Tot slot

Het Nederlandse hoger onderwijs leidt meer studenten op dan ooit tevoren: in 2025 ongeveer 800.000. Sinds 2011 is de omvang van de studentenpopulatie met 20% gegroeid. Die groei leidt tot veel discussie: kunnen onze instellingen voor hoger onderwijs deze groei nog wel opvangen binnen de huidige kaders? Met name de groei van het aantal internationale studenten leidde het afgelopen jaar tot veel discussie.

Deze factsheet laat zien dat het Nederlandse hoger onderwijs veel studenten aantrekt. Vergeleken met andere landen kiezen 20- tot 24-jarigen relatief vaak voor een opleiding in het hoger onderwijs en het aantal masterstudenten neemt sinds 2013 sneller toe dan in de meeste vergelijkingslanden. Ook trekt Nederland veel internationale studenten aan. Het aantal Nederlandse studenten dat in het buitenland studeert neemt ook toe, maar minder sterk en hun absolute aantal is veel kleiner dan het absolute aantal studenten dat naar Nederland komt. Het aandeel internationale studenten ligt zowel in de bachelor- als in de masterfase ruim boven de meeste referentielanden. Alleen Oostenrijk en Australië hebben een groter aandeel internationale bachelorstudenten. Bij de internationale masterstudenten zijn dat de landen Australië, het VK en Zwitserland. 

Internationale studenten zijn dan ook verantwoordelijk voor 63% van de groei bij alle bachelorstudenten en 57% van de groei bij alle masterstudenten in Nederland. Bij de universiteiten zijn zij zelfs verantwoordelijk voor 82% van de groei in bachelorstudenten. Om te zien in hoeverre de mobiliteit bij verschillende studierichtingen in Nederland vergelijkbaar is met die in andere landen, hebben we in deze factsheet ook gekeken naar de studiekeuzes van studenten.

Uit onze internationale vergelijking blijkt dat internationale bachelorstudenten in Nederland, net als Nederlandse studenten, vaker voor een sociaalwetenschappelijke studie kiezen dan internationale studenten in andere landen. Hoewel het aandeel internationale bachelorstudenten in Nederland dat een opleiding in de bèta en techniek kiest internationaal gezien laag is, is dit aandeel wel toegenomen sinds 2013.

Internationale studenten die voor hun masteropleiding naar Nederland komen, kiezen veel vaker dan internationale bachelorstudenten voor een opleiding bèta en techniek. Met 39% is dit internationaal vergeleken bovengemiddeld. Het aandeel dat een sociaalwetenschappelijke opleiding kiest (46%) ligt boven het internationale gemiddelde (42%). Net als in veel andere landen kiezen internationale masterstudenten relatief vaker voor een opleiding in de bèta en techniek dan niet-mobiele masterstudenten en minder vaak voor een medische opleiding. De afgelopen jaren zien we bij de Nederlandse masters ook een verschuiving naar meer bèta en techniek.

Uit de kosten-baten analyse van het CPB blijkt dat internationale studenten de Nederlandse overheid gemiddeld meer opleveren dan de aanvankelijke kosten die de overheid voor deze studenten maakt. De opbrengsten volgen wanneer deze studenten na afstuderen in Nederland blijven werken. Daarom hebben we in deze factsheet ook gekeken in hoeverre de recente verschuiving in studiekeuzes aansluit bij ontwikkelingen op de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst. Daarvoor keken we ook naar de kansen op werk en de blijfkans van gediplomeerden.

Een jaar na afstuderen waren de internationale bèta- en techniek gediplomeerden, evenals de onderwijsgediplomeerden, vaker werkzaam in Nederland dan internationale afgestudeerden in de sociale wetenschappen (zie ook Nuffic, 2022 en CBS, 2023). Ook vijf jaar na het behalen van het diploma, was een groter deel van de internationale afgestudeerden in deze studierichtingen nog werkzaam in Nederland. Voor de Nederlandse afgestudeerden waren de percentages werkzaam in Nederland na vijf jaar het hoogst voor recht, economie en techniek.

In de nabije toekomst biedt een afgeronde studie in met name techniek & ICT, net als een afgeronde studie in taal en cultuur (master), een gunstiger arbeidsmarktperspectief dan een diploma in de sociale wetenschappen (ROA, 2025). De recente verschuiving van internationale en Nederlandse studenten richting meer techniek en ICT verbetert daarmee dan ook de aansluiting bij de arbeidsmarktprognoses.

Effecten studentenmobiliteit vereisen nader onderzoek  

Blijvende aandacht is vereist voor zowel de baten als lasten rondom internationale studenten. Internationale mobiliteit van studenten kan immers nog andere, ook niet-economische effecten hebben op de studenten, instellingen en de maatschappij. Er zijn nog weinig data beschikbaar waarmee de omvang hiervan in kaart kan worden gebracht. Een afweging waarbij de zowel de niet-economische waarde als de mogelijke nadelige effecten van studentenmobiliteit worden meegenomen zou nuttig zijn. Zo’n afweging kan per instelling, opleiding en regio verschillende uitkomsten opleveren en begint bij betere gegevens over de ervaren voor- en nadelen van studentenmobiliteit vanuit meerdere perspectieven.

Landenset/referentielanden in deze publicatie

In onze internationale vergelijkingen maken we zo veel mogelijk gebruik van een set van twintig referentielanden, die gekozen zijn omdat hun profiel vergelijkbaar is met dat van Nederland. Daarmee bedoelen we dat de economische ontwikkeling, kenmerken van het wetenschapssysteem en belang van R&D vergelijkbaar zijn. In deze publicatie zijn steeds alle referentielanden meegenomen waarvoor de benodigde data beschikbaar waren. Er zijn bij dit thema geen geschikte data beschikbaar voor onder andere de VS en China, vaak meegenomen in onze internationale vergelijkingen vanwege de sterke groei van R&D.

CBS (analyses Nederland)

Data van het CBS betreffen data over studenten aan publiek gefinancierde instellingen voor hoger onderwijs. De data zijn niet ontdubbeld; een student die twee opleidingen volgt, komt tweemaal voor in de aantallen. De aantallen zijn per subcategorie op tientallen afgerond, waardoor opgetelde totalen soms niet helemaal overeenkomen.

Een internationale student is bij het CBS is een student die zowel een buitenlandse nationaliteit heeft als zijn hoogst genoten vooropleiding. De vooropleiding betreft de hoogste behaalde vooropleiding vóór het hoger onderwijs. Nederlandse studenten met een migratieachtergrond zitten in de groep studenten uit Nederland, tenzij zij zowel een buitenlandse nationaliteit- als vooropleiding hebben.

In paragraaf 6 zijn er zes categorieën die de arbeidsmarktpositie van de gediplomeerden aanduiden. De categorie Niet in BRP gaat over gediplomeerden die uit Nederland vertrokken zijn of een onbekende arbeidsmarktpositie hebben. Niet alle internationale studenten schrijven zich altijd (direct) uit bij de BRP. Hierdoor kan het aantal studenten in de categorie zonder werk, zonder uitkering hoger zijn dan het werkelijk is. 

De verdeling van opleidingen in HOOP-gebieden in paragraaf 6 is ontleend aan het Hoger onderwijs- en onderzoeksplan. Dit is een periodiek (tweejaarlijks) plan van het ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen met betrekking tot het beleid voor het hoger onderwijs. Deze HOOP-gebieden omvatten: Economie, Gezondheidszorg, Gedrag en maatschappij, Onderwijs, Recht, Taal en cultuur, Landbouw, Natuur, Techniek en Sectoroverstijgend. Meer over de HOOP-gebieden is hier te vinden.

Eurostat en OESO (internationale vergelijkingen)

Tenzij anders aangegeven in de notities bij de grafieken gaat het bij deze databronnen ook om studenten aan publiek gefinancierde instellingen voor hoger onderwijs. Bij enkele analyses konden de studenten aan private instellingen niet worden uitgesloten. De data zijn ontdubbeld: een student die twee opleidingen volgt is ofwel meegeteld bij de opleiding van het hoogste niveau, ofwel de opleiding van zijn hoofdinschrijving.

Een internationaal mobiele student is bij de internationale databronnen een student die zijn vooropleiding in het buitenland heeft gevolgd. Dit is inclusief ‘terugkeerders’: studenten die hun vooropleiding in het buitenland hebben gevolgd, maar wel de nationaliteit bezitten van het land waar ze studeren.

Door deze verschillen kunnen de totalen licht afwijken van die van het CBS en gaat het in de internationale vergelijkingen feitelijk over internationaal mobiele studenten. Het aantal terugkeerders is doorgaans tussen de 0 en 1 procentpunt van de internationaal mobiele studenten. Voor de leesbaarheid spreken we in de factsheet spreken daarom over internationale studenten.

In de internationale vergelijkingen zijn, voor de overzichtelijkheid, de tien studierichtingen gegroepeerd in vijf brede studierichtingen, die overeenkomen met de wetenschapsgebieden:

  • Bèta: natuurwetenschappen en landbouw
  • Techniek; techniek en informatica
  • Medisch: gezondheid
  • Gamma: gedrag en maatschappij, recht en bestuur, onderwijs en dienstverlening
  • Alfa: taal en cultuur

Bolhaar, J., S. Kuijpers, A. Nibbelink (2019). Centraal Planbureau. De economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs en mbo. Geraadpleegd via: De economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs en mbo | CPB.nl

Centraal Bureau voor de Statistiek. (2023, 12 september). Derde van internationale afgestudeerden blijft in Nederland om te werken. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd via: Derde van internationale afgestudeerden blijft in Nederland om te werken (cbs.nl)

Centraal Plan Bureau. (2019). Economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs en mbo. Geraadpleegd via: De economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs en mbo | CPB.nl`

EAIE - European Association of International Education (2018) Barometer: Internationalisation in Europe (second edition) Europese Commissie. (2015). Internationalisation of higher education.  Geraadpleegd via: IPOL_STU(2015)540370_EN.pdf (europa.eu)

Europese Commissie. (2019). Erasmus+ Higher Education Impact Study. Geraadpleegd via: Erasmus+ higher education impact study - Publications Office of the EU (europa.eu)

Hamming, R., M. Heres Hoogerkamp, A.P. Klapper, T. Noordzij, L.Y. Pan en A. Rutten. (2023, 2 mei). Ministerie van Algemene Zaken. Referentieraming OCW 2023. Rapport Rijksoverheid.nl. geraadpleegd via: Referentieraming OCW 2023 | Rapport | Rijksoverheid.nl

IAU - International Association of Universities (2019). 5th Global Survey, Summary. Geraadpleegd via: 5th Global Survey (2019) 

Jongsma, M., Sanders, W., Weeda, C. (2020). Inventarisatie omvang en gevolgen van structureel overwerk aan de Nederlandse universiteiten. Geraadpleegd via: WOinactie-Inventarisatie-Structureel-Overwerk-Universiteiten.pdf (aob.nl)

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2023, 28 juli). Kamerbrief over beheersing internationale studentenstromen in het hoger onderwijs. Kamerstuk | Rijksoverheid.nl. Geraadpleegd via: Kamerbrief over beheersing internationale studentenstromen in het hoger onderwijs | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl

Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap website: Verschillen OCW en CBS in cijfers en indeling van het hoger onderwijs | Toelichting Cijfers | OCW in cijfers

Nuffic. (2023, mei).  Onderzoek Nuffic: instroom internationale studenten vlakt af. Geraadpleegd via: Onderzoek Nuffic: instroom internationale studenten vlakt af | Nuffic

Nuffic. (2022, mei). Stayrate en arbeidsmarktpositie van internationale afgestudeerden in Nederland. Geraadpleegd via: Onderzoek: Hoger onderwijs belangrijke aanvoerroute voor kenniswerkers | Nuffic

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) (2023). De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2028. Via:

ArbeidsmarktInZicht - ROA: Rapport arbeidsmarktprognoses tot 2028

UNL (2023). Artikel: Internationalisering blijft essentieel voor kwaliteit onderwijs | Universiteiten van Nederland