calendar tag arrow download print
Doorgaan naar inhoud

Beter beslissen over datacentra

Rapport
14 april 2022
De noodzaak van een breed publiek perspectief op de digitale infrastructuur
datacentra Infrastructuur Duurzaamheid

Een rondleiding bij een datacentrum op het Amsterdamse sciencepark (ANP/Jean-Pierre Geelen)

Image
Bezoekers worden rondgeleid bij een datacentrum op het Amsterdamse sciencepark
Dit rapport onderzoekt de maatschappelijke betekenis van datacentra en de besluitvorming over hun vestiging. Het maakt inzichtelijk wat datacentra zijn en hoe ze werken, welke kwesties er spelen in de discussie over hun vestiging en hoe deze kwesties op dit moment bestuurd worden. De analyse mondt uit in vijf aanbevelingen voor een goede publieke governance van de digitale infrastructuur.

Het Rathenau Instituut pleit ervoor om bij de ontwikkeling van beleid, niet te focussen op de grote datacentra die nu volop in de belangstelling staan, maar te kijken naar de hele infrastructuur die de digitalisering van onze samenleving mogelijk maakt. De vraag wat we in Nederland met deze infrastructuur willen, zou het onderwerp moeten zijn van een maatschappelijk debat. Naast bestuurders en deskundigen, moeten ook burgers daarbij betrokken zijn. Om dat debat te voeden, is meer kennis nodig, bijvoorbeeld over de financieel-economische voordelen van datacentra.

Downloads

Downloads

Samenvatting

In december 2021 raakte de maatschappelijke en politieke discussie over de vestiging van datacentra in een stroomversnelling. Aanleiding waren de plannen van Facebook-moederbedrijf Meta om in Zeewolde een zogenoemd hyperscale datacentrum te bouwen. Om dit datacentrum van de grootste categorie mogelijk te maken, wilde de gemeenteraad het bestemmingsplan voor het betreffende grondgebied wijzigen. Over nut, noodzaak en wenselijkheid van dit soort faciliteiten in Nederland werd veel gesproken in pers en politiek. Er waren zorgen over onder andere de verhouding tussen het energie- en grondstoffengebruik van datacentra en hun maatschappelijke en economische meerwaarde. Ook was er kritiek op de wijze waarop de besluitvorming over de vestiging van datacentra bestuurlijk is ingericht.

Dit rapport onderzoekt de maatschappelijke betekenis van datacentra en de besluitvorming over hun vestiging. Het maakt inzichtelijk wat datacentra zijn en hoe ze werken, welke kwesties er spelen in de discussie over hun vestiging, en hoe deze kwesties op dit moment bestuurd worden. De analyse is gebaseerd op berichten in de pers, verslagen van raadsvergaderingen en parlementaire debatten, beleidsstukken en wetenschappelijke en technische literatuur. Daarnaast is gebruik gemaakt van informatie uit gesprekken met experts en stakeholders, voor extra achtergrond, perspectieven en duiding. De analyse mondt uit in vijf aanbevelingen voor een goede publieke governance van de digitale infrastructuur.

Datacentra in de digitale infrastructuur

Hoofdstuk 1 beschrijft wat datacentra zijn, waarvoor ze dienen en hoe ze zich ontwikkelen. We hanteren daarbij de volgende drie uitgangspunten.

  1. Datacentra verschillen onderling in allerlei opzichten. Argumenten in de discussie kunnen zodoende op verschillende manieren relevant zijn voor diverse types datacentra.
  2. Datacentra zijn onderdeel van een veelomvattende digitale infrastructuur, die ook andere fysieke componenten heeft (zoals netwerkkabels en zendmasten). Voor het aanbieden en afnemen van digitale producten en diensten maken mensen en organisaties gebruik van al deze componenten, in hun onderlinge samenhang (als in een soort ecosysteem). Bij de maatschappelijke beoordeling van datacentra kunnen we dit soort faciliteiten dus niet in isolatie zien.
  3. De digitale infrastructuur hangt samen met andere infrastructuren en voorzieningen, bijvoorbeeld op het gebied van energie. Hierdoor ontstaan interacties op verschillende schalen: lokaal, regionaal, nationaal en zelfs mondiaal.

Een waaier van kwesties

In hoofdstuk 2 inventariseren we welke vraagstukken er spelen in de discussie over datacentra. Het publieke en politieke debat laten zien dat er bij de vestiging van datacentra diverse waarden en belangen in het spel zijn. Er spelen kwesties die clusteren rond waarden op het gebied van duurzaamheid, op financieel-economisch gebied en op het gebied van veiligheid. Soms zijn deze waarden met elkaar in conflict. We gaan na hoe de genoemde kwesties relevant zijn voor verschillende soorten datacentra, binnen grotere (digitale) infrastructuren en ecosystemen, en op verschillende geografische en bestuurlijke schalen.

Vraagstukken op het gebied van duurzaamheid hebben onder andere te maken met de impact van verschillende types datacentra op basisvoorzieningen zoals energie, water en ruimte. Zo is er discussie over de relatie tussen hun vestiging en de beschikbaarheid van dergelijke voorzieningen, die immers niet onuitputtelijk zijn. Ook gaat de discussie over de interacties tussen de digitale infrastructuur waar datacentra onderdeel van zijn, en de technische infrastructuren die nodig zijn om basisvoorzieningen te realiseren (zoals energienetten). We gaan ook in op de inspanningen die al geleverd worden om de werking van datacentra te verduurzamen.

Financieel-economische kwesties gaan enerzijds over wat de vestiging van datacentra oplevert aan diverse partijen. Dat kan direct in de vorm van opbrengsten voor bedrijven, individuen of overheden, of meer indirect als stimulans voor de lokale, regionale of nationale economie. Daarbij gaat het er bijvoorbeeld om in hoeverre een nieuw datacentrum bijdraagt aan de werkgelegenheid of andere economische bedrijvigheid aantrekt. Ook kunnen de nieuwe datacentra voorzien in de digitale behoeften van bestaande bedrijven. Hoe groot zijn deze baten en bij wie komen ze terecht? Anderzijds gaat de discussie over wat datacentra de gemeenschap kosten, en hoe deze kosten zich verhouden tot hun financiële of economische baten. Het antwoord op deze vragen verschilt opnieuw per type datacentrum, en hoe dat past binnen een groter digitaal ecosysteem.

Het internet is een wereldwijde infrastructuur die niet ophoudt bij onze landsgrenzen. Daardoor kunnen datacentra, zendmasten en kabels ook voorwerp zijn van geopolitiek getouwtrek. Zorgen omtrent markmacht, gegevensbescherming en digitale veiligheid zijn hierop van invloed. Nederland en Europa hebben in dit mondiale verband gedeelde, maar ook eigen belangen. Hoe die het beste gediend worden, is geen uitgemaakte zaak. Zo klinkt geregeld de roep om meer digitale soevereiniteit – maar dat is geen eenduidig begrip.

De publieke governance van kwesties rondom datacentra

In hoofdstuk 3 beschrijven we de governance van kwesties rondom datacentra zoals die nu vormt krijgt op verschillende bestuurlijke niveaus: nationaal, provinciaal en gemeentelijk. Welke vraagstukken komen in het besluitvormingsproces over de vestiging van datacentra aan bod? Wie is er bij de besluitvorming betrokken? Is er beleid dat de besluitvorming schraagt, en hoe verhoudt dit zich tot het publieke debat? Vindt er afstemming plaats tussen governance-initiatieven op verschillende bestuurlijke niveaus?

Publieke governance zien we als het collectief besturen van maatschappelijke problemen in onze samenleving. Multi-level governance houdt in dat er bij het besturen van deze problemen, samenwerking plaatsvindt over de grenzen van bestuurslagen heen. Daarbij gaat het om grenzen tussen gemeenten, provincies en de nationale overheid, maar ook tussen gemeenten of regio’s onderling, inclusief de voor die bestuurslaag relevante belanghebbenden. Bij de aanpak van kwesties rondom de vestiging van datacentra is er op meerdere locaties en op verschillende bestuurlijke niveaus, sprake van zulke samenwerking. In de besluitvorming is aandacht voor een groeiend aantal kwesties, en op verschillende bestuurlijke niveaus wordt gewerkt aan beleid om de vestiging van datacentra in goede banen te leiden. Desondanks volstaan de huidige vormen van multi-level governance niet om alle in hoofdstuk 2 besproken problemen adequaat te besturen.

Daar zijn drie redenen voor.

  1. Binnen de huidige multi-level governance worden niet alle relevante kwesties en belangen al systematisch meegewogen in de besluitvorming. Financieel-economische kwesties zijn duidelijk geïnstitutionaliseerd; andere kwesties zijn dat in veel mindere mate.
  2. De bestaande nationale beleidskaders voor de vestiging van datacentra bieden onvoldoende houvast voor uitvoering op decentraal niveau. Het bestaande beleid is daarbij ook fragmentarisch: het focust op losse onderdelen van de digitale infrastructuur (zoals toegangsnetwerken of datacentra, maar niet hun onderlinge relaties). Bovendien mist het huidige beleid een visie op de doelen die de groei van de datacentrasector zou moeten dienen.
  3. De rollen die verschillende partijen in de besluitvorming hebben, zijn niet helder. Voor burgers en hun politieke vertegenwoordigers is niet inzichtelijk hoe in het besluitvormingsproces, verschillende belangen tegen elkaar afgewogen worden. De participatie van diverse stakeholders is niet goed geregeld.

Aanbevelingen

In hoofdstuk 4 doen we vijf aanbevelingen aan het kabinet voor een goede publieke governance van kwesties rondom datacentra. Daartoe pleiten we voor de ontwikkeling van een maatschappelijk gedragen, richtinggevend nationaal beleidskader voor de digitale infrastructuur in Nederland. We doen suggesties voor de nadere invulling van dit beleid en voor het proces eromheen. Ook benadrukken we het belang van maatschappelijk debat en van betrouwbare kennis.

De aanbevelingen in het kort.

  1. Ontwikkel een integraal, nationaal beleidskader voor de digitale infrastructuur van Nederland.
  2. Initieer een brede maatschappelijke nut-en-noodzaakdiscussie om het beleid te voeden.
  3. Gebruik de principes van het Nederlandse energiebeleid als model voor het digitale-infrastructuurbeleid.
  4. Borg de democratische bestuurbaarheid van onze digitale infrastructuur.
  5. Zet een onderzoeksprogramma op om kennis te genereren voor het publieke debat en het digitale-infrastructuurbeleid.

Een uitgebreide toelichting op deze vijf punten staat onder het tabblad Aanbevelingen.

Aanbevelingen

Op basis van de bevindingen in dit rapport formuleren we vijf aanbevelingen voor het kabinet voor een goede publieke governance van vraagstukken rondom datacentra in Nederland. Een dergelijke governance vraagt om nauwe samenwerking tussen overheden op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau, en met diverse stakeholdergroepen. Om die samenwerking goed te laten verlopen, moeten betrokkenen terug kunnen vallen op een maatschappelijk gedragen, richtinggevend nationaal beleidskader. We doen suggesties voor de nadere invulling van dit beleid en het proces eromheen. Ook benadrukken we het belang van maatschappelijk debat en betrouwbare kennis.

1 Ontwikkel een integraal, nationaal beleidskader voor de digitale infrastructuur van Nederland

In zijn coalitieakkoord kondigt het kabinet-Rutte IV aan een visie te gaan formuleren op de vestiging van zeer grote datacentra: faciliteiten die een ‘onevenredig groot beslag leggen op de beschikbare energie’ in verhouding tot hun maatschappelijke en economische meerwaarde.[1] Deze studie laat zien dat datacentra onderdeel vormen van een groter digitaal ecosysteem voor de uitwisseling, verwerking en opslag van data, dat de grenzen kan overstijgen van regio’s en zelfs landen. Het in goede banen leiden van de ontwikkeling van dit ecosysteem, vraagt om een heldere toekomstvisie voor de gehele digitale infrastructuur, waarvan datacentra onderdeel zijn.

Met de Nederlandse digitaliseringsstrategie formuleert de nationale overheid jaarlijks ambities voor de digitalisering van het bedrijfsleven en de publieke dienstverlening. Het ultieme doel daarbij is om Nederland ‘digitaal koploper van Europa’ te maken (Nederland Digitaal z.d.). Het coalitieakkoord onderschrijft deze doelstelling. Waarin Nederland precies koploper wil zijn, vraagt echter om concretisering. Bovendien is nog onduidelijk wat deze ambitie betekent voor de uitbouw van de digitale infrastructuur. Ook roept ze de vraag op hoe de gestelde doelen zich verhouden tot de ‘selectieve groei’ van datacentra die de huidige kaders voor vestiging in het vooruitzicht stellen, zoals de routekaart, de NOVI en de bijbehorende uitvoeringsagenda. Selectiviteit wordt nu met name in verband gebracht met ruimtelijke inpassing. Maar zoals dit rapport laat zien, zijn er nog tal van andere kwesties die adequaat bestuurd moeten worden, bijvoorbeeld op het vlak van energie- en watergebruik of veiligheid.

Het ecosysteemkarakter van de essentiële digitale infrastructuur behoeft een integraal beleidskader. Dit vraagt om afstemming over verschillende beleidsdomeinen heen. De bevoegdheid voor digitale zaken ligt nu verspreid over meerdere departementen: Economische Zaken en Klimaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en tot op zekere hoogte Justitie en Veiligheid. Omdat de digitale infrastructuur ruimtelijk ingepast moet worden, is er ook een rol weggelegd voor het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. In Zeewolde, waar sprake was van herbestemming van landbouwgrond van het Rijk, speelden ook belangen die behartigd worden door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Al deze departementen benaderen infrastructurele kwesties vanuit een ander perspectief, waarbij ze verschillend denken over wat wel of niet tot het Nederlandse digitale ecosysteem behoort en waartoe dit systeem dient. Gaat het bijvoorbeeld alleen om een fysieke infrastructuur (de focus van dit rapport) of ook om data en algoritmen? Deze verschillen dienen overbrugd te worden om integraal nationaal beleid mogelijk te maken.

2 – Initieer een brede maatschappelijke nut-en-noodzaakdiscussie om het beleid te voeden

Integraal beleid vertrekt vanuit een heldere visie op de maatschappelijke behoeften waarin de digitale infrastructuur moet voorzien. In het huidige debat over datacentra ligt de focus veelal op de onwenselijke gevolgen van het al dan niet vestigen van datacentra, zowel bij voor- als tegenstanders. Gedragen beleid vereist inzicht in de vraag welke eisen we als samenleving stellen aan onze digitale voorzieningen. In welke economische en maatschappelijke behoeften moet de digitale infrastructuur helpen voorzien? En opnieuw: gaat het dan om datacentra, kabels en zendmasten of ook om data en algoritmen? Pas als de maatschappelijke eisen duidelijk zijn, wordt het mogelijk om de kosten en baten van vestiging van specifieke infrastructuurcomponenten, goed tegen elkaar af te wegen.

Duidelijkheid hierover vereist een breed gevoerde nut-en-noodzaakdiscussie. Aan de vraag over onze infrastructuurbehoefte ligt immers een meer fundamentele kwestie ten grondslag die ons allen aangaat: hoe willen we de samenleving van de toekomst gaan vormgeven? Het antwoord op deze vraag moet de basis vormen voor het te ontwikkelen beleid. Het bepaalt immers mee wat voor soort digitale koploperpositie Nederland al dan niet zou moeten nastreven, binnen een ecosysteem dat wereldwijde vertakkingen heeft. Daartoe is behoefte aan een publiek debat; in de discussie staan immers waarden centraal. Burgers horen er dus minstens evenveel inbreng te hebben als bestuurders of experts. Een maatschappelijk debat komt echter niet vanzelf tot stand; er is een aanjager nodig om het op gang te brengen. Gezien het regio-overstijgende belang van de vraagstukken die spelen, ligt een coördinerende rol voor de Rijksoverheid hier voor de hand.

3 - Gebruik de principes van het Nederlandse energiebeleid als model voor het digitale-infrastructuurbeleid

Een multi-level governance van de kwesties die de vestiging van datacentra oproept, vereist dat bestuurders op lokaal, regionaal en nationaal niveau terug kunnen vallen op een gedeeld referentiekader. Daarbij moet de vraag centraal staan welke publieke waarden het digitale-infrastructuurbeleid zou moeten dienen. Helderheid hierover is nodig, opdat het relatieve belang van verschillende publieke waarden, over de bestuurlijke grenzen heen afgewogen zou kunnen worden. Het Nederlandse energiebeleid kan daarbij als model dienen.

Het huidige Nederlandse energiebeleid heeft tot doel een schone, betrouwbare, betaalbare, veilige en ruimtelijk inpasbare energievoorziening te realiseren (bv. EZ 2016). Ons onderzoek laat zien dat deze waarden ook van belang zijn voor de digitale infrastructuur. Iedereen wil graag betrouwbare digitale voorzieningen (snelle verbindingen, weinig storingen), die tevens veilig zijn (bijvoorbeeld goed stand houden tegen ongewenste indringers). Daarnaast moeten ze zo duurzaam mogelijk gerealiseerd worden. Hun verschillende componenten moeten goed ruimtelijk worden ingepast. Tenslotte willen we dat de kosten voor de gemeenschap altijd betaalbaar zijn.

Deze verwantschap in waarden binnen het digitale en het energiedomein is niet zo vreemd. De digitale infrastructuur is zo cruciaal geworden voor onze economische en sociale bedrijvigheid, dat ze kenmerken heeft van een nutsvoorziening: een essentiële voorziening van algemeen belang.[2] Nutsvoorzieningen kunnen in publieke handen zijn, in private handen of een combinatie van beide, zoals de energievoorziening in Nederland. Die is deels publiek (de fysieke componenten van de energie-infrastructuur, zoals de transmissie- en distributienetten, worden uitgebaat door een nutsbedrijf) en deels privaat (de partijen die energie leveren, zijn commerciële bedrijven). De digitale infrastructuur daarentegen is nagenoeg geheel in private handen (vgl. Steltman 2020). Maar dat we er allemaal van afhankelijk zijn, betekent ook dat er publieke belangen mee verbonden zijn. Het digitale-infrastructuurbeleid dient hier rekening mee te houden. Belangrijke publieke waarden voor het digitale domein zoals betrouwbaarheid, betaalbaarheid, veiligheid, ruimtelijke inpasbaarheid en duurzaamheid, dienen verhelderd en geoperationaliseerd te worden. Samenwerking tussen overheden, de IT-sector en andere stakeholders is hier van belang. Voor de afweging van waarden moet het politieke debat leidend zijn.

Bij het operationaliseren van publieke waarden voor de digitale infrastructuur kan Nederland ervoor kiezen aan te sluiten bij initiatieven die al genomen worden op Europees niveau, bijvoorbeeld voor het bevorderen van de duurzaamheid, veiligheid en betrouwbaarheid van digitale voorzieningen (CERRE 2021). In het kader van de Green Deal stelt de Europese Commissie zich tot doel de energie-efficiëntie van de digitale sector te verbeteren, onder andere door onderdelen van de bestaande Energy Efficiency Directive ter herschikken, zodat ze ook betrekking hebben op datacentra.[3] Ook wil de Commissie de overgang van bedrijven naar een circulair productiemodel versnellen via aanscherping van wetgevende initiatieven op het gebied van ecodesign, bijvoorbeeld voor servers en opslagmedia.[4] Het kabinet kan ook voortbouwen op Europese inspanningen op het gebied van cyberveiligheid (zoals de herziening van de NIS-richtlijn [5]) en ten behoeve van de betrouwbaarheid van vitale infrastructuur (de uitbreiding van de European Critical Infrastructure Directive [6]) (ibid.; EC z.d.). Een recent Europees rapport (CERRE 2021) doet daarnaast nog suggesties ter bevordering van de betaalbaarheid van digitale voorzieningen en hun ruimtelijke inpasbaarheid, onder andere in relatie tot de uitbouw van de energienetten.

Een verregaander beleidsoptie ter bevordering van de duurzaamheid van de digitale infrastructuur is het stimuleren van data-efficiëntie, naar analogie van het streven naar energie-efficiëntie. De vraag is dan hoe dit gestimuleerd kan worden onder gebruikers van digitale technologie en data, maar ook onder ontwikkelaars van software en algoritmen. In beide gevallen zal het beleid allereerst gericht moeten zijn op het vergroten van het bewustzijn van de impact die onze datavraag heeft op onze leefomgeving en allen die daar gebruik van maken.

4 – Borg de democratische bestuurbaarheid van de digitale infrastructuur

Omdat onze digitale infrastructuur inmiddels kenmerken heeft van een essentiële nutsvoorziening, dient ze ook democratisch bestuurbaar te zijn. Concreet betekent dit dat het kabinet en lagere overheden voorwaarden moeten kunnen stellen aan de inrichting en het gebruik ervan, en dat parlement, Provinciale Staten en gemeenteraden op deze voorwaarden moeten kunnen toezien. Op dit vlak spelen twee uitdagingen: de macht van de bedrijven die deze infrastructuur beheren en het gebrek aan openbaarheid in het huidige politieke debat en de besluitvorming rond datacentra en andere onderdelen van deze infrastructuur. 

De eerste uitdaging hangt ermee samen dat digitale netwerken en datacentra op dit moment grotendeels in private handen zijn, en dat hun beheerders vaak gevestigd zijn in andere landen, zelfs ver buiten Europa. Daardoor vallen ze onder andere jurisdicties, en is het lastig om vanuit Nederland voorwaarden te stellen en de naleving ervan af te dwingen. Ons land draagt nu al bij aan allerlei initiatieven die de uitbouw van een Europese digitale infrastructuur moeten helpen bevorderen, en zodoende burgers, bedrijven en overheden meer zeggenschap geven over de data die ze genereren. Een voorbeeld daarvan zijn initiatieven voor de uitbouw van een Europese cloudsector. Maar het kabinet zou ook kunnen overwegen of voor de opslag van bepaalde categorieën van data, gebruik gemaakt moet worden van publieke infrastructuur (in nationaal of Europees verband). Dat zou het mogelijk maken om veel strengere voorwaarden te stellen aan de wijze waarop dit soort data worden opgeslagen, bewerkt of uitgewisseld –vanuit een streven naar veiligheid of betrouwbaarheid, maar ook vanuit publieke waarden als privacy, non-discriminatie of rechtsbescherming.

Een tweede belangrijke uitdaging is het gebrek aan transparantie in het huidige publieke en politieke debat en de besluitvorming over de vestiging van onderdelen van onze digitale infrastructuur. Democratische bestuurbaarheid houdt in dat burgers en hun verkozen vertegenwoordigers, bestuurders ter verantwoording kunnen roepen als blijkt dat zij zich niet houden aan het vastgestelde beleid. Op dit moment is er nog veel onduidelijkheid over de verdeling van bevoegdheden bij de uitvoering van gemaakte afspraken. Bovendien blijft voor burgers en hun vertegenwoordigers vaak verborgen hoe diverse (publieke) waarden meewogen worden in een besluitvormingsproces. Voor goede democratische controle moet altijd helder zijn wie welke beslissing neemt, en wat daarbij de referentiekaders zijn.

5 – Zet een onderzoeksprogramma op om kennis te genereren voor het publieke debat en het digitale-infrastructuurbeleid.

In de maatschappelijke en politieke discussie over datacentra zullen verschillende waarden en belangen tegen elkaar afgewogen moeten worden. Daarbij is er behoefte aan betrouwbare informatie. Op dit moment wordt het debat geplaagd door tal van kennisonzekerheden. Zo is er nog onvoldoende degelijke kennis over de impact van datacentra op de watervoorziening.[7] De energieconsumptie van datacentra in Nederland wordt op diverse manieren gemonitord, maar het is onduidelijk hoe deze zich verhoudt tot die in andere landen.[8] Ook over de financieel-economische betekenis van datacentra zijn nog veel vragen. Dat is opmerkelijk omdat juist economische argumenten een belangrijke rol spelen in de politieke oordeels- en besluitvorming. Dit gebrek aan kennis dreigt het formuleren van beleid voor onze digitale infrastructuur te frustreren.

Om deze situatie te verhelpen, dient de Rijksoverheid een onderzoeksprogramma op te zetten dat bedacht is vanuit concrete behoeften op het gebied van kennis voor beleid. In welke behoeften dit onderzoek moet voorzien, moet nog omvattend in kaart worden gebracht. Wel is duidelijk dat er behoefte is aan nieuwe methoden voor het genereren van cijfermateriaal. Zo geven de meeteenheden die het vaakst gebruikt worden bij het vaststellen van de energie-efficiëntie van datacentra beperkt inzicht in de energieprestaties van dit soort faciliteiten (CERRE 2021).[9] Het onderzoek dat gedaan is, biedt daardoor slechts een gedeeltelijke verklaring voor situaties die het resultaat zijn van een complex geheel aan factoren (Babinet 2021). Toch is dergelijk inzicht cruciaal als richtsnoer voor beleid. Bovendien kan het bijdragen aan meer bewustzijn van de impact van het gebruik van digitale technologie op onze leefomgeving.

Naast empirisch onderzoek, is er behoefte aan verheldering van conceptuele kwesties. Zo vereist de beoordeling van veiligheidskwesties keuzes over wat we verstaan onder digitale soevereiniteit, en voor wie en waarvoor die nodig is. Door dat te verhelderen, krijgen we beter zicht op wat er precies nodig is om ons van een dergelijke soevereiniteit kunnen verzekeren.

 

[1] Zie https://www.kabinetsformatie2021.nl/binaries/kabinetsformatie/documenten/publicaties/2021/12/15/coalitieakkoord-omzien-naar-elkaar-vooruitkijken-naar-de-toekomst/coalitieakkoord-2021-2025.pdf.

[2] Het gegeven dat de NCTV ‘internet en datadiensten’ en ‘internettoegang en dataverkeer’ als vitale processen beschouwt (zie noot 9), wijst hier ook op.

[3] Proposal for a directive of the European Parliament and of the Council on energy efficiency (recast) (COM/2021/558 final).

[4] Een voorbeeld van een bestaande verordening op dit gebied is Commission regulation (EU) 2019/424 of 15 March 2019 laying down ecodesign requirements for servers and data storage products pursuant to Directive 2009/125/EC of the European Parliament and of the Council and amending Commission Regulation (EU) No 617/2013. Daarnaast zijn er in Europa diverse meer vrijblijvende afspraken, normen en standaarden gedefinieerd ter bevordering van uitstootreductie in de sector, waar bedrijven zich bij kunnen aansluiten. Voorbeelden zijn de European Code of Conduct for Data Centres (gelanceerd in 2008), een initiatief van de Europese Commissie, en het Climate Neutral Data Centra Pact (2021), vanuit de industrie, beide gericht op energie-efficiëntie.

[5] Directive (EU) 2016/1148 of the European Parliament and the Council of 6 July 2016 concerning measures for a high common level of security of network and information systems across the Union (Network and Information Security Directive).

[6] Council directive 2008/114/EC of 8 December 2008 on the identification and designation of European critical infrastructures and the assessment of the need to improve their protection.

[7] Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voert op dit moment onderzoek uit voor het beter in beeld krijgen van het leidingwatergebruik van de informatie- en telecommunicatiesector, waaronder datacentra. De resultaten hiervan worden verwacht in de loop van 2022. Zie Kamerstukken II, 2021/2022, 27625, nr. 557 (brief voor het Wetgevingsoverleg Water van 22 november 2021).

[8] Kamerstukken II, 2021/2022, 21501-33, nr. 916. Het CBS brengt in kaart hoeveel elektriciteit er via het openbare net geleverd wordt aan bedrijven met als hoofdactiviteit ‘datacentrum’. Een deel van de datacentra rapporteert over energieverbruik aan RVO, via de meerjarenafspraken energie-efficiëntie en de informatieplicht energiebesparing. Zie Kamerstukken II, 2020/2021, 32813, nr. 675 (bijlage bij kamerbrief). Dat de vergelijking met andere landen lastig te te maken is, ligt onder andere aan het feit dat energieverbruik elders niet systematisch (of op dezelfde wijze) gemonitord wordt (CERRE 2021). In Europees verband moet de herschikking van de Energy Efficiency Directive die situatie gaan verhelpen (ibid.). 

[9] Een voorbeeld hiervan is de power usage effectiveness (PUE), de meest gebruikte metric voor het vaststellen van de energie-efficiëntie van datacentra. PUE betreft echter alleen energieverbuik door koeling en verlichting in de faciliteit – niet de efficiëntie van het energieverbruik van de in het datacentrum opgestelde apparatuur.