Wikken en weten
Studie over de relatie tussen vertrouwen in wetenschap en misinformatie op sociale media
Rapport
Downloads
Welke relaties zijn er tussen het socialemediagebruik van Nederlanders, hun geloof in wetenschappelijke misinformatie, hun vertrouwen in de wetenschap en de diversiteit van hun wetenschappelijk informatiedieet? En welke factoren beïnvloeden hoe mensen oordelen over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van wetenschappelijke (mis)informatie op sociale media? Dat zijn de twee deelvragen die het rapport 'Wikken en weten' behandelt.
Voor het onderzoek analyseerde het Rathenau Instituut circa 8.500 vragenlijsten die werden ingevuld door een representatieve steekproef van de Nederlandse samenleving. Ook organiseerde het instituut zeven focusgroepen, waarin deelnemers verschillende socialemediaberichten kregen voorgelegd.
Of mensen misinformatie op sociale media geloven, hangt voor een belangrijk deel samen met hun ervaringen in de offline wereld. Wie negatieve gevolgen van misinformatie op sociale media wil bestrijden, moet dus een brede aanpak hanteren, waarin ook aandacht is voor de voedingsbodem bij de ontvangers.
Burgers, opiniemakers en beleidsmakers maken zich zorgen over de effecten van misinformatie op sociale media. Het idee leeft dat misinformatie op sociale media invloed heeft op beslissingen van mensen: dat ze hierdoor zichzelf (of hun kinderen) niet meer laten vaccineren, dat ze geen zonnebrandcrème meer smeren, dat ze hun kraanwater gaan filteren of dat ze niet meer meedoen aan maatregelen om klimaatverandering te voorkomen. Meer algemeen bestaat de vrees dat misinformatie over wetenschappelijke onderwerpen het publiek vertrouwen in wetenschap schaadt. Dit zijn ernstige zorgen, omdat vertrouwen in de wetenschap en in wetenschappelijke informatie van cruciaal belang zijn voor een goed functionerende democratie.
Uit wetenschappelijke literatuur blijkt echter dat de relatie tussen het bestaan van wetenschappelijke misinformatie op sociale media, het geloof in deze misinformatie en vertrouwen in de wetenschap complex is en contextafhankelijk. Inzichten uit andere landen zijn niet een-op-een te vertalen naar de Nederlandse situatie. Daarom heeft het Rathenau Instituut onderzoek gedaan naar de relatie tussen publiek vertrouwen in de wetenschap en geloof in wetenschappelijke misinformatie op sociale media in Nederland. Dit onderzoek voerden we uit aan de hand van twee deelvragen.
Deelvraag 1
Welke relaties zijn er tussen het socialemediagebruik van Nederlanders, hun geloof in wetenschappelijke misinformatie, hun vertrouwen in de wetenschap en de diversiteit van hun wetenschappelijk informatiedieet?
Hiermee onderzochten we de volgende impliciete vooronderstellingen uit het publieke debat:
- Wetenschappelijke misinformatie circuleert met name op sociale media.
- Mensen die tijd doorbrengen op sociale media worden aan die misinformatie blootgesteld.
- Hoe groter die blootstelling is, hoe groter de kans is dat mensen die misinformatie gaan geloven.
- Wanneer mensen misinformatie eenmaal geloven, leidt dit onder andere tot een erosie van vertrouwen in de wetenschap.
We voegden diversiteit aan wetenschappelijk informatiedieet toe aan deze vraag omdat mensen via verschillende kanalen met wetenschappelijke (mis)informatie in aanraking kunnen komen. Wij vermoedden dat dit mogelijk negatief samenhangt met geloof in misinformatie en/of positief correleert met vertrouwen in de wetenschap.
Deelvraag 2
Welke factoren beïnvloeden hoe mensen oordelen over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van wetenschappelijke (mis)informatie op sociale media?
Deze vraag concretiseert de abstracte begrippen 'wetenschap' en 'vertrouwen'. Om deze vraag te beantwoorden, legden we de mechanismen en strategieën bloot die mensen in het dagelijks leven gebruiken om te oordelen over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van wetenschappelijke (mis)informatie die zijn op sociale media tegenkomen.
Deze twee deelvragen samen boden ons de mogelijkheid een genuanceerd beeld te schetsen over de relatie tussen publiek vertrouwen in de wetenschap en geloof in wetenschappelijke misinformatie op sociale media.
Antwoord op deelvraag 1
Het antwoord op deze deelvraag is gebaseerd op vragenlijstonderzoek naar vertrouwen in de wetenschap, uitgevoerd in 2025. De bijna 8.500 respondenten vormden een representatieve steekproef van de Nederlandse samenleving en kregen vragen voorgelegd over hun vertrouwen in de wetenschap, hoe ze in aanraking komen met wetenschappelijk informatie, hoeveel tijd ze doorbrengen op sociale media en wat het voornaamste platform is dat zij gebruiken, en hun geloof in verschillende (mis)informatiestellingen.
Uit dit deelonderzoek blijkt dat mensen die meer in wetenschappelijke misinformatie geloven, minder vertrouwen hebben in de wetenschap. Dit geldt zowel voor vertrouwen in specifieke wetenschappelijke domeinen, als voor de wetenschap als geheel.
We vinden echter geen verband tussen socialemediagebruik en vertrouwen in de wetenschap: mensen die meer tijd op sociale media doorbrengen, hebben niet meer of minder vertrouwen in de wetenschap. We vinden wel een verband tussen de tijd die mensen doorbrengen op sociale media en hun geloof in wetenschappelijke misinformatie. Dit verband geldt vooral voor specifieke groepen: mensen die ouder zijn dan 45 jaar, praktisch zijn opgeleid, een laag wetenschappelijk kennisniveau hebben, een laag vertrouwen hebben in de wetenschap, en/of Facebook of X als voornaamste platform gebruiken. Vooral voor deze mensen geldt dat als zij meer tijd doorbrengen op sociale media, ze meer in wetenschappelijke misinformatie geloven en andersom (minder tijd, minder geloof).
Daarnaast blijkt het relevant of mensen naast hun socialemediagebruik ook op andere manieren in aanraking komen met wetenschappelijke informatie. Hoe diverser de mediakanalen waar mensen informatie over wetenschap tegenkomen, hoe meer vertrouwen zij hebben in de wetenschap, of vice versa: hoe meer vertrouwen mensen hebben in de wetenschap, hoe grotere diversiteit aan mediakanalen mensen raadplegen over wetenschap. Omdat een hoger vertrouwen in wetenschap en minder geloof in wetenschappelijke misinformatie sterk met elkaar samenhangen, geloven mensen met een diverser wetenschappelijk informatiedieet (die dus gemiddeld een hoger vertrouwen in wetenschap hebben) ook minder in wetenschappelijke misinformatie. Wanneer sociale media het voornaamste kanaal voor wetenschappelijke informatie is, hebben mensen ook minder vertrouwen in de wetenschap.
Antwoord op deelvraag 2
In de tweede deelstudie onderzochten we wat er gebeurt als mensen op sociale media in aanraking komen met wetenschappelijke (mis)informatie. Op basis waarvan bepalen mensen of ze een wetenschappelijke bewering op sociale media wel of niet geloofwaardig en betrouwbaar vinden?
Om antwoord te vinden op deze vraag, hebben we zeven focusgroepen gehouden met mensen die veel sociale media gebruiken of een laag vertrouwen in wetenschap hebben. We legden aan hen verschillende socialemediaberichten en video's voor met wetenschappelijke claims, en bespraken hoe ze tot een oordeel over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid kwamen.
Uit de resultaten blijkt dat mensen de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van socialemediaberichten met wetenschappelijke (mis)informatie beoordelen aan de hand van een scala van factoren, opgedeeld in vijf categorieën. Deze factoren hebben enerzijds betrekking op het bericht zelf, zoals tekstuele en visuele elementen, het platform, de afzender en de inhoud van het bericht. Anderzijds hebben de factoren betrekking op de ontvanger. Het bericht landt bij de ontvanger als het ware op een voedingsbodem, die bestaat uit zijn referentiekader (gebaseerd op eigen kennis en ervaringen en die van vrienden, familie, kennissen), en basishoudingen ten opzichte van wetenschap, instituties en de informatiesamenleving.
Deze lijst factoren is geen checklist die mensen stelselmatig afgaan. Voor iedereen, en voor elk bericht, wisselt het hoe zwaar elk van deze factoren weegt in de beoordeling van de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van een bericht.
Conclusie: offline ervaringen en divers informatiedieet doen er toe
De centrale boodschap van dit rapport is: of mensen wetenschappelijke informatie op sociale media geloven of vertrouwen, hangt niet uitsluitend af van de inhoud van berichten. Er is een voedingsbodem nodig voor het geloof in wetenschappelijke misinformatie op sociale media. Deze voedingsbodem is geaard in de offline wereld waar mensen in gesprek zijn met familie, vrienden, kennissen en instituties. Opgedane ervaringen, zoals contact in verband met hun gezondheid met artsen, spelen bij een overtuiging een belangrijke rol. Ook blijkt de diversiteit van mediakanalen sterker samen te hangen met het vertrouwen in de wetenschap dan het aantal uren dat iemand op sociale media doorbrengt. Wie de offline wereld over het hoofd ziet, vernauwt de discussie over wat er gedaan moet worden wanneer wetenschappelijke misinformatie de ronde doet op sociale media. Wie een geloof in wetenschappelijke misinformatie wil bestrijden of vertrouwen in de wetenschap wil verstevigen, moet daarom een breder perspectief hanteren.
Handelingsopties: wie kan wat doen?
Dit bredere perspectief betekent dat maatregelen tegen het rondgaan van wetenschappelijke misinformatie op sociale media gecombineerd kunnen worden met maatregelen die de voedingsbodem voor geloof in misinformatie tegengaan.
Zorgverleners en andere professionals die te maken hebben met mensen die in wetenschappelijke misinformatie geloven, kunnen zich (blijven) realiseren dat overtuigingen niet uitsluitend ontstaan op sociale media. Hun beroepsverenigingen kunnen (laten) inventariseren welke interventies haalbaar en effectief zijn.
Beleidsmakers bij kennisinstellingen en bij de overheid, en (wetenschaps)journalisten en (wetenschaps)communicatoren en anderen die zich zorgen maken over de online verspreiding van wetenschappelijke misinformatie, kunnen een divers wetenschappelijk informatiedieet stimuleren, specifiek voor mensen die vatbaar zijn voor geloof in wetenschappelijke misinformatie. Zij kunnen alert zijn op het feit dat alarmisme over misinformatie (zoals factchecks) een averechts effect kan hebben en het algemene wantrouwen in de informatiesamenleving kan aanwakkeren. Ook kan de overheid een meldpunt instellen voor wetenschappelijke misinformatie die mensen schade toebrengt.
Socialemediaplatformen en zij die een verantwoordelijkheid hebben in het tegengaan van de verspreiding van online wetenschappelijke misinformatie kunnen de informatiepositie voor onafhankelijke media-onderzoekers versterken.
Download de publicatie voor de volledige versie inclusief voetnoten en referenties.
In dit rapport geven wij antwoord op de vraag wat in Nederland de relatie is tussen publiek vertrouwen in de wetenschap, en geloof in wetenschappelijke misinformatie op sociale media. In hoofdstuk 3 hebben we deelvraag 1 beantwoord, naar de relaties tussen het socialemediagebruik van Nederlanders, hun geloof in wetenschappelijke misinformatie, hun vertrouwen in de wetenschap en de diversiteit van hun wetenschappelijk informatiedieet. Door deze relaties te onderzoeken, hebben we vooronderstellingen getoetst die ten grondslag liggen aan het publieke debat over de verbanden tussen het gebruik van sociale media, geloof in misinformatie, en vertrouwen in de wetenschap. We hebben daar, op basis van wetenschappelijke literatuur, vooronderstellingen aan toegevoegd over de rol van variatie in wetenschappelijk informatiedieet in geloof in misinformatie en vertrouwen in de wetenschap. In aanvulling op deze relaties tussen vier concepten, hebben we de abstracte begrippen 'wetenschap' en 'vertrouwen' geconcretiseerd in deelvraag 2 van dit onderzoek: welke factoren beïnvloeden mensen hoe zij oordelen over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van wetenschappelijke (mis)informatie op sociale media? In hoofdstuk 4 hebben we de mechanismen en strategieën blootgelegd die mensen hiervoor in het dagelijks leven gebruiken.
De antwoorden op deze deelvragen samen bieden een genuanceerd beeld van de relatie tussen publiek vertrouwen in de wetenschap en geloof in wetenschappelijke misinformatie op sociale media. De belangrijkste overkoepelende boodschap van dit rapport luidt: of mensen wetenschappelijke informatie op sociale media geloven of vertrouwen, hangt niet uitsluitend af van de inhoud van berichten. Er is een voedingsbodem nodig om overtuigd te raken van wetenschappelijke misinformatie. Deze voedingsbodem is geaard in de offline wereld waar mensen in gesprek zijn met familie, vrienden, collega's en instituties, waar opgedane ervaringen, zoals in de gezondheidszorg, een rol spelen bij het vertrouwen in de wetenschap in het algemeen, en waar het vertrouwen in instituties meeweegt bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van informatie op sociale media. Het gebruik van sociale media hangt bovendien niet samen met een laag vertrouwen in wetenschap, mits mensen er een divers wetenschappelijk informatiedieet op na houden.
Kortom, wie de offline wereld over het hoofd ziet, vernauwt de discussie over wat er gedaan moet worden wanneer wetenschappelijke misinformatie de ronde doet op sociale media. Onze bevindingen wijzen erop dat wie een geloof in wetenschappelijke misinformatie wil bestrijden of vertrouwen in de wetenschap wil verstevigen, een breder perspectief moet aannemen om succesvol te kunnen optreden.
Belangrijkste bevindingen
Hieronder staan de belangrijkste bevindingen van dit onderzoek samengevat. Op basis hiervan formuleren we handelingsopties per doelgroep van deze studie.
In de eerste plaats is een verband onderzocht tussen het socialemediagebruik van Nederlanders, hun geloof in misinformatiestellingen, de diversiteit van hun wetenschappelijk informatiedieet en hun vertrouwen in de wetenschap. Hieronder staan de belangrijkste uitkomsten.
Meer socialemediagebruik hangt samen met geloof in misinformatie…
Er is een positief verband tussen socialemediagebruik en geloof in misinformatiestellingen. Met andere woorden: wanneer Nederlanders meer tijd besteden op sociale media, is er een grotere kans dat zij in één of meer van de misinformatiestellingen geloven. En omgekeerd: als zij in één of meer misinformatiestellingen geloven, hangt dit samen met de tijd die zij op sociale media doorbrengen.
…vooral bij mensen met specifieke persoonskenmerken
Hoe sterk het verband is tussen geloof in wetenschappelijke misinformatie en socialemediagebruik, verschilt voor groepen mensen. Het verband tussen socialemediagebruik en geloof in misinformatiestellingen is sterker voor oudere mensen; hoe ouder, hoe sterker. Zeker de groep mensen die ouder zijn dan 45 jaar heeft een groter risico op geloof in misinformatie wanneer zij meer tijd op sociale media doorbrengen. Ook geldt dat dit verband sterker is voor mensen die praktisch zijn opgeleid, die een lager wetenschappelijk kennisniveau hebben, die voornamelijk Facebook of X gebruiken, en die een laag vertrouwen in wetenschap hebben.
Meer socialemediagebruik hangt niet samen met laag vertrouwen in wetenschap
Er is voor Nederlanders geen verband tussen socialemediagebruik en vertrouwen in de wetenschap. Hierbij hebben we rekening gehouden met factoren als leeftijd (omdat ouderen minder tijd op sociale media doorbrengen dan jongeren), opleidingsniveau en wetenschappelijk kennisniveau, omdat theoretisch opgeleide mensen en mensen met een hoger wetenschappelijk kennisniveau gemiddeld genomen meer vertrouwen hebben in wetenschap. Deze factoren spelen dus géén rol in het ontbreken van dit verband. Met andere woorden, voor zowel jongeren als ouderen, praktisch als theoretisch opgeleiden, mensen met een laag of hoog wetenschappelijk kennisniveau, is er geen verband tussen socialemediagebruik en vertrouwen in wetenschap.
Mensen die vertrouwen hebben in de wetenschap geloven minder in wetenschappelijke misinformatie
Er bestaat ook een verband tussen mensen die een laag vertrouwen hebben in wetenschap en het geloof in wetenschappelijke misinformatie. Gemiddeld genomen geldt: hoe lager het vertrouwen in wetenschap, hoe hoger het geloof in misinformatiestellingen. Dit geldt zowel domein-specifiek voor vertrouwen in wetenschap en geloof in misinformatie, als voor vertrouwen in de wetenschap als geheel.
Hoe groter de diversiteit aan mediakanalen, hoe hoger het vertrouwen en hoe minder geloof in wetenschappelijke misinformatie
Het verband tussen geloof in misinformatie en vertrouwen in wetenschap hangt samen met de diversiteit van het wetenschappelijke informatiedieet. Er geldt een direct verband dat een grotere diversiteit aan mediakanalen samenhangt met een hoger vertrouwen in wetenschap Er is daarnaast een indirect verband tussen diversiteit aan mediakanalen en het geloof in wetenschappelijke misinformatie: mensen die een grotere diversiteit aan mediakanalen raadplegen voor wetenschappelijke informatie geloven minder in misinformatie, omdat zij doorgaans een hoger vertrouwen in de wetenschap hebben. Als we corrigeren voor het vertrouwen in wetenschap, geldt dit verband tussen diversiteit in wetenschappelijk informatiedieet en geloof in misinformatie niet.
Als sociale media het belangrijkste kanaal is voor wetenschappelijke informatie, hangt dit bovendien samen met een lager vertrouwen in wetenschap en (wederom indirect) een hoger geloof in misinformatie.
Deze relaties tussen socialemediagebruik, geloof in misinformatie, diversiteit aan mediakanalen en vertrouwen in wetenschap beschrijven een samenhang en gelden op populatieniveau. Deze bevindingen gelden uiteraard niet voor iedereen, en niet voor iedereen in even sterke mate.
Voor geloof in wetenschappelijke misinformatie op sociale media is een offline voedingsbodem nodig
Mensen baseren hun beoordeling van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van een wetenschappelijk bericht op sociale media op een samenspel van verschillende factoren. Deze factoren draaien om verschillende aspecten van het socialemediabericht zelf, zoals visuele en tekstuele elementen van het bericht, het platform en de afzender, in interactie met de voedingsbodem (bestaande uit bestaande overtuigingen en onderliggende basishoudingen) van de ontvanger, waarop een wetenschappelijke bewering op sociale media landt.
Voor iedereen, en voor elk bericht, wisselt hoe zwaar elk van deze factoren weegt in de beoordeling van de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van wetenschappelijke berichten op sociale media.
Uit dit onderzoek blijkt dat socialemediagebruik an sich niet problematisch hoeft te zijn, maar wel wanneer het gepaard gaat met weinig ander mediagebruik. Kortom, zowel de diversiteit in wetenschappelijk informatiedieet als de offline wereld met kennis, ervaringen en basishoudingen spelen een belangrijke rol in de voedingsbodem van mensen waarop wetenschappelijke misinformatie landt.
Bovenstaande resultaten bieden kansen voor mensen die zich zorgen maken over de mogelijke schadelijke gevolgen van de wetenschappelijke misinformatie die op sociale media rondgaat. Ze betekenen namelijk dat er een veel breder arsenaal aan interventies mogelijk is om het geloof in wetenschappelijke misinformatie aan te pakken, dan alleen het rondgaan te bestrijden. In de volgende paragraaf gaan we in op de verschillende handelingsopties voor verschillende partijen. Geen van de mogelijke interventies is een quick fix; ze zijn soms lastig of vragen om een lange adem. Maar de voorgestelde handelingsopties laten ook zien dat defaitisme over de invloed van wetenschappelijke misinformatie op sociale media op onze maatschappij niet nodig is.
Onze onderzoeksresultaten wijzen op het belang van een voedingsbodem die geaard is in de offline wereld. Dit inzicht is relevant voor mensen die zich zorgen maken over de gevolgen van wetenschappelijke misinformatie en die bezig zijn met het oplossen van de mogelijke problemen die misinformatie veroorzaakt. Wanneer het publieke vertrouwen in wetenschap daalt of sociaal-maatschappelijke problemen zich voordoen, zoals een dalende vaccinatiegraad, afname van het smeren van zonnebrandcrème of een afname van steun voor overheidsinterventies tegen klimaatverandering, kan een eenzijdige focus op het verwijderen of tegenspreken van misinformatie-narratieven op sociale media tekortschieten.
We roepen daarom op om een brede zienswijze te hanteren. Uit ons onderzoek komt naar voren dat maatregelen tegen de verspreiding van wetenschappelijke misinformatie op sociale media, gecombineerd zouden kunnen worden met maatregelen die de voedingsbodem voor geloof in misinformatie tegengaan.
Verschillende partijen hebben in onze democratische informatiesamenleving verschillende verantwoordelijkheden om deze maatregelen te realiseren. Beleidsmakers bij de (Rijks)overheid en kennisinstellingen hebben bijvoorbeeld andere mogelijkheden en verantwoordelijkheden dan wetenschapscommunicatoren en mediawijsheidsvoorlichters. Wetenschappers die zich in het publieke debat mengen over de vermeende invloed van wetenschappelijke misinformatie, hebben andere manieren om invloed uit te oefenen dan politici. En dit onderwerp raakt ook zorgverleners die in hun werk in aanraking komen met mensen die in misinformatie geloven.
Al deze professionals zijn te categoriseren in mensen die:
- de gevolgen van geloof in wetenschappelijke misinformatie ondervinden;
- zich zorgen maken over de verspreiding en gevolgen van wetenschappelijke misinformatie en dit proberen op te lossen; en
- een verantwoordelijkheid hebben in het tegengaan van de verspreiding van wetenschappelijke misinformatie op sociale media.
In onderstaande paragrafen gaan we in op de verschillende handelingsopties aan de hand van deze indeling.
Reageren op mensen die in wetenschappelijke misinformatie geloven
Verpleegkundigen, (huis)artsen, kraamverzorgers, medewerkers van consultatiebureaus, diëtisten: dit zijn allemaal zorgverleners die in hun werk met mensen in contact (kunnen) komen die in wetenschappelijke misinformatie geloven (KNMG, 2024). Misinformatie kan bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat patiënten en cliënten verkeerd geïnformeerd arriveren bij deze professionals. Het kan leiden tot twijfel over de adviezen van deze professionals, en patiënten kunnen ze zelfs niet aannemen. Ook maatschappelijk werkers of buurtvaders en -moeders kunnen met mensen in contact komen die wetenschappelijke misinformatie geloven.
Voor al deze professionals geldt vooral dat zij zich kunnen realiseren dat overtuigingen niet (uitsluitend) hun oorsprong vinden op sociale media, maar dat er ook een voedingsbodem nodig is voor het geloof in wetenschappelijke misinformatie. Bij het adresseren van de wetenschappelijke misinformatie is het dus belangrijk oog te hebben voor het brede perspectief, zoals in dit rapport beschreven .
Beroepsverenigingen hebben hierin ook een verantwoordelijkheid. Zij kunnen (laten) inventariseren welke interventies haalbaar en effectief zijn, en wat een adequate reactie is wanneer hun leden (zorgprofessionals) in contact komen met cliënten die in wetenschappelijke misinformatie geloven. Bij deze interventies kan het gaan over dat professionals navragen welke offline factoren (zoals persoonlijke ervaringen of uit de nabije omgeving) een rol zouden kunnen spelen in het geloven van misinformatie, of dat ze bespreken waar betrouwbare informatie te vinden is.
Zorgen over maatschappelijke gevolgen van online verspreiding van wetenschappelijke misinformatie
Er zijn veel mensen die zich vanuit hun professionele rol zorgen maken over de verspreiding van wetenschappelijke misinformatie op sociale media, en de (vermeende) gevolgen hiervan proberen op te lossen. Denk hierbij aan beleidsmakers bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van Binnenlandse Zaken die zich bezighouden met vertrouwen in wetenschap en de gevolgen van desinformatie. Of wetenschappers die zich in het publieke debat mengen in discussies over bijvoorbeeld een dalende vaccinatiegraad. Of mediawijsheidstrainers en (wetenschaps)journalisten die zich bezighouden met factchecks, en wetenschapscommunicatoren zoals persvoorlichters en woordvoerders bij kennisinstellingen, expertisecentra, of wetenschapsmusea.
Voor al deze partijen geldt hetzelfde als bij het handelingsperspectief hierboven: stel vanuit een breed perspectief interventies op. Hieronder werken we uit wat dit voor deze groepen specifiek betekent.
Mediawijsheidsvoorlichters kunnen zich richten op het stimuleren van een gevarieerd wetenschappelijk informatiedieet. Zij hoeven het gebruik van sociale media niet te ontmoedigen, maar kunnen vooral het gebruik van andere mediakanalen aanmoedigen. Mediawijsheidsinterventies zouden zich bovendien niet alleen kunnen focussen op de rol van sociale media in de verspreiding van wetenschappelijke misinformatie en hoe je misinformatie op sociale media kan herkennen, maar ook erkennen dat andere offline factoren meespelen in de voedingsbodem voor het geloof in misinformatie. Dat kan door te werken aan, en voort te bouwen op, vertrouwen in instituties en in de wetenschap. Geef uitleg over hoe wetenschappelijke en journalistieke principes werken en op basis waarvan je wel of niet op instituties kan vertrouwen.
Het is daarbij nuttig om mensen aan te moedigen hun aandacht te verschuiven naar hoe geloofwaardig of betrouwbaar een socialemediabericht is, voordat ze het doorsturen. Door deze verschuiving van aandacht is de kwaliteit van gedeelde content hoger, aldus onderzoekers (Pennycook et al., 2021). Houd er ook rekening mee dat een alarmistische boodschap juist averechts kan werken en wantrouwen in alle informatie kan versterken.
Daarnaast is het relevant als mediawijsheidstrainers hun doelgroep verbreden. Waar dit soort trainingen zich nu vaak richten op scholieren en studenten (CvdM, 2025), blijkt uit dit onderzoek dat juist mensen vanaf 45 jaar die veel tijd op sociale media doorbrengen vatbaarder zijn voor wetenschappelijke misinformatie dan jongeren.
Voor wetenschapsjournalisten die zich bezighouden met misinformatie en wetenschapscommunicatoren bij kennisinstellingen en wetenschapsmusea is bewustzijn belangrijk dat alarmisme ook algemeen wantrouwen in de informatiesamenleving kan aanwakkeren. Investeren in vertrouwen in wetenschap, door wetenschappelijke principes uit te leggen, is daarom mogelijk effectiever dan het feitelijk weerleggen van wetenschappelijke misinformatie door bijvoorbeeld factchecks.
Als we kijken naar hoe mensen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van een wetenschappelijk bericht beoordelen, dan zien we dat eigen kennis en ervaringen (het referentiekader) bij mensen een rol speelt. Als dit referentiekader niet strookt met de wetenschappelijke argumenten die in een factcheck worden gegeven, zien we dat de wetenschappelijke onderbouwing niet altijd doorslaggevend is voor mensen of ze een bericht wel of niet geloven. Factchecks die zich enkel richten op het overtuigen van mensen middels het weerleggen van wetenschappelijke argumenten, zijn dan ook mogelijk minder effectief dan wanneer deze ook (expliciet) wetenschappelijke en journalistieke principes demonstreren.
Naast deze interventies met een focus op de voedingsbodem voor geloof in wetenschappelijke misinformatie, kunnen Nederlandse instellingen die betrouwbare wetenschappelijke informatie verspreiden, zoals het KNMI, Voedingscentrum, de planbureaus en het RIVM, overwegen de trustedflagger-status aan te vragen bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Onder de Europese Digital Services Act (DSA) zijn grote socialemediaplatformen verplicht sneller te handelen wanneer ze meldingen krijgen van trusted flaggers over illegale inhoud en deze inhoud te verwijderen. Als trusted flaggers misinformatie tegenkomen die niet illegaal is, maar wel potentieel schadelijk, dan kunnen ze dat alsnog bij platformen melden via bestaande meldingssystemen. Platformen dienen dan te overwegen of ze deze inhoud minder bereik geven, van context voorzien en/of gepaard laten gaan met een melding over waar betrouwbare informatie te vinden is.
Voor beleidsmakers van OCW en kennisinstellingen geldt dat hun primaire verantwoordelijkheid bij dit onderwerp ligt in het versterken of herstellen van het vertrouwen in de wetenschap als institutie, bij mensen bij wie dit laag is of daalt. De minister van OCW toont zich bewust van de opdracht die hier ligt, voor zowel het ministerie als de kennisinstellingen (Kamerstukken II, 54132302, 2026). Denk hierbij aan het borgen van de onafhankelijkheid en academische vrijheid van de wetenschap, het bieden van transparantie over beslissingen en achterliggende (financiële) beweegredenen, het geven van duiding en uitleg over de wetenschap als institutie. Dit zijn belangrijke bouwstenen, niet alleen voor de betrouwbaarheid van de wetenschap, maar ook voor het publieke vertrouwen in de wetenschap. Burgers, van alle opleidingsniveaus en met verschillende (psychologische) afstand tot de wetenschap, zijn zich goed bewust hoe belangrijk deze elementen zijn voor het (bestendigen of herstellen van) vertrouwen in de wetenschap, ook als ze het jargon wellicht niet altijd gebruiken (Rathenau Instituut, 2021).
Beleidsmakers van BZK, die zich bezighouden met desinformatie kunnen hun collega's bij andere departementen erop wijzen dat alle aandacht voor desinformatie ook als neveneffect kan hebben, dat het algemeen vertrouwen in de informatiesamenleving wordt verzwakt. Dit wordt reeds onderkend in de Voortgangsbrief Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie en aankondiging nieuwe acties (2024, p.7). Er zijn veel vakdepartementen, zoals OCW, VWS en LVVN, die zich zorgen maken over, of bezighouden met, wetenschappelijke misinformatie op hun vakgebied. Door duidelijke coördinatie van de misinformatie-aanpak kan BZK de risico's van alarmisme aankaarten. Daarnaast is een nuttige route het stimuleren van variatie in het wetenschappelijk informatiedieet van mensen. Het is hierbij relevant om na te gaan welke groepen daar het meeste baat bij kunnen hebben en daar specifiek op te investeren, zoals mensen die ouder dan 45 jaar zijn en veel sociale media gebruiken. Het behouden van een pluriform medialandschap, zoals spoor 1 van bovengenoemde Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie bepleit, is bovendien een belangrijke randvoorwaarde voor het faciliteren van een divers wetenschappelijk informatiedieet.
Er zijn diverse groepen en individuele wetenschappers die zich zorgen maken over de gevolgen van wetenschappelijke misinformatie, en zich hierover in het publieke debat mengen – bijvoorbeeld met (opinie)artikelen in de media. Deze wetenschappers zijn soms in zekere zin ervaringsdeskundig, bijvoorbeeld als zij via hun spreekkamer of online in contact zijn gekomen met mensen die in wetenschappelijke misinformatie geloven. Voor hen geldt feitelijk hetzelfde als voor de professionals die wij hierboven aanspreken: heb oog voor het bredere perspectief op geloof in wetenschappelijke misinformatie. Hierin hebben deze wetenschappers een extra verantwoordelijkheid omdat hun bijdrage aan het publieke debat, mede vanuit hun statuur als (gerenommeerd) wetenschapper, dat debat kan beïnvloeden. Het simplificeren van de werkelijkheid, namelijk dat sociale media de enige (of belangrijkste) oorzaak van geloof in wetenschappelijke misinformatie zou zijn, zou het publieke draagvlak kunnen beperken voor mogelijke maatregelen die zich níet direct op sociale media richten, maar wel effectief kunnen zijn.
Tot slot kunnen politici een bijdrage leveren aan het bevorderen of herstellen van vertrouwen in wetenschap, en het tegengaan van geloof in wetenschappelijke misinformatie. Belangrijk is hier om zelf het goede voorbeeld te geven door geen wetenschappelijke misinformatie-narratieven te verspreiden, en (normatieve) beleidskeuzes te scheiden van de onderliggende wetenschappelijke inzichten (Rathenau Instituut, 2021).
De WRR wijst in dit verband ook expliciet op de gebruikersverantwoordelijkheid die politici in het bijzonder hebben bij hun deelname aan het publieke debat: 'Politici hebben een voorbeeldfunctie. Nu zij zich zonder tussenkomst van de reguliere media tot de samenleving kunnen richten, rust op hen de dubbele verantwoordelijkheid geen onware informatie te verspreiden en passende omgangsvormen in acht te nemen. Politici dienen daarom allereerst terughoudend te zijn met het gebruik van informatie die afkomstig is van sociale media, en die geen duidelijke, betrouwbare bron heeft. Zij hoeven geenszins kritiekloos informatie over te nemen van gezaghebbende instituten, maar hebben wel een bijzondere verantwoordelijkheid ten aanzien van gegevens die als feiten gelden. Als volksvertegenwoordigers en bestuurders spelen ze immers een sleutelrol bij het definiëren van sociale en maatschappelijke vraagstukken, en dragen aldus bij aan de democratische meningsvorming binnen de publieke ruimte.' (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2024, p. 178).
Tegengaan van de verspreiding van wetenschappelijke misinformatie op sociale media
Hoewel dit onderzoek laat zien dat wetenschappelijke misinformatie pas 'landt' bij mensen als hier een voedingsbodem voor is, hebben socialemediaplatformen ook een verantwoordelijkheid in het tegengaan van de verspreiding van misinformatie. In dit onderzoek wijzen we op de voedingsbodem die nodig is voor mensen om overtuigd te raken van wetenschappelijke misinformatie, maar de rol van socialemediaplatformen moet daarom niet uit het zicht raken. Zorgdragen voor een kwalitatief informatie-ecosysteem is ook een principiële kwestie: aangezien socialemediaplatformen een rol spelen in de verspreiding van (wetenschappelijke) informatie en hier geld aan verdienen, hebben deze bedrijven daarbij ook de verantwoordelijkheid in het tegengaan van misinformatie.
Socialemediaplatformen spelen allereerst zelf een belangrijke rol in het reguleren van alle inhoud op hun platformen. Grote socialemediaplatformen die in Nederland actief zijn, hebben community-regels waarin ze expliciet melden dat het tegen de regels is om misinformatie te verspreiden via hun platformen. Platformen geven aan investeringen te doen en acties te ondernemen om misinformatie te bestrijden. In de praktijk zijn er echter duidelijke signalen dat platformen hun eigen richtlijnen niet altijd handhaven. Daarom vragen onafhankelijk experts zich af of er wel voldoende wordt gedaan door de platformen om de verspreiding van misinformatie tegen te gaan (HEIO Consortium et al., 2026). Om daarover te kunnen oordelen, is het belangrijk dat er structureel en langdurig onderzoek gedaan kan worden met meer informatie dan platformen tot op heden vrijgeven aan onderzoekers.
Wij roepen socialemediaplatformen daarom op de informatiepositie voor onafhankelijke socialemedia-onderzoekers te versterken. Hoe wijdverspreid wetenschappelijke misinformatie is en wie het weet te bereiken, is een open vraag voor onderzoekers. Om deze vraag te beantwoorden, kijken onderzoekers nu welke misinformatie er op openbare (delen van) socialemediaplatformen te vinden is. Maar om te zien welke gebruikers zijn blootgesteld aan wetenschappelijke misinformatie, ook in besloten online omgevingen, en welke rol aanbevelingsalgoritmen spelen in het verspreiden van misinformatie, hebben onderzoekers toegang nodig tot data die in het bezit zijn van platformen. Toegang tot deze data zou onafhankelijke experts beter zicht geven op de verspreiding van misinformatie, en aan hen de mogelijkheid geven meldingen te doen bij de platformen.
Tot slot kan ook de Nederlandse overheid een rol spelen in het tegengaan van de verspreiding van wetenschappelijke misinformatie op sociale media, door het instellen van een meldpunt voor wetenschappelijke misinformatie die mensen schade toebrengt. Gezien het landschap van bestaande meldpunten voor kindermisbruik, discriminatie en auteursrecht, valt te overwegen om ook voor andere online schadelijke onderwerpen een meldpunt aan te wijzen, bijvoorbeeld voor medische misinformatie. Dit meldpunt kan inhoudelijke en juridische expertise opbouwen over het type misinformatienarratieven dat rondgaat en meldingen richting platformen stroomlijnen.
Download de publicatie voor de volledige versie inclusief voetnoten en referenties.