TWIN 2024-2030
Downloads
In deze jaarlijkse rapportage presenteert en analyseert het Rathenau Instituut de investeringen van de rijksoverheid in R&D en innovatie. We plaatsen deze investeringen in perspectief door te kijken naar de investeringen vanuit andere sectoren, provincies en de Europese Unie. Waar mogelijk maken we een internationale vergelijking.
In deze editie zijn de effecten van de tijdelijke financieringsimpulsen van de kabinetten-Rutte III en IV zichtbaar. In de meerjarenramingen zien we daarnaast ook de bezuinigingen op R&D en innovatie van het kabinet-Schoof. De voorgenomen investeringen van het kabinet-Jetten zijn niet meegenomen voor deze TWIN.
In TWIN 2024-2030 presenteert het Rathenau Instituut een overzicht van de overheidsuitgaven en -budgetten voor onderzoek en ontwikkeling (R&D) en innovatie in de periode 2024-2030. We zetten de uitgaven aan onderzoek en innovatie van de rijksoverheid in perspectief door ook te kijken naar de totale R&D-uitgaven in Nederland, en naar de financiering voor kennis en innovatie afkomstig van de Europese Commissie en provincies.
De overheidsinvesteringen voor onderzoek en ontwikkeling dalen de komende vier jaar met een miljard euro, tenzij het kabinet-Jetten extra investeert. Een uitzondering zijn de defensiegerelateerde uitgaven. Die stijgen juist van 300 miljoen naar 400 miljoen euro. Verder ontvangt Nederland gemiddeld ongeveer 1,1 miljard euro per jaar uit Europa. Het Europese budget voor onderzoek en innovatie verdubbelt mogelijk vanaf 2028.
In de tabellen en grafieken van de publicatie zijn de financieringsimpulsen van de kabinetten-Rutte III en IV zichtbaar als een tijdelijke hobbel. Daarna volgen de bezuinigingen van het kabinet-Schoof. Zonder eventuele investeringen van het kabinet-Jetten dalen de R&D-uitgaven van de rijksoverheid van 9,6 miljard euro in 2026 naar 8,6 miljard in 2030.
Deze editie is gebaseerd op de rijksbegroting 2026, zoals op 16 september 2025 gepresenteerd aan de Tweede Kamer. Dit betekent dat de cijfers gebaseerd zijn op de begroting die onder verantwoordelijkheid van het vorige kabinet is gepubliceerd. Hierin zijn dus nog niet de beleidswijzigingen van het kabinet-Jetten verwerkt. Zeker voor de cijfers in de meerjarenramingen geldt, dat deze als gevolg van de nieuwe beleidskeuzes en investeringen nog kunnen worden bijgesteld.
Rijksuitgaven voor R&D dalen na 2026 met 10% zonder nieuwe investeringen kabinet-Jetten
Na een initiële stijging van 2024 tot 2026 dalen, zonder nieuwe investeringen van kabinet-Jetten, de R&D-uitgaven van de rijksoverheid met 10% tussen 2026 en 2030: van 9,6 miljard euro naar 8,6 miljard euro (-1,0 miljard euro). Kijken we naar het aandeel R&D-uitgaven van de rijksoverheid in het totale bbp, dan zien we dat dit percentage daalt van 0,80% in 2024 naar 0,67% in 2030. Ondanks de initiële stijging van de R&D-uitgaven, daalt het aandeel ook al in 2025 en 2026 met 0,01% per jaar. Dit komt doordat de economie deze jaren sterker groeit dan de R&D-uitgaven van de rijksoverheid.
Innovatie-uitgaven vertonen piek in 2027
De uitgaven van de rijksoverheid voor innovatie, niet zijnde R&D, nemen in de periode 2024-2027 nog sterk toe. Deze stijgen van 1,2 miljard euro in 2024 naar een piek van 2,4 miljard euro in 2027 (+91%). In de jaren 2026-2028 liggen deze uitgaven boven de 2 miljard euro. Na 2027 volgt een duidelijke daling in de meerjarenraming, met een dieptepunt in 2029 en een niveau van 1,5 miljard euro in 2030. Daarmee liggen de innovatie-uitgaven zonder R&D-component in 2030 nog wel 23% hoger dan in 2024. De sterke stijging tot 2027 en de daaropvolgende daling hangen vooral samen met tijdelijke impulsen vanuit het Nationaal Groeifonds en klimaat- en energiegerichte innovatieprogramma's.
Sterkste groei in uitgaven aan defensiegerelateerd onderzoek
In deze rapportage kijken we naar de ontwikkeling van R&D-uitgaven naar sociaaleconomische doelstelling. In de meerjarenraming 2024-2030 onderscheiden de defensiegerelateerde R&D-uitgaven zich door de sterkste groei, zowel absoluut als relatief. Deze uitgaven stijgen met 31%, waardoor het aandeel van defensie in de totale R&D-uitgaven oploopt van 10,1% in 2024 naar 13,4% in 2030. De groei zit vooral in hogere institutionele financiering voor TO2-instellingen vanuit het ministerie van defensie en een toename van defensiegerelateerd contractonderzoek en internationale samenwerking in NAVO-verband. De defensiegerelateerde R&D-uitgaven komen voornamelijk, maar niet uitsluitend, van het ministerie van Defensie. De R&D-uitgaven vanuit dit ministerie stijgen in de periode 2024-2030 met 56%. We zien deze ontwikkeling al in aanloop naar het committeren aan de 5%-NAVO-doelstelling. Mogelijk komen hier extra investeringen bij naar aanleiding van deze afspraak en de voornemens van het kabinet-Jetten.
Verwachte R&D-uitgaven vanuit de rijksbijdrage aan universiteiten nemen af
De onderzoeksfinanciering via de rijksbijdrage aan universiteiten en umc's laat in de meerjarenraming een daling zien. Tussen 2024 en 2030 nemen deze uitgaven per saldo af met 137,2 miljoen euro (-3,4%). Deze daling doet zich volledig voor bij de universiteiten; bij de umc's is juist sprake van een lichte stijging. De onderzoeks-financiering voor umc's groeit van 259 miljoen euro in 2024 naar 269 miljoen euro in 2030 (+3,9%). Het is lastig om de daling bij de universiteiten toe te schrijven aan een specifieke oorzaak omdat de rijksbijdrage het resultaat is van verschillende beleids-keuzes en begrotingsontwikkelingen. Wel kan een deel worden verklaard door de bezuinigingen op het hoger onderwijs uit de Voorjaarsnota 2025, die oplopen van 2,0 miljoen euro in 2025 tot 58,8 miljoen euro per jaar vanaf 2030. Mogelijk worden deze bezuinigingen door het kabinet-Jetten nog teruggedraaid. Daarnaast spelen het niet toepassen van loon- en prijsbijstellingen en voorziene dalende studentenaantallen een rol.
Ruim 1,2 miljard euro extra van rijksoverheid nodig om 3%-norm te halen
De totale R&D-uitgaven in Nederland schommelen als percentage van het bbp al ruim een decennium tussen de 2,1 en 2,3% en laten sinds 2020 geen structurele stijging meer zien, omdat het bbp vrijwel even hard groeit als de extra R&D investeringen. In 2024 bedraagt het aandeel 2,3% van het bbp, waarmee Nederland nog duidelijk onder de Europese 3%-doelstelling blijft. Om deze doelstelling in 2026 te halen, zou 12,7 miljard euro extra aan R&D-uitgaven nodig zijn ten opzichte van 2023. Op basis van de huidige verhoudingen tussen financieringsbronnen betekent dit dat de overheid in 2026 minimaal 1,2 miljard euro extra zou moeten investeren boven op de begrote groei, terwijl ook van het bedrijfsleven en buitenlandse en overige partijen substantiële aanvullende investeringen nodig zijn. Mogelijk is daarbovenop nog circa 300 miljoen euro van de rijksoverheid nodig, vanwege een trendbreuk als gevolg van een methodische wijziging. Na 2026 loopt het tekort verder op, doordat het bbp blijft groeien terwijl de geraamde overheidsuitgaven aan R&D afnemen.
Teruglopende financiering TO2- en rijkskennisinstellingen
De institutionele financiering van TO2-instellingen daalt in de periode 2024-2030 met 100,2 miljoen euro (-15,6%). Deze daling is vooral zichtbaar bij TNO en hangt samen met een afnemende structurele bijdrage vanuit het ministerie van Economische Zaken, onder meer door bezuinigingstaakstellingen van het vorige kabinet en aflopende middelen voor Faciliteiten voor toegepast onderzoek. De stijgende institutionele financiering vanuit Defensie aan TNO, NLR en MARIN compenseert deze afname slechts gedeeltelijk. In een recente evaluatie van het TO2-stelsel wordt gewaarschuwd dat afnemende structurele middelen de toekomstbestendigheid van de TO2-instellingen onder druk zetten. Voor de komende jaren zijn nu nog niet alle bedragen bekend die van de verschillende departementen naar de TO2-instellingen gaan. In volgende TWIN-rapportages houden we de verdere ontwikkelingen in de financiering van de TO2-instellingen bij. De institutionele financiering van rijkskennisinstellingen daalt in de periode 2024-2030 met 19,9 miljoen euro (-11,2%). Deze terugloop is met name zichtbaar bij het RIVM en het KNMI. De afname past in het bredere beeld van dalende R&D-uitgaven na 2026. Bij ongewijzigd beleid betekent dit een versobering van de structurele onderzoeksbudgetten bij overheidsinstellingen.
Daling van R&D-uitgaven na 2026 treft vooral niet-innovatierelevante R&D
De afname na 2026 in de totale R&D-uitgaven van de rijksoverheid hebben vooral betrekking op R&D-uitgaven zonder directe innovatierelevantie. R&D-uitgaven die expliciet gericht zijn op innovatie dalen in de meerjarenraming ook, maar minder sterk. Dit wijst op een verschuiving in de samenstelling van de R&D-portefeuille, waarbij innovatiegericht onderzoek minder sterk wordt geraakt door de daling dan niet-innovatiegericht onderzoek.
Realisatie R&D- en innovatie-uitgaven in 2024 blijft achter bij begroting
De definitief gerealiseerde uitgaven van de rijksoverheid voor R&D en innovatie in 2024 liggen lager dan zowel de oorspronkelijke begroting als de voorlopige realisatie. Ten opzichte van de begroting bedraagt het verschil 2,0 miljard euro (-14,3%). Gecorrigeerd voor de methodologische trendbreuk is het verschil nog zo'n -12,0%. Dit verschil wordt grotendeels veroorzaakt door verschuivingen binnen het Nationaal Groeifonds, waar middelen zijn doorgeschoven naar latere jaren.
Relatief aandeel fiscale steun in R&D-financiering afgenomen
In 2024 bedroeg de fiscale steun voor R&D 1,3 miljard euro, goed voor 13% van de totale overheidsbijdrage aan R&D. Hoewel de fiscale steun in absolute zin sinds 2008 sterk is gegroeid, is het relatieve belang afgenomen doordat de directe R&D-uitgaven van de overheid sneller zijn toegenomen. Tussen 2016 en 2024 groeiden de directe R&D-uitgaven met 74%, tegenover 40% voor de fiscale steun. Naar verwachting zal het aandeel fiscale steun in de totale overheidsbijdrage voor R&D na 2024 weer licht toenemen, mede door de jaarlijkse indexatie van het WBSO-budget en de daling in directe R&D-uitgaven.
Europese onderzoekfinanciering blijft groeien
Europese middelen vormen met gemiddeld 1,1 miljard euro per jaar een steeds belangrijker onderdeel van de publieke onderzoekfinanciering voor Nederlandse onderzoekers. In de periode van Horizon Europe (2021-2027) neemt het aandeel van Europese financiering in de totale publieke R&D-financiering toe ten opzichte van eerdere kaderprogramma's, naar ruim 12%. Nederland blijft daarbij een sterke positie innemen binnen Europa en behoort tot de top 5-landen met de hoogste ontvangen onderzoeksfinanciering. Hoewel het jaarlijkse aandeel fluctueert, wijst de ontwikkeling erop dat Europese financiering structureel aan belang heeft gewonnen ten opzichte van nationale publieke middelen. Ze vormt een blijvende pijler onder het Nederlandse kennis- en innovatiesysteem. Daarnaast zijn de Europese regionale programma's goed voor jaarlijks minimaal 70 miljoen euro. Tenslotte investeren de provincies bij elkaar gemiddeld op jaarbasis ruim 210 miljoen euro in kennis en innovatie in Nederland.