calendar tag arrow download print
Image
factsheet
11 februari 2019

Het onderzoek aan universiteiten en umc’s

onderzoek financiering matching
Dit is het factsheet over het onderzoek aan de universiteiten (en hun umc's). 

Uit dit factsheet blijkt dat de verhouding tussen onderwijs en onderzoek in de rijksbijdrage zoals deze door het ministerie van OCW wordt berekend, een andere is dan de verhouding tussen onderwijs en onderzoek in de gerealiseerde besteding door de universiteiten. We laten zien dat de dynamiek van de financiering van onderzoek (matching), de bestedingen aan zowel onderzoek als onderwijs niet ongemoeid laat. De bestedingen aan onderwijs en onderzoek zijn berekende bedragen. In de verantwoording van universiteiten en umc's worden geen afzonderlijke uitgaven onderwijs of onderzoek gerapporteerd. Naast de inkomsten in euro's staat een variëteit aan uitgaven die de instellingen doen, zoals uitgaven aan gebouwen, infrastructuur, personeel enz. In dit spreadsheet zijn de uitgaven van universiteiten toegerekend aan onderwijs en onderzoek. Een link naar de berekeningswijze is opgenomen aan het eind van het factsheet.

Ontwikkeling financiering onderwijs en onderzoek

De inkomsten voor onderwijs en onderzoek worden hier voor de universiteiten en hun umc's gezamelijk behandeld. Voor dit factsheet hebben we een onderscheid gemaakt tussen de financiering van onderwijs en die van het onderzoek. Dat houdt in dat we de posten collegegelden, lesgelden en inkomsten uit contractonderwijs geïntegreerd presenteren en dat we bij de inkomsten uit opdrachten alleen de inkomsten voor onderzoeksopdrachten meenemen en niet het contractonderwijs. De rijksbijdrage voor onderwijs en onderzoek is een lumpsum; het is uiteindelijk aan de universiteiten om te bepalen welk deel daarvan zij besteden aan onderzoek en welk deel aan onderwijs. 

Onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van de inkomsten van universiteiten en umc's (de inkomsten uit zorg door de umc's zijn niet opgenomen).


De totale inkomsten voor onderwijs en onderzoek zijn gestegen van €4,6 miljard in 2004 naar €7.7 miljard in 2017; een stijging van bijna 70%. Circa de helft van de totale inkomsten wordt gevormd door de eerste geldstroom: de rijksbijdrage van de overheid. De rijksbijdrage zelf is ook gestegen, maar minder sterk (51%). De inkomsten uit de collegegelden (samen met lesgelden en contractonderwijs) vormen een minder grote post, maar stijgen sterk (verdrievoudigd). Een andere post die ook sterk stijgt én forser is van omvang, zijn de externe onderzoeksopdrachten. Deze post bevat financiering voor onderzoeksopdrachten en -projecten afkomstig van verschillende bronnen, zoals NWO, de EU, bedrijven, overheden en non-profit organisaties.

Onderzoeksopdrachten

Onderstaande grafiek toont de uitsplitsing van de financiering voor onderzoeksopdrachten en -projecten: de tweede geldstroom vanuit NWO; de opdrachten voor overheden en andere non-profit organisaties; de gelden uit Brussel; opdrachten voor het bedrijfsleven; en een kleine post niet gespecificeerde onderzoekopdrachten. In de grafiek is de ontwikkeling voor 2004 tot 2017 weergegeven. In de jaren vóór 2008 werden deze uitsplitsingen van opdrachten voor derden echter niet gegeven; voor deze periode kunnen we alleen de totalen opnemen.


De inkomsten uit onderzoeksopdrachten zijn in deze periode meer dan verdubbeld, van € 0,8 miljard naar bijna € 1,8 miljard. We zien ook dat de groei vooral in de periode tot 2012 groot is en daarna stabiliseert. Over de periode vanaf 2008, waarvoor we meer details hebben (en waarin de totalen met 53% stijgen), zijn de inkomsten uit internationale bronnen (EU-projecten uit kaderprogramma's) toegenomen met 86% en steeds belangrijker geworden. De financiering van NWO en opdrachten van non-profit organisaties vormen de grotere posten en kennen eveneens een sterke ontwikkeling van respectievelijk 46% en 55%. De opdrachten van het bedrijfsleven vormen met iets minder dan € 300 miljoen een kleinere post, maar stijgen in deze periode wel met 45%.

 

Matching

Al deze onderzoeksopdrachten hebben met elkaar gemeen dat ze matching behoeven. Matching is het mechanisme waarmee universiteiten en umc's het geld van andere geldstromen inzetten voor het uitvoeren van opdrachten voor derden. Opdrachten voor derden worden namelijk niet geworven op basis van de integrale kosten maar doorgaans tegen additionele loonkosten. Voor zover het om NWO- en EU-geld gaat is dat ook expliciet de bedoeling. Het mechanisme van matching is beschreven en financieel onderzocht door Ernst en Young (2014). Zij hebben berekend dat voor iedere euro aan onderzoeksopdrachten er gemiddeld € 0,74 door de universiteiten moet worden geïnvesteerd. Dit impliceert dat de opdrachten derden - die competitief van karakter zijn -, een veel groter deel van de universitaire financiering beslaan dan strikt op basis van hun omvang te verwachten is. In het rapport "Chinese borden" is dat effect beschreven.

Met de beschikbare gegevens, kunnen we ook in de tijd laten zien welke gevolgen de matching heeft voor datgene wat "overblijft" voor het eerste geldstroom onderzoek en voor het onderwijs. We kennen daarbij niet alleen de cijfers over de financiering, maar ook de feitelijke bestedingen aan onderwijs en onderzoek. Deze gegevens worden getoond in onderstaande figuren. Allereerst laten we de lumpsum zien van de eerste geldstroom (rijksbijdrage), de invloed van matching op hetgeen er overblijft uit de rijksbijdrage en het onderwijsdeel zoals berekend door de rijksoverheid. 
 

Effect van matching op rijksbijdrage

Bron: Min. OCW en Min. EZ: Jaarverslagen en begrotingen, Ernst & Young (2014)


De eerste geldstroom (inclusief de geneeskundefaculteiten) stijgt nominaal in de periode 2004-2017. De matching is in de genoemde periode ruim verdubbeld van € 0,6 miljard naar € 1,3 miljard. De lijn daaronder is hetgeen overblijft van de eerste geldstroom. Daaronder geeft de stippellijn de hoogte aan van de bedragen die de overheid berekent als het onderwijsdeel van de rijksbijdrage.

In de figuur is de totale stijging van de rijksbijdrage weer duidelijk zichtbaar. Door de toegenomen druk van de matching van onderzoeksopdrachten blijft er van deze stijging echter minder over voor het eerste geldstroom onderzoek en onderwijs. Dit effect wordt in de tijd steeds sterker door de toegenomen matchingsdruk, die op zijn beurt verklaard wordt door het toegenomen belang van onderzoeksopdrachten voor derden. De bedoelde ruimte voor eerste geldstroom onderzoek, die in de bekostiging (vorige figuur) van het rijk duidelijk groeit, neemt hierdoor in de besteding niet toe. 

In de bovenstaande figuur is ook te zien dat het deel onderwijs binnen de totale rijksbijdrage toeneemt van circa 40% (2004) naar circa 50% van de rijksbijdrage (2017). Dit is bewust beleid van de rijksoverheid door de groei van de uitgaven voor onderwijs (door hogere aantallen studenten en diploma's) niet te laten volgen door een evengrote groei van de uitgaven voor onderzoek in het bekostigingsmodel. Zie voor de groei van de uitgaven in relatie tot de onderwijsprestaties het factsheet: onderwijsprestaties en inkomsten van de Nederlandse universiteiten
 

besteding rijksbijdrage

Bron: DUO, Ministerie OCW en EZ. Jaarrekeningen universiteiten en umc's. CBS. Ernst en Young (2014).
Toelichting: Alle bedragen betreffen realisatiecijfers van de 13 research universiteiten. 

Het CBS berekent ieder jaar opnieuw een R&D-coëfficiënt, waarmee de besteding van de eerste geldstroom aan onderzoek wordt gespecificeerd. Deze coëfficiënt is gebruikt om de berekening te maken van de gerealiseerde bestedingen voor onderzoek én onderwijs uit de rijksbijdrage. Deze bestedingen zijn gegeven in de bovenstaande figuur; ze komen lager uit dan waar de rijksoverheid van uitgaat bij de berekening van de rijksbijdrage. Dit impliceert dat de dynamiek van de onderzoeksopdrachten (matching) niet alleen de ruimte voor het eerste geldstroom onderzoek beperkt, maar ook voor het onderwijs. Dat de matching ook ten laste blijkt te komen van het onderwijs was niet bekend. De totale ruimte voor onderzoek is groter dan je vanuit het Nederlandse verdeelmodel zou mogen verwachten, maar de ruimte voor het eerste geldstroom onderzoek is ten opzichte van 2004 niet toegenomen.

Over de data

In dit factsheet gebruiken we de cijfers van alle 18 universiteiten. Voor de matchingsproblematiek  (fig 3 en 4) ligt de focus op de 13 research universiteiten. De financiële cijfers zijn deels afkomstig van de originele verantwoordingsdocumenten van universiteiten (enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekeningen) en umc's (DigiMV en jaarrekeningen) en de representatie daarvan door DUO. De eerste geldstroom budgetten van de universiteiten zijn inclusief de bedragen die gemoeid zijn met onderwijs en onderzoek aan de geneeskundefaculteiten. Deze zijn echter ook een onderdeel van de jaarrekening van de umc's en worden dus eveneens op beide plaatsen verantwoord. De werkplaatsfunctie voor de umc's wordt in de jaarrekeningen van de umc's verantwoord; als onderdeel van de post "subsidies OCW".

Naarmate de bronnen ouder zijn, worden de gegevens minder gedetailleerd. De jaarverslagen (en DigiMV) van de umc's bevatten vanaf 2011 de uitsplitsingen naar soorten opdrachten voor derden; daarvoor niet of gedeeltelijk. Bij de universiteiten zien we deze uitsplitsingen vanaf 2008. De gegevens van 2007 en eerder zijn gebaseerd op alle opdrachten voor derden gezamenlijk (minus het contractonderwijs). Voor die periode zijn de opdrachten voor NWO, bedrijven, non-profit en de kaderprogramma's dus niet afzonderlijk zichtbaar te maken. We zien dat DigiMV tot en met 2016 een uitsplitsing mogelijk maakt van het opdrachtonderzoek bij de umc's. Dat onderscheid is in de verantwoording over 2017 verdwenen.

Het matchingspercentage is gebaseerd op het rapport van Ernst & Young (2014) "Uitkomsten feitenonderzoek matchingbehoefte op (Europese) onderzoeksubsidies". Sindsdien zijn er veranderingen doorgevoerd die onder meer tot doel hadden om de matchingsbehoefte te verkleinen, zoals het zogenaamde matchingsfonds bij NWO. Of dit ook daadwerkelijk tot een verlaging van de matchingsbehoefte heeft geleid is niet bekend; het onderzoek uit 2014 is niet herhaald.

De R&D-coëfficiënten van het CBS vormen de basis voor de berekening van de gerealiseerde bestedingen aan onderzoek en onderwijs. 

In de bijlage is een technische verantwoording gegeven van de gebruikte data en berekeningen.

Ten slotte

In het factsheet over het onderwijs aan de universiteiten en umc's zijn de data van prestaties en inkomsten naast elkaar gelegd. Daarbij is ook een specificatie gegeven van de informatie over de universiteiten Delft, Eindhoven, Twente en Wageningen (de 4TU's). Dergelijke gegevens zijn ook beschikbaar voor de onderzoeksprestaties en inkomsten, deze zijn gespecificeerd in de datapublicatie over onderzoeksprestaties en onderzoeksinkomsten van universiteiten / umc's en de 4TU's.

In deze datapublicatie zien we dat ook de onderzoeksprestaties van de universiteiten stijgen, terwijl de financiering (met name de rijksbijdrage) hierbij achter blijft. Dit is voor de 4TU's nog sterker het geval.

 

Foto: Frank Muller/Zorginbeeld/Hollandse Hoogte