calendar tag arrow download print
Image
factsheet
11 februari 2019

Inkomsten en prestaties Nederlandse universiteiten; onderwijs

Geldstromen Diploma's
In dit factsheet plaatsen we de inkomsten uit de eerste geldstroom naast de onderwijsgerelateerde prestaties van de universiteiten.

De inkomsten van de Nederlandse universiteiten zijn tussen 2010 en 2017 gestegen van € 5,9 naar € 7,0 miljard. Zie  ook 'Baten Nederlandse universiteiten naar inkomstenbron'.

Een deel van het geld dat universiteiten ontvangen komt rechtstreeks uit de rijksbegroting in de vorm van de rijksbijdrage. Hier zit een deel in dat bedoeld is voor onderwijs en een deel dat bedoeld is voor onderzoek. Het is een lumpsum, hetgeen betekent dat universiteiten de bestedingen naar eigen inzicht kunnen doen. De verdeling van de rijksbijdrage over de instellingen gebeurt op basis van het bekostigingsmodel hoger onderwijs. Een andere bron voor de inkomsten zijn de collegegelden die universiteiten ontvangen op basis van de inschrijvingen van studenten. Tenslotte nog de tweede en derde geldstroom bedragen die vooral uit onderzoekactiviteiten bestaan.

In dit factsheet plaatsen wij de inkomsten uit de eerste geldstroom (rijksbijdrage onderwijsdeel, de rijksbijdrage totaal en de rijksbijdrage inclusief de collegegelden) naast de onderwijs gerelateerde prestaties van de universiteiten; de aantallen behaalde bachelor en master diploma’s. We willen hiermee in beeld brengen in hoeverre een verhoging van prestaties al dan niet tot een verhoging van de bekostiging leidt. Omdat er bij de technische universiteiten sterk wordt ingestoken op hun achterblijvende bekostiging worden deze  universiteiten ook als aparte groep gepresenteerd in de onderstaande overzichten. In de figuur is de totale rijksbijdrage opgenomen. De cijfers over alleen de rijksbijdrage voor onderwijs, naar begroting en realisatie vindt u hier

Trends inkomsten en prestaties bij de Nederlandse universiteiten 

De inkomsten uit de eerste geldstroom zijn ten opzichte van 2010 (6 jaar) met 16.3% gestegen (inflatie in dezelfde periode 11,0%; bron CBS historische CPI inflatiecijfers). Kijken we naar de onderwijscomponent in de rijksbijdrage dan zien we een stijging van 16,3 procent met een stijging van de onderwijscomponent van 24.6% (inclusief prestatiebekostiging). Nemen we de onderwijscomponent inclusief college- en lesgelden meer dan is de stijging 31,6%. Aan de kant van de prestaties zien we ook stijgingen. De aantallen bachelor en master diploma's stijgen in hetzelfde tempo als het onderwijsdeel van de rijksbijdrage en de parameter inclusief de collegelden maar stijgen veel sterker dan de totale post van de rijksbijdrage. De financiering houdt gedeeltelijk gelijke tred met de ontwikkelingen van de prestaties. In de onderstaande figuur worden dezelfde cijfers weergegeven voor een groep van 4 technische universiteiten.

Trends bij de 4 technische universiteiten

Bij de technische universiteiten (Delft, Eindhoven, Twente en Wageningen) zien we forse sterkere ontwikkeleingen in veel van de parameters. De stijgingen van de aantallen diplomas is hier veel sterker (master +60,8% en bachelor +55,1%). De inkomsten bij de technische universiteiten blijven daarop achter. De totale rijksbijdrage stijgt iets minder dan bij de universiteiten algemeen maar de rijksbijdrage  onderwijscomponent stijgt iets meer zeker als we daar de college- en lesgelden bij includeren.

Dit leidt tot de conclusie dat de inkomsten uit de rijksbijdrage voor de 4-TU geen gelijke tred houden met de prestaties van de deze universiteiten. De pijn die door de 4TU-federatie wordt gevoeld en gerapporteerd is uit deze parameters te begrijpen.

Een deel van de inkomsten komt uit de rijksbijdrage en een ander deel komt uit de opdrachten voor derden (2e en 3e geldstroom dus NWO, EU en bedrijven en instellingen). Met name dit opdrachtonderzoek is sterk gestegen. Door de matchingdruk die de 2e en 3e geldstroom met zich meebrengt neemt daardoor de druk op de rijksbijdrage toe. Zie hiervoor ook het factsheet "Het onderzoek aan universiteiten en UMC's"

Verschillen tussen de individuele universiteiten

Er zijn ook verschillen tussen de afzonderlijke universiteiten gevonden. Een relatie tussen bekostiging en onderwijsprestaties zien we ook bij de cijfers van de individuele universiteiten niet echt terug. Uitzonderingen zijn de universiteit van Utrecht en de Radboud Universiteit die een beperkte ontwikkeling kennen in alle parameters; een beperkte groei in aantallen diploma's (vooral bij de masters) maar ook beperkte ontwikkeling van de rijksbijdrage.  Bij de overige instellingen zien we dat de aantallen diploma's en de financiering uit elkaar lopen. Bij de universiteiten van Maastricht, Tilburg, Delft en Eindhoven zien we de ontwikkeling sterker bij de masters. Bij andere instellingen zien we dat de groei in het aantal bachelor diploma's prominenter is (Leiden, Rotterdam en de beide Amsterdamse universiteiten). Wageningen is de universiteit met de sterkste stijgingen in bachelor en master diploma's.

Meer informatie over de 13 research universiteiten vindt u hier.

Achtergronden van de stijgingen

Aan de sterk gestegen aantal graden en diploma’s liggen twee ontwikkelingen ten grondslag; de internationalisering van de universiteiten en de groeiende belangstelling voor het universitair onderwijs onder jongeren. De internationalisering van de universiteiten komt tot uitdrukking in de steeds groeiende aantrekkingskracht voor buitenlandse studenten. In de genoemde periode is het aantal buitenlandse studenten verdubbeld tot 48.500 in 2017 (71% van hen komt uit de EER en komt dus ook voor bekostiging in aanmerking). Deze internationalisering zien we in alle landen om ons heen. Nederland neemt wat betreft het percentage buitenlanders in het hoger onderwijs een middenpositie in; wat hoger dan Duitsland, iets lager dan België en fors lager dan het Verenigd Koninkrijk.

Er is sinds de jaren 60 een trend dat onderwijsloopbanen steeds langer worden en steeds hoger eindigen. Het aantal vwo-gediplomeerden dat naar het wo gaat blijft nog licht stijgen tot midden jaren 2020. Het effect van deze trend is aanwezig maar is betrekkelijk gering.

Over de data

De data van de inkomsten van de universiteiten zijn gebaseerd op de jaarrekeningen van de universiteiten en de jaarlijkse verzameling daarvan in de gegevensboeken van DUO die in september van het daaropvolgende jaar worden gepubliceerd. In de DUO gegevensbestanden wordt per universiteit een onderscheid gemaakt in 4 inkomstenbronnen; de rijksbijdrage, de collegegelden, werk voor derden en de post overig. Werk voor derden bevat zowel de tweede geldstroom (NWO) als ook de derde geldstroom (EU subsidies, opdrachten bedrijven en non-profit).

De gegevens over de aantallen bachelor en master diploma’s zijn gebaseerd op het 1-cijfer HO bestand (DUO/VSNU/CBS).

De data van de buitenlandse studenten per land komen van de OECD (indicator C4.1 uit Education at a Glance) en de cijfers over de ontwikkeling van het aantal buitenlandse studenten aan de Nederlandse universiteiten komen van de VSNU die dat op hun beurt weer baseert op het 1-cijfer HO bestand.

De gegevens over het onderwijsdeel van de rijksbijdrage zijn gebaseerd op enerzijds de jaarrekeningen van de universiteiten (voor de hoogte van de gerealiseerde eerste geldstroom) en de rijksjaarverslagen OCW en de bekostigingsbrieven (waarin ook de EZ bedragen zijn opgenomen).

 

Foto: Arie Kievit/Hollandse Hoogte