calendar tag arrow download print
Image
factsheet
15 februari 2018

R&D-investeringen in internationaal perspectief

Dit factsheet zet de financiering en uitvoering van R&D in Nederland in een internationale context.

Research and Development (R&D) is van doorslaggevend belang voor economische groei en welvaart. Het is belangrijk om te weten hoeveel wij en hoeveel andere landen besteden aan R&D omdat het een indicatie kan geven over welk beleid succesvol blijkt te zijn in een bepaalde context. In deze factsheet worden de R&D-investeringen in Nederland in een internationale context gezet.

R&D-uitgaven

De hoeveelheid geld die besteed wordt aan onderzoek en ontwikkeling (R&D-uitgaven) is belangrijke informatie voor nationale en internationale beleidsmakers. In het bijzonder worden statistieken over R&D-uitgaven gebruikt om te kijken wie R&D uitvoert, het financiert en waar het plaatsvindt. De nominale totale R&D uitgaven in Nederland namen tussen 2011 en 2017 toe van € 12,2 miljard naar € 14,7 miljard (CBS Statline). Om het niveau van de R&D-uitgaven over meerdere jaren te vergelijken en tussen landen onderling, drukken we de R&D-uitgaven uit als percentage van het bruto binnenlands product (bbp). Dit wordt ook wel de R&D-intensiteit genoemd. Op deze manier wordt in de vergelijking rekening gehouden met de ontwikkeling van de omvang van de economie over tijd en met verschillen tussen landen in de omvang van totale economie. 

R&D als percentage van bbp

Onderstaande grafiek laat de ontwikkeling zien van de totale uitgaven aan R&D als percentage van het bbp in Nederland, de EU en de OESO-landen (gemiddeld). Aan dit cijfer wordt gemeten of Nederland in 2020 het internationaal afgesproken R&D-percentage van 2,5 procent van het bbp bereikt. De verzameling en verwerking van deze cijfers zijn gebaseerd op internationale afspraken zoals vastgelegd in de Frascati Handleiding (2015) over de definitie van R&D en welke typen uitgaven wel en niet worden meegenomen. 

In de nationale R&D statistieken zoals in onderstaande grafiek, worden de R&D-uitgaven opgevraagd bij bedrijven als de R&D uitvoerder. Dankzij fiscale stimuleringsmaatregelen voor R&D (zoals de WBSO/RDA) kunnen bedrijven in Nederland hun kosten voor R&D verlagen, door een lagere belastingafdracht over hun personele kosten op het gebied van speur- en ontwikkelingswerk (R&D) en een verhoogde fiscale aftrek voor R&D-investeringen en R&D-exploitatiekosten. Bedrijven geven daarbij als uitvoerende partij hun uitgaven aan R&D op, inclusief die uitgaven die met fiscale maatregelen zijn gestimuleerd. Wanneer de gederfde belastinginkomsten dan nog bij deze R&D-uitgaven zouden worden opgeteld, zou dit leiden tot dubbeltelling.

Waar het bij de WBSO gaat om belastingvoordelen over specifieke R&D en innovatie-uitgaven, gaat het bij de Innovatiebox om een lager belastingtarief over winst die voortkomt uit R&D- of innovatieactiviteiten die bedrijven in het verleden hebben ondernomen. In de internationale statistieken worden de met de Innovatiebox vergelijkbare “patent boxes” om die reden ook niet meegenomen bij de fiscale steun voor R&D en innovatie (zie OECD Frascati Manual 2015, blz. 346).

Nederland zit de afgelopen vijf jaar steeds onder de gemiddelden van de EU-15 en de OESO-landen, maar boven het gemiddelde van de EU-28. In Nederland was er tussen 2011 en 2014 vergeleken met de EU- en OESO-landen ook sprake van een snellere toename van de R&D-uitgaven als percentage van het bbp, van 1,90% in 2011 naar 2,0% in 2014. Sindsdien stagneert het rond dit percentage. Vanaf 2014 stagneren ook de EU- en OESO-gemiddelden. 

R&D-uitgaven naar uitvoerende sector

Onderstaande grafiek laat voor een aantal landen zien hoeveel R&D er wordt uitgevoerd door de verschillende sectoren, uitgedrukt als percentage van het bbp. Er is een groot verschil tussen de totale R&D-intensiteit van landen. Verschillen zijn er ook voor de verhouding in R&D-intensiteit tussen de verschillende sectoren. Dit weerspiegelt de verschillen tussen landen in de uitvoeringsstructuur van R&D. Verder valt op dat Nederland een lagere R&D-intensiteit heeft dan een aantal landen waarmee het zich wil vergelijken.

De R&D-uitgaven uitgevoerd door het bedrijfsleven van Nederland bedragen 1,16 procent van het bbp in 2016, tussen het gemiddelde van de EU-28 en de EU-15, en onder het merendeel van de referentielanden. Wat betreft de R&D-uitgaven in het hoger onderwijs en researchinstellingen zit Nederland in de top van de middenmoot.

R&D uitgaven naar type financieringsbron

Van de totale € 14,3 miljard aan R&D uitgevoerd in Nederland in 2016 wordt ongeveer de helft (€ 7,0 miljard) gefinancierd door bedrijven. Een derde is publiek gefinancierd (€ 4,6 miljard), 3% komt van overige nationale bronnen en 16% is afkomstig uit het buitenland. 

Ontwikkeling R&D gefinancierd door bedrijven

Onderstaande grafiek laat zien dat de R&D-financering door bedrijven in Nederland over de periode 2011-2015 lager ligt dan de OESO en EU-gemiddelden. In de internationale datapublicatie over R&D-uitgaven naar financieringsbron is te zien dat de R&D-financiering door bedrijven in Nederland tevens lager ligt dan in de meeste referentielanden.

Ontwikkeling R&D gefinancierd door de overheid

De figuur hieronder laat de ontwikkeling in de omvang van de financiering van R&D door de overheid zien, uitgedrukt als percentage van het bbp. De Nederlandse overheidsfinanciering beweegt zich rond de EU en OESO-gemiddelden. Het OESO-gemiddelde laat sinds 2011 een dalende trend zien. In de datapublicatie over uitgaven aan R&D naar financieringbron is te zien dat er grote verschillen zijn tussen landen qua R&D-intensiteit van de overheidsfinanciering. 

Financiering door bedrijven van R&D bij publieke kennisinstellingen

Publieke kennisinstellingen (hoger onderwijsinstellingen en publieke researchinstellingen) krijgen hun financiering uit verschillende bronnen. De overheid is de belangrijkste financier maar een deel komt ook van het bedrijfsleven.

Onderstaande grafiek laat zien in welke mate de R&D-activiteiten van de publieke kennisinstellingen door het bedrijfsleven worden gefinancierd. In vergelijking met andere landen kent Nederland een relatief hoog percentage aan private financiering bij publieke kennisinstellingen. Bij buurlanden Duitsland en België ligt dit aandeel nog iets hoger.

Over de data

De OESO Frascati Manual (2015) is de erkende wereldwijde standaard voor het verzamelen en rapporteren van internationaal vergelijkbare statistieken over de financiële en personele middelen voor onderzoek en experimentele ontwikkeling, beter bekend als R&D (in het Nederlands: Onderzoek en Ontwikkeling – O&O). De Frascati Manual vormt de basis voor een gemeenschappelijke taal voor discussies over R&D en de resultaten ervan.

De MSTI database, gebaseerd op de dataverzameling door landen op basis van de Frascati Manual, biedt een set van indicatoren die het niveau en de structuur van de inspanningen van de OESO-landen en zeven niet-lid economieën (Argentinië, China, Roemenië, Rusland, Singapore, Zuid-Afrika, Chinese Taipei) op het gebied van wetenschap en technologie vanaf 1981 weergeven. De indicatoren in de database hebben betrekking op de middelen voor onderzoek en ontwikkeling (R&D), patenten, technologische betalingsbalans en de internationale handel in R&D-intensieve industrieën.

 

Foto: Bai Kelin/Imagine China/Hollandse Hoogte