calendar tag arrow download print
factsheet
28 augustus 2018

Vertrouwen in de wetenschap

De factsheet bevat een beknopt cijfermatig overzicht over hoe het gesteld is met het vertrouwen van de Nederlandse burger in de wetenschap.

Vertrouwen in de wetenschap is gebaseerd op de hoop en verwachting dat de wetenschap ons leven gezonder, langer, interessanter en dus prettiger maakt. Vertrouwen in de wetenschap is een belangrijke parameter om de impact van wetenschap te beoordelen. In deze factsheet geven we beknopt een cijfermatig overzicht van hoe het gesteld is met het vertrouwen van de Nederlandse burger in de wetenschap. 

Vertrouwen in wetenschap bij de Nederlandse burger

Vertrouwen in de wetenschap is gemeten door middel van drie enquêtes (2012, 2015 en 2018) onder een representatieve steekproef van Nederlandse burgers. Gevraagd is op een schaal van 1 (geen enkel vertrouwen) tot 10 (volledig vertrouwen) hoeveel vertrouwen burgers hebben in een aantal instituties. 

Algemeen beeld

Van alle onderzochte instituties scoort de wetenschap het hoogst voor vertrouwen: een 7,1. De rechtspraak komt op de tweede plaats met een 6,5. Vakbonden scoren een 5,8. Kranten krijgen een 5,8, televisie een 5,7. De politiek krijgt een 5,5 en grote bedrijven scoren het laagst met 5,4. 

Ook wetenschappelijke informatiebronnen over klimaatverandering en vaccinatie krijgen veel vertrouwen: hier staat wetenschap, net als in 2012 en 2015, (bijna) bovenaan. Het grote vertrouwen gaat samen met steeds hogere verwachtingen. In vergelijking met 2015, verwacht een hoger percentage mensen in 2018 dat wetenschap zal bijdragen aan het oplossen van diverse problemen. De associaties die mensen hebben bij de wetenschap zijn in alle drie de metingen bijna allemaal positief.

Vertrouwen van verschillende groepen: leeftijd, gender en opleiding

Uit alle drie de metingen blijkt dat vertrouwen in de wetenschap samenhangt met opleidingsniveau. Bij hoger opgeleiden is er meer vertrouwen dan bij lager opgeleiden. Mannen en vrouwen hebben een vergelijkbaar vertrouwen, jong en oud verschilt ook nauwelijks. Dit geldt althans voor de leeftijdsgroepen tot 50 jaar. Bij de groep ouder dan 50, geven vrouwen gemiddeld genomen een lager cijfer voor vertrouwen in de wetenschap dan mannen van dezelfde leeftijd. Ook in de eerdere Rathenau Instituut-onderzoeken naar vertrouwen in de wetenschap. Dit verschil blijft significant wanneer gecorrigeerd is voor het aanwezige verschil in opleidingsniveau van mannen en vrouwen van die leeftijd, of het verschil in kennis van wetenschap.

Bekwaamheid, betrouwbaarheid en integriteit van wetenschappers

In het onderzoek in 2018 is vertrouwen geconceptualiseerd aan de hand van de begrippen bekwaamheid, betrouwbaarheid en integriteit van wetenschappers. Bijna 4 op de 5 (77-79%) Nederlanders denkt dat wetenschappers zorgvuldig werken, op hun gebied deskundig en te vertrouwen zijn, ook al zijn ze het niet altijd met elkaar eens. Het merendeel van de Nederlanders denkt dat wetenschappers objectief en onafhankelijk werken (66%). 23% van de Nederlanders denkt dat wetenschappers onderzoek aanpassen om de antwoorden te krijgen die ze willen hebben. Dat bijna 1 op de 4 (23%) Nederlanders denkt dat wetenschappers het onderzoek aanpassen om de antwoorden te krijgen die ze willen hebben, lijkt een opvallende uitkomst. Wat opvalt, is dat deze groep alle instituties gemiddeld een significant lager cijfer voor vertrouwen geeft. Zij hebben dus niet alleen in de wetenschap, maar in alle instituties minder vertrouwen.

De relatie van wetenschap met bedrijven en overheid

Nederlanders denken dat overheden en bedrijven selectief gebruik maken van de inzichten uit wetenschappelijk onderzoek. Wanneer wetenschappers werken in opdracht van overheden en bedrijven, daalt het vertrouwen in de integriteit van die wetenschappers. Een deel van de Nederlanders denkt dat wetenschappers de resultaten aanpassen aan de wensen van de overheid (34%) of aan wat het bedrijf (41%) wil.

Verder is het beeld dat Nederlanders hebben van overheid en bedrijven bij opdrachtonderzoek niet positief:

  • 57% denkt dat de overheid niet goed weet hoe zij de resultaten van het onderzoek moet gebruiken bij beleid,
  • een overgroot deel denkt dat bedrijven en de overheid de wetenschappelijke resultaten alleen zullen gebruiken als deze passen bij hun eigen ideeën;
  • en rond de 60% denkt dat overheid en bedrijven ongewenste resultaten zullen proberen tegen te houden.

Daar staat tegenover dat Nederlanders vinden dat wetenschappers zich bij de keuze van hun onderwerp best mogen laten leiden door onderwerpen die van belang zijn voor bedrijven en de overheid. Verder vindt men dat de overheid bij beslissingen vaker, afhankelijk van het onderwerp, rekening moet houden met de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek.

Vertrouwen bij onderzoek in opdracht van overheid en bedrijven

Deze resultaten zijn zowel relevant voor wetenschappers als voor overheid en bedrijven. Wetenschappers zouden zich bij samenwerkingen met overheid en bedrijven moeten realiseren dat een groot deel, (34-41%), van de Nederlanders denkt dat het onderzoek aangepast wordt om de resultaten te krijgen die de opdrachtgever wil. De overheid moet zich realiseren dat een groot deel van de Nederlanders denkt dat onderzoek waar de overheid voor betaalt, aangepast wordt voor de overheid. Dit geldt nog in sterkere mate voor onderzoek dat betaald wordt door bedrijven.

Meer resultaten zijn te lezen in Vertrouwen in de wetenschap 2018.

 

Bronnen: