Embryo's onder de loep
Maatschappelijke perspectieven op embryo-onderzoek uit dialogen en enquête
Rapport
Downloads
-
Resultatenbijlage
bestand type pdf - bestand formaat 693.86 kB
Download Resultatenbijlage Embryo's onder de loep - Rathenau Instituut
In Nederland wordt onderzoek met embryo's gereguleerd met de Embryowet uit 2002. Verschillende facetten van de wet zijn momenteel onderwerp van politieke discussie.
Om politieke besluitvorming over een vernieuwde Embryowet te ondersteunen, is opgeroepen tot brede maatschappelijke dialoog. De afgelopen jaren hield het Rathenau Instituut, vaak in consortia, verschillende dialogen naar het perspectief van Nederlanders op onderzoek met embryo's en embryo-modellen. In dit rapport brengen we deze studies bij elkaar.
In Nederland wordt onderzoek met embryo's gereguleerd met de Embryowet uit 2002. Verschillende facetten van de wet zijn momenteel onderwerp van politieke discussie. Ten eerste de definitie van een embryo: in de huidige formulering in de wet is onduidelijk hoe nieuwe, zogenoemde 'embryo-modellen' die ontstaan uit stamcellen, gereguleerd zijn. Ten tweede het in 2002 opgenomen verbod op het speciaal voor onderzoek tot stand brengen van embryo's. En ten derde de regel dat wetenschappers embryo's in het laboratorium tot maximaal veertien dagen mogen laten ontwikkelen.
Maatschappelijke dialoog
Om politieke besluitvorming over een vernieuwde Embryowet te ondersteunen, is opgeroepen tot brede maatschappelijke dialoog. De afgelopen jaren hield het Rathenau Instituut, vaak in consortia, verschillende dialogen naar het perspectief van Nederlanders op onderzoek met embryo's en embryo-modellen. In dit rapport brengen we deze studies bij elkaar. Het gaat om de DNA-dialoog (2019-2020), HipGametes (2023). Holland's Next Embryo Model (2024-2025) en een publieksenquête (2025).
Wat gaan we met embryo-onderzoek doen?' was een van de meest terugkomende vragen bij de verschillende dialogen. Wetenschappers en artsen noemen vaak het ontwikkelen en verbeteren van vruchtbaarheidsbehandelingen of inzicht krijgen in het ontstaan van erfelijke aandoeningen.
Genuanceerd wel: onderzoek naar ziektes en onvruchtbaarheid
Mensen vinden onderzoek gericht op het voorkomen van ernstig lijden belangrijk. Ze willen graag dat hierop gefocust wordt. Zij vinden daarom onderzoek naar ernstige (erfelijke) ziekten vaak het meest wenselijk. Er is ook een grote groep voor wie onvruchtbaarheid hieronder valt. Ook het verbeteren van bestaande behandelingen vinden veel mensen een mooi doel.
Genuanceerd niet: baby's, mensverbetering en winst
Mensen hebben vaak vragen en zorgen bij het ontwikkelen van stamcellen met het doel daaruit uiteindelijk kinderen geboren te laten worden. Die gaan over het welzijn van kinderen die hieruit voortkomen, maar ook over onvoorziene gevolgen zoals misbruik van clandestien verkregen lichaamsmateriaal.
Een vaak terugkerend thema is dat men denkt dat verschillende ontwikkelingen samen gaan komen en dat daarmee nieuwe doelen nagestreefd zullen worden. Behandelen van vruchtbaarheidsproblemen en ziekten kan met steeds nieuwe mogelijkheden langzaam overgaan in 'mensverbetering'. Daarbij denken mensen bijvoorbeeld aan het samenkomen van stamceltechnologie met technieken voor het aanpassen van DNA, en ontwikkelingen in AI.
In de verschillende dialogen geven mensen aan te denken dat ook het najagen van wetenschappelijke prestige, of het maken van winst soms een doel van het onderzoek kan zijn. Zij vinden lang niet alle doelen even wenselijk.
Context en voorwaarden belangrijk
Deelnemers nemen de context en kaders waarbinnen onderzoek plaatsvindt mee in hun oordeelsvorming. Naast enthousiasme over wetenschap en de kansen die het kan brengen, hebben mensen ook zorgen.'
Veel mensen denken dat de koers van het embryo-onderzoek moeilijk te sturen is, doordat wetenschappelijke en commerciële belangen groot zijn, en doordat andere technologieën zoals kunstmatige intelligentie deze ontwikkeling verder versterken.
Mensen verwachten ook dat er altijd landen zijn waar het onderzoek door zal gaan, onder minder strikte voorwaarden. Er is relatief veel vertrouwen in Nederland. Sommigen geven aan dat we een voorbeeldrol kunnen vervullen met strikte kaders en regelgeving.
Sommige mensen vroegen zich af welke bredere maatschappelijke impact het onderzoek zou kunnen hebben; wat doen nieuwe medische mogelijkheden met zorgkosten of onze kijk op kinderen krijgen.
Positief over rest-embryo's; twijfel over speciaal gemaakte embryo's
Nederlanders staan overwegend positief over het gebruik van rest-embryo's die overblijven na een ivf-behandeling. Over het speciaal maken van embryo's voor onderzoek is men meer verdeeld. Voor veel mensen is dit een dilemma waarbij veel overwegingen meespelen. Zo speelt mee dat rest-embryo's er 'al zijn', dat er met een verbod op het maken van embryo's voor onderzoek 'een grens zit' aan de mogelijkheden van embryo-onderzoek, dat voor het maken van embryo's eicellen gedoneerd moeten worden, en dat er met speciaal gemaakte embryo's nieuwe (en soms gevoelige) onderzoeksmogelijkheden en toepassingen kunnen ontstaan.
Desgevraagd is 31% voor het opheffen van het huidige verbod. Gevraagd naar specifieke doelen zijn instemmingspercentages soms hoger; zo vindt 68% dat embryo's gemaakt mogen worden om vruchtbaarheidsbehandelingen te verbeteren.
Verdeeld over verlengen van veertiendagengrens naar 28 dagen
Ook over het verleggen van de veertiendagengrens zijn de meningen verdeeld. 46% wil de veertiendagengrens houden. 40% is voor verlengen. Motivaties tegen het verlengen verschillen. Voor sommigen weegt beschermwaardigheid van het embryo zwaar. Anderen geven aan vooral zorgen te hebben over het steeds verder verleggen van grenzen rond embryo-onderzoek in het algemeen.
Embryo-modellen uit stamcellen: geen eenduidige voorkeur
In dialogen zijn veel mensen overwegend positief over onderzoek met embryo-modellen. In de enquête werden verschillende embryo-modellen ook met elkaar en met klassieke embryo's vergeleken. Hieruit kwam geen eenduidige voorkeur voor een type embryo(-model) naar voren. Zo heeft een derde van de enquête-respondenten een voorkeur voor onderzoek met incomplete embryo-modellen die nooit levensvatbaar zijn. Een klein groepje mensen heeft liever complete modellen, of zelfs klassieke embryo's, onder andere omdat men denkt dat onderzoeksresultaten beter zullen zijn.
In dialogen werd onderzoek met incomplete modellen die moreel relevante eigenschappen missen – zoals een kloppend hart of groei van hersenen – soms wenselijker gevonden dan modellen die deze eigenschappen wel konden ontwikkelen. In de enquête zien we echter geen eenduidige voorkeur voor specifieke eigenschappen. Het missen van eigenschappen vindt men vaak vooral prettig omdat uitgroeien tot mens zo is uitgesloten.
Uit de enquête blijkt verder dat een klein percentage (ongeveer 8%) van de mensen alle vormen van embryo-onderzoek geheel afwijst: of het nu gaat om embryo-modellen, rest-embryo's of speciaal gemaakte embryo's. Voor hen zijn embryo-modellen dus ook geen alternatief.
Aanknopingspunten voor het politieke debat
Embryo-onderzoek is voor veel Nederlanders geen zwart-witvraagstuk, maar een terrein van voortdurende waardenafweging, waarbij mensen regelmatig twijfel en ambivalentie ervaren. Waar de enquêtecijfers laten zien hoe opvattingen over de aanpassing van de Embryowet in de breedte verdeeld zijn, wordt pas duidelijk wat er voor burgers daadwerkelijk op het spel staat en hoe zij tot hun oordeel komen door met ze in gesprek te gaan.
Dit rapport is bedoeld om het politieke debat en de besluitvorming over onderzoek met embryo's en embryo-modellen te ondersteunen. Hoewel publieksonderzoek geen eenduidig antwoord biedt op politiek beladen vraagstukken, omdat ook in de samenleving sterk uiteenlopende visies leven, zijn er wel aanknopingspunten voor hoe met deze verschillen kan worden omgegaan. Daarnaast geeft het handvatten voor het voeren van een zorgvuldig debat over dit onderwerp.
Handelingsopties
- Gebruik publieksdata primair om inzicht te krijgen in onderliggende waarden en afwegingen, en niet als zelfstandig beslisinstrument of legitimatie van beleidskeuzes.
- Houd oog voor de samenhang van stapsgewijze verruimingen van de Embryowet. Verdeeldheid over al dan niet verruimen van delen van de Embryowet, alsook zorgen over de toekomst, onderstrepen dat het belangrijk is niet alleen per voorstel een afweging te maken, maar ook expliciet stil te staan bij de samenhang tussen deze dossiers en de mogelijke cumulatieve effecten ervan. Bovendien vraagt het om het adresseren van zorgen over een 'glijdende schaal'. Uiteindelijk is dit van belang voor het vertrouwen van Nederlanders in de wetgeving.
- Bespreek de langetermijntoepassingen die met nieuwe wetgeving mogelijk dichterbij kunnen komen, en expliciteer in het debat hoe dit als overweging wordt meegenomen.
- Neem mee hoe Nederland zich wenst te verhouden tot wetenschappelijke en juridische ontwikkelingen in andere landen en verschillende internationale afspraken.
- Heb aandacht voor de verschillende mogelijke doelen van het gebruik van embryo's en embryo-modellen voor onderzoek.
- Expliciteer randvoorwaarden en kaders van onderzoek naar kiembaanmodificatie. Communiceer deze ook helder met het Nederlandse publiek. Overweeg daarbij om extra kaders te formuleren voor het onderzoek naar het aanpassen van embryo-DNA. Neem hierin ook de resultaten van de nog lopende DNA-dialogen mee.
- Heb aandacht voor geïnformeerde toestemming bij de donatie van lichaamscellen.
De politieke discussie over wijzigingen van de Embryowet komt anno 2026 in een beslissende fase terecht. Zowel de aanpassing van de definitie van het embryo, als het al dan niet toestaan van het speciaal tot stand brengen van embryo's voor onderzoek, liggen voor in het parlement. Dit debat raakt aan fundamentele ethische vragen, zoals de morele status van het embryo, de grenzen van medisch-wetenschappelijk onderzoek en de voorwaarden waaronder nieuwe technologische mogelijkheden wenselijk worden geacht. Dit rapport brengt de perspectieven van burgers hierop in kaart.
Embryo-onderzoek is voor veel Nederlanders geen zwart-wit vraagstuk, maar een terrein van voortdurende waardenafweging, waarbij mensen regelmatig twijfel en ambivalentie ervaren. Om die reden presenteren we in dit rapport de resultaten van onze enquête over embryo-onderzoek in samenhang met de resultaten van eerder gevoerde dialogen. Waar de enquêtecijfers laten zien hoe opvattingen over de aanpassing van de Embryowet in de breedte verdeeld zijn, wordt pas duidelijk wat er voor burgers daadwerkelijk op het spel staat en hoe zij tot hun oordeel komen door met ze in gesprek te gaan.
Dit rapport beoogt inzicht te geven in de belangrijkste overwegingen die voor burgers meespelen. Voor het politieke debat over embryo-onderzoek is het belangrijk te melden dat dit rapport geen draagvlakmeting is onder de Nederlandse bevolking of groepen daarbinnen. Argumenten zijn thematisch ingedeeld, en niet uitgesplitst naar specifieke subgroepen. De nadruk ligt op terugkerende afwegingen en dilemma's. We erkennen dat deze keuze het zicht kan beperken op wie bepaalde argumenten vaker naar voren brengt en welke nuances tussen groepen bestaan, maar hiermee ontstaat een breder beeld van wat er voor mensen toe doet rondom embryo-onderzoek. Uiteindelijk is het aan de politiek om te beslissen welke afwegingen de doorslag geven in besluitvorming.
We gaan eerst in op de belangrijkste overkoepelende bevindingen uit het onderzoek. We bespreken waarover met name verschillen van inzichten bestaan, maar ook een aantal punten die breed leven. Daarna geven we inzicht in hoe deze bevindingen het politieke debat kunnen informeren.
Belangrijkste bevindingen
Veel deelnemers stonden over het algemeen positief tegenover wetenschappelijke vooruitgang en nieuwe technologische mogelijkheden. Toch spraken we tijdens de focusgroepen en dialogen uitgebreider over zorgen en voorwaarden, dan over de kansen. Deze nadruk weerspiegelt de aard van het gesprek en niet noodzakelijk een afwijzende houding. Ook Schuttelaar & Partners (2020) concludeerden naar aanleiding van focusgroepen onder Nederlanders, dat meer kennis over het onderwerp zorgt dat mensen het onderzoek met embryo's acceptabeler vinden, maar dat het tegelijkertijd kritischer maakt op de randvoorwaarden en toepassingen ervan. De uitkomsten moeten daarom worden gelezen als een inventarisatie van wat burgers belangrijk vinden om mee te wegen bij beleidsvorming.
Resultaten grotendeels stabiel ten opzichte van eerdere enquête in 2020; wel meer instemming met gebruik rest-embryo's en mogelijk meer kennis
De enquête die we in dit rapport meenemen is een update van de enquête uit het rapport Gewicht in de Schaal (Rathenau Instituut, 2020). De resultaten over het gebruik van rest-embryo's zijn iets veranderd. Er is een stijging in aantal mensen dat (neigt naar) instemmen met gebruik van rest-embryo's: van 55% in 2020, naar 71% in 2025. Ook is het aantal respondenten dat denkt dat embryo's gebruikt worden om voortplantingstechnieken te verbeteren toegenomen. In 2020 was dit 56%, en nu is dat 77%. Mogelijk speelt berichtgeving in de media rondom veranderingen in de Embryowet hierbij een rol.
Resultaten over het speciaal voor onderzoek maken van embryo's, en de veertiendagengrens zijn redelijk gelijk gebleven. Het percentage dat zegt te (neigen naar) instemmen met het speciaal voor onderzoek maken van embryo's was in 2020 49% en in 2025 52%. Op de vraag of de veertiendagengrens verlegd moet worden naar 28 dagen, antwoordde in 2020 34% 'ja' en 46% 'nee'. In 2025 antwoordde 40% 'ja', en 46% 'nee'. De groep die aangaf het niet te weten is gedaald van 20% in 2019 naar 14% nu.
Mensen nemen een breed pallet aan overwegingen mee in meningsvorming
Nederlanders beoordelen onderzoek met embryo's en embryo-modellen doorgaans niet in absolute termen. Hun opvattingen zijn meestal sterk afhankelijk van het doel en de context van het onderzoek. Wetenschappelijke toepassingen, zoals fundamenteel onderzoek naar de ontwikkeling van het embryo, en medische toepassingen, zoals het voorkomen of behandelen van ziekte, worden relatief vaak als belangrijk en legitiem gezien. Toepassingen die verder gaan, zoals mensverbetering of commerciële doeleinden, stuiten op weerstand. Ook vragen veel mensen zich af in hoeverre de ontwikkeling van wenselijke toepassingen uiteindelijk de deur naar onwenselijke toepassingen op een kier zet, en hoe hiermee om te gaan.
Naast ethische vragen rondom beschermwaardigheid nemen mensen ook mogelijk bredere maatschappelijke gevolgen, risico's van misbruik en internationale ontwikkelingen mee in hun overwegingen. Veel mensen ervaren daarbij ambivalentie. Zij zien kansen en risico's en vinden het moeilijk om tot een eenduidig standpunt te komen. Deze gelaagdheid is kenmerkend voor hoe mensen zich over dit onderwerp uitlaten, en opvattingen kunnen variëren afhankelijk van de manier waarop vraagstukken worden gepresenteerd.
Hoewel er soms een statistisch significant verschil zit in hoe mensen bepaalde vragen in de enquête beantwoordden, op basis van met name geslacht en religie, zijn deze verbanden zwak. Verdeeldheid in mening tussen verschillende mensen is niet duidelijk vast te pinnen op deze achtergrondkenmerken. Ook in dialogen zien we dat de meeste mensen juist een groot scala aan voor- en tegenargumenten afwegen.
Waar zien we met name dat mensen verdeeld zijn?
Over twee kwesties die nu ook in de politiek spelen, lijkt men met name verdeeld: het al dan niet toestaan van het speciaal voor onderzoek tot stand brengen van embryo's, en het verleggen van de veertiendagengrens.
Embryo's maken speciaal voor onderzoek
Het toestaan van het speciaal tot stand brengen van embryo's voor onderzoek, lijkt een van de meest gevoelige onderwerpen in het maatschappelijk debat. Een gedeelte van de mensen heeft geen problemen met het speciaal voor onderzoek tot stand brengen van onderzoek: zo geeft 21% van de respondenten in de enquête aan hier vooral positieve gevoelens bij te hebben. Uit de onderzoeken blijkt dat de helft van de mensen een principieel onderscheid maakt tussen het gebruiken van rest-embryo's en het doelbewust creëren ervan voor onderzoek – ook als zij uiteindelijk onder bepaalde voorwaarden hiermee zouden instemmen.
Afhankelijk van de vraagstelling, varieert het aantal mensen dat zou instemmen met het speciaal voor onderzoek tot stand brengen van embryo's. Zo gaf 68% aan te (neigen naar) instemmen met het verbeteren van bestaande vruchtbaarheidsbehandelingen. Op de vraag of het huidige verbod gehandhaafd moet worden, antwoordde 31% uiteindelijk 'nee'.
We zien ook dat mensen wanneer ze specifiek gevraagd wordt of ze zouden 'instemmen met' het speciaal maken van embryo's voor onderzoek, vaker positief antwoorden, dan wanneer ze in algemene zin gevraagd wordt of 'het huidige verbod moet worden opgeheven'. Mogelijk speelt hier mee wat in wetenschappelijke literatuur de 'status quo bias' wordt genoemd: mensen zijn geneigd om in onzekere situaties er sneller voor te kiezen om dingen te houden zoals ze zijn (Samuelson & Zeckhauser, 1988). Dit hoeft niet per se te betekenen dat mensen inhoudelijk negatiever staan tegenover het speciaal maken van embryo's voor onderzoek, maar kan ook wijzen op een algemene voorkeur om bestaande regels te behouden zolang de gevolgen onzeker zijn.
Aan de ene kant laten deze bevindingen zien dat een groot deel van de mensen, onder de juiste voorwaarden, het speciaal tot stand brengen van embryo's acceptabel zou kunnen vinden. Tegelijkertijd geeft het ook aan dat een groep mensen het een ethisch beladen onderwerp vindt waarover men soms twijfelt en de kaders zeer belangrijk vindt. Dat veranderingen ten opzichte van de huidige situatie voor veel mensen extra onderbouwing en duidelijke randvoorwaarden vragen, is een realiteit waar beleid zich toe dient te verhouden.
Ook is er een groep mensen uitgesproken tegen het speciaal tot stand brengen van embryo's. In eerste instantie geeft 38% van de respondenten aan vooral 'negatieve gevoelens' te ervaren. Nadat meer informatie wordt gegeven over de voorwaarden en mogelijke doelen hiervan, zegt 20% 'ik wijs dit af', en 22% zegt te 'twijfelen, maar neigen naar afwijzen'. Uit de antwoorden op de open vragen in onze enquête valt op dat de groep mensen die het speciaal tot stand brengen van embryo's voor onderzoek afkeurt, vaak sterke bewoordingen gebruikt om hun afkeur uit te drukken. Er moet dus ook rekening worden gehouden met een groep die principieel en uitgesproken bezwaar maakt, voor wie het onderwerp een belangrijke betekenis heeft en de morele bezwaren zwaar wegen.
Van 14 naar 28 dagen
Er is ook verdeeldheid over het verruimen van de veertiendagengrens naar 28 dagen. De enquêteresultaten laten zien dat voor sommigen verruiming bespreekbaar kan zijn, terwijl anderen juist hechten aan het behoud van bestaande grenzen. Op de vraag of de grens verlegd moet worden, antwoord 46% 'nee', 40% antwoordt 'ja,' en 14% geeft aan het niet te weten. Over dit onderwerp zijn geen specifieke dialogen gehouden, maar het is goed denkbaar dat hierbij veel van de overwegingen meewegen die ook spelen bij het al dan niet speciaal maken van embryo's voor onderzoek.
Waar zien we juist meer overeenstemming?
Over een aantal aspecten lijkt onder mensen meer overeenstemming te zijn. We zien een grote groep mensen wikken en wegen met twee ambivalenties: over wat onderzoek nú mogelijk maakt en waar het in de toekomst toe leidt (1), en over hoe we hier om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitenland (2). Bovendien wordt er breed nadruk gelegd op een aantal randvoorwaarden en kaders (3); met name rondom de doelen van onderzoek en ethische donatie van lichaamsmateriaal (4).
- Ambivalentie tussen kansen van onderzoek nu en toekomstige risico's
Uit de dialogen en enquête komt naar voren dat mensen enerzijds de mogelijke voordelen van onderzoek met embryo's en embryo-modellen zien, bijvoorbeeld voor het verkrijgen van kennis over ziekte en verminderde vruchtbaarheid. Dit wordt door een grote groep mensen als erg belangrijke overweging meegenomen. Anderzijds leeft er een duidelijke zorg over waar deze ontwikkelingen uiteindelijk toe kunnen leiden.
Voor een deel van de respondenten geldt dat zij verruimingen van regelgeving onder voorwaarden acceptabel vinden. Tegelijkertijd gaat dit vaak gepaard met een gevoel van ongemak: wat volgt hierna? Welke nieuwe toepassingen dienen zich aan, en zijn die nog te begrenzen? Moeten we gewoon wennen aan nieuwe mogelijkheden, of is er ook een grens aan wat wenselijk is? Daarmee is acceptatie niet onvoorwaardelijk. Langetermijngevolgen doen er duidelijk toe, en schrikbeelden rondom designerbaby's leven sterk onder zowel de deelnemers van onze dialogen over embryo-modellen en IVG-embryo's, als onder de respondenten van de enquête. De mogelijkheid dat in de toekomst uit IVG-geslachtscellen kinderen worden geboren, riep daarbij met name veel vragen op. Ook in eerder onderzoek van Schuttelaar & Partners (2020) had dit onderzoeksdoel ('naar het maken van geslachtscellen uit gewone cellen') de laagste instemmingsscores.
Ook uit het onderzoek dat gedaan werd bij de DNA-dialoog blijkt dat een grote groep mensen niet per definitie afwijzend staat tegenover het aanpassen van embryo-DNA (kiembaanmodificatie), maar dat dit onderwerp wel controversieel blijft en veel fundamentele vragen en zorgen oproept over wat er op de lange termijn mee zou kunnen.
Er wordt om deze reden veel waarde gehecht aan het bestaan van strikte regels rond onderzoek met embryo's en embryo-modellen. Regels geven houvast en dragen bij aan vertrouwen dat zorgvuldig met dit gevoelige onderwerp wordt omgegaan. Met name vanwege zorgen over mogelijke commercialisering, wordt het belangrijk gevonden dat deze kaders scherp bewaakt, of indien nodig aangescherpt worden. Het risico wordt gezien dat economische belangen en prestige sterker aangejaagd worden dan ethische overwegingen.
- Ambivalentie in relatie tot internationale ontwikkelingen
In dialogen horen we veel terug dat er vertrouwen is in de wetgeving hier in Nederland. Tegelijkertijd denken de meeste mensen dat er andere landen zullen zijn die minder restrictief zijn en waar ontwikkelingen doorgaan, ook als ze in Nederland verboden of beperkt zijn. Dit leidt tot een dilemma: als Nederland strenge regels hanteert, bestaat het risico dat onderzoek zich verplaatst naar het buitenland en kennis in Nederland beperkt is. Tegelijkertijd willen mensen niet dat internationale concurrentie automatisch leidt tot het versoepelen van nationale normen: dat andere landen iets doen betekent voor de meesten niet dat wij dat óók zouden moeten doen. Met deze ambivalentie worstelen veel mensen. Vaak geven mensen aan onderzoek 'toch liever hier te hebben', met als belangrijke toevoeging: 'maar dan onder strikte regels'.
Onder andere door dit spanningsveld worden ontwikkelingen in de biotechnologie door sommigen omschreven als een 'rijdende trein': een ontwikkeling die sowieso doorgaat, ongeacht bezwaren van landen of individuen. We constateren op basis van de dialogen die gevoerd zijn, een breed gedeeld gevoel dat biotechnologische ontwikkelingen wereldwijd daardoor moeilijk volledig te sturen zijn. Voor velen is de vraag hoe hiermee om te gaan. Veel mensen spreken daarbij uit dat het volgens hen beter is om 'erbij te blijven' en daarmee invloed te houden op de richting van de ontwikkelingen.
- Belang van scherpe afbakening van doelen
'Waar gaan we dit voor gebruiken?' was een vraag die in vrijwel alle dialogen keer op keer werd gesteld – of het nu ging over het speciaal tot stand brengen van embryo's, kiembaanmodificatie, IVG-embryo's of embryo-modellen. Veel mensen vinden het belangrijk dat hier hele duidelijke kaders voor gesteld worden, en onwenselijke doelen en uiteindelijke toepassingen worden voorkomen.
- Belang van geïnformeerde toestemming bij donatie lichaamsmateriaal
Voor veel mensen is de herkomst van lichaamsmateriaal en de manier waarop toestemming wordt geregeld een cruciale voorwaarde voor de aanvaardbaarheid van onderzoek. Bij vrijwel alle dialogen kwam aan bod dat mensen het belangrijk vonden dat de mensen die lichaamscellen doneren voor het maken van embryo-modellen, IVG-geslachtscellen, of IVG-embryo's daar expliciete en geïnformeerde toestemming voor moeten geven. Ook voorstanders van het maken van embryo's voor onderzoek benadrukken vaak het belang van zorgvuldige voorwaarden en geïnformeerde toestemming bij donatie van ei- en zaadcellen voor het maken van embryo's voor onderzoek. Eerder onderzoek van Schuttelaar & Partners (2020) vond ook dat mensen de herkomst van eicellen belangrijk vinden; deelnemers benadrukten daar bovendien dat gebruik van eicellen voor onderzoeksembryo's niet ten koste mocht gaan van de hoeveelheid beschikbare eicellen voor donatie aan wensouders.
Dit rapport is bedoeld om het politieke debat en de besluitvorming over onderzoek met embryo's en embryo-modellen te ondersteunen. Hoewel publieksonderzoek geen eenduidig antwoord biedt op politiek beladen vraagstukken, omdat ook in de samenleving sterk uiteenlopende visies leven, zijn er wel aanknopingspunten voor hoe met deze verschillen kan worden omgegaan. Daarnaast geeft het handvatten voor het voeren van een zorgvuldig debat over dit onderwerp.
Rekening houden met publieke verdeeldheid
- Gebruik publieksdata primair om inzicht te krijgen in onderliggende waarden en afwegingen, en niet als zelfstandig beslisinstrument of legitimatie van beleidskeuzes
In het publieke en politieke debat worden enquêtecijfers regelmatig gebruikt als indicatie van maatschappelijk draagvlak. De resultaten uit dit onderzoek lenen zich daar echter beperkt voor. Zij laten vooral zien hoe uiteenlopende opvattingen, waarden en afwegingen onder Nederlanders zijn verdeeld.
Zowel de enquête als de publieksdialogen maken duidelijk dat veel mensen hun oordeel vormen op basis van meerdere, soms tegenstrijdige, overwegingen. Twijfel en ambivalentie spelen daarbij een belangrijke rol. Daarnaast verschillen de accenten die mensen leggen: wat voor de één doorslaggevend is, weegt voor een ander minder zwaar.
Tegen deze achtergrond is het van belang dat cijfers niet worden geïnterpreteerd als een eenduidige uitdrukking van wat 'Nederland wil'. Het gebruik van deze data als draagvlakmeting doet onvoldoende recht aan de onderliggende morele en maatschappelijke afwegingen. De resultaten zijn beter te begrijpen als een bron van inzicht in de argumenten, zorgen en dilemma's die in de samenleving leven.
- Houd oog voor de samenhang van stapsgewijze verruimingen van de Embryowet
De verdeeldheid over het al dan niet verruimen van de Embryowet op verschillende onderdelen, samen met de onzekerheid over mogelijke langetermijnontwikkelingen, onderstreept het belang om niet alleen per afzonderlijk voorstel een afweging te maken, maar ook expliciet stil te staan bij de samenhang tussen deze dossiers en de mogelijke cumulatieve effecten ervan. Voor de politiek betekent dit dat het helpt om duidelijk te maken hoe verschillende voorgenomen wijzigingen zich tot elkaar verhouden, en welk overkoepelend kader daarbij wordt gehanteerd. Dit vraagt ook om het expliciet adresseren van zorgen over een mogelijke glijdende schaal, bijvoorbeeld door voorwaarden, evaluatiemomenten en beslismomenten vooraf te benoemen. Transparantie over de samenhang kan bijdragen aan zorgvuldige besluitvorming en is bovendien van belang voor het vertrouwen van Nederlanders in de wetgeving.
Rekening houden met breed gedeelde dilemma's
- Bespreek de langetermijntoepassingen die met nieuwe wetgeving mogelijk dichterbij kunnen komen, en expliciteer in het debat hoe dit als overweging wordt meegenomen
Voor veel mensen is van belang wat op korte, maar juist ook op lange termijn mogelijk kan worden dankzij onderzoek met embryo's en embryo-modellen. Mensen geven aan dat langetermijnrisico's niet pas besproken moet worden als het 'zover is', maar dat er tijdig over nagedacht moet worden. Voor de politiek betekent dit het expliciet benoemen van welke toepassingen wel en niet binnen de beoogde onderzoeksrichting passen.
- Neem mee hoe Nederland zich wenst te verhouden tot wetenschappelijke en juridische ontwikkelingen in andere landen en verschillende internationale afspraken
Keuzes rond embryo-onderzoek spelen zich af binnen een internationaal krachtenveld. Hoe wensen we ons te verhouden tot ontwikkelingen of regels in het buitenland, en internationale richtlijnen en afspraken? Wanneer volgen keuzes internationale ontwikkelingen, en wanneer wordt er bewust een andere koers ingezet? Een voorbeeld is het Verdrag van Oviedo, waarin uitgangspunten rondom onderzoek met embryo's zijn vastgelegd. In dit verdrag is afgesproken dat bijvoorbeeld het creëren van embryo's voor onderzoek niet is toegestaan. Nederland heeft dit verdrag niet geratificeerd, maar wel getekend. Op deze aspecten zou de Kamer expliciet kunnen reflecteren in het debat over de initiatiefwet en de wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie.
- Heb aandacht voor de verschillende mogelijke doelen van het gebruik van embryo's en embryo-modellen voor onderzoek
Overweeg om de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek te stimuleren actief te communiceren over de onderzoeken die uiteindelijk in de praktijk worden gedaan met rest-embryo's, speciaal voor onderzoek gemaakte embryo's (indien dit wordt toegestaan) en embryo-modellen. Hiermee kunnen burgers zowel worden meegenomen in de omvang van het onderzoek met embryo's als in de doelen die daarmee worden nagestreefd.
- Expliciteer randvoorwaarden en kaders van onderzoek naar kiembaanmodificatie
Onderzoek naar kiembaanmodificatie is onderdeel van deze discussie, omdat met sommige embryo-modellen, en met speciaal voor onderzoek gemaakte embryo's, onderzoek kan worden gedaan naar (de veiligheid en effectiviteit van) kiembaanmodificatie. Maar willen we wel genetische modificatie van het nageslacht toestaan? Nederlanders vinden het belangrijk dat er duidelijke grenzen worden gesteld en dat er helder wordt gecommuniceerd over wat wel en niet is toegestaan.
De Tweede Kamer kan aandacht geven aan het expliciteren van de randvoorwaarden en grenzen van onderzoek naar kiembaanmodificatie met (speciaal daarvoor gemaakte) embryo's en embryo-modellen. Daarbij is het van belang om de uitkomsten van lopende trajecten, zoals de DNA-dialogen, mee te nemen in besluitvorming rond deze kaders. Dit draagt bij aan vertrouwen in de samenleving.
- Heb aandacht voor geïnformeerde toestemming bij de donatie van lichaamscellen
Ons onderzoek laat zien dat Nederlanders het belangrijk vinden dat er helder wordt gecommuniceerd over hoe geïnformeerde toestemming wordt geregeld en uitgevoerd. De wetgever zou daarom kunnen expliciteren hoe geïnformeerde toestemming voor het gebruik van gedoneerde ei- en zaadcellen voor het maken van onderzoeksembryo's is gewaarborgd. Ook is het raadzaam om zo nodig te expliciteren wanneer en hoe donoren worden benaderd en waarvoor zij toestemming geven. Verder is het belangrijk om duidelijk te maken hoe geïnformeerde toestemming voor het gebruik van lichaamsmateriaal voor het maken van zowel intacte als niet-intacte embryo-modellen wordt vormgegeven.
Tot slot: de glijdende schaal is wezenlijk
In publiek, wetenschappelijk en politiek debat wordt wel eens gezegd: 'we zijn er zelf bij'. Daarmee wordt soms bedoeld dat mogelijke langetermijngevolgen nu nog niet relevant zijn: er kan tegen de tijd dat bijvoorbeeld bepaalde toepassingen aan de poort rammelen, over worden beslist. Toch laten de resultaten in dit rapport duidelijk zien dat bepaalde zorgen die in het politieke debat soms worden afgedaan als drogreden (glijdende schaal) of science fiction, voor veel Nederlanders van wezenlijk belang zijn. Het negeren hiervan kan het gevoel versterken dat ontwikkelingen buiten het zicht en zonder voldoende grip plaatsvinden. Door deze perspectieven expliciet te erkennen en mee te nemen in zowel debat als besluitvorming, wordt bijgedragen aan beter begrip en meer maatschappelijk vertrouwen in politieke keuzes die worden gemaakt.
Laten we 'we zijn er zelf bij' dus vooral zien als een oproep: besluitvorming vraagt om blijvende betrokkenheid van de samenleving als geheel. Dit onderstreept dat het gesprek over embryo-onderzoek niet eenmalig is, maar een doorlopend proces waarin maatschappelijke waarden, wetenschappelijke mogelijkheden en politieke keuzes steeds opnieuw met elkaar in balans moeten worden gebracht.
Veelgestelde vragen
- Holland's Next Embryo model: https://www.rathenau.nl/nl/gezondheid/naar-verantwoorde-medische-biotechnologie/hollands-next-embryo-model
- Focusgroepen gedaan in het kader van HipGametes:
- De uitkomsten van de DNA-dialoog: https://www.rathenau.nl/nl/gezondheid/zo-denken-nederlanders-over-het-aanpassen-van-embryo-dna-0
In Nederland is embryo-onderzoek sinds 2002 gereguleerd in de Embryowet. Vanuit het uitgangspunt dat het beginnende menselijk leven bescherming verdient, verbiedt de Embryowet bepaalde handelingen, terwijl andere handelingen onder duidelijke voorwaarden zijn toegestaan. Op deze manier probeert de wet een balans te vinden tussen respect voor menselijk leven en ruimte voor wetenschappelijke en medische ontwikkelingen (Derde evaluatie Embryowet, 2021). Tabel 5 op pagina 81 van de publicatie geeft de belangrijkste bepalingen van de Embryowet weer, en de mogelijke wijzigingen hieraan die voorliggen. Bij de vraag 'Welke voorstellen en adviezen voor wetswijzingen liggen anno 2026 voor?' wordt hier uitgebreider op ingegaan.
Het speciaal voor onderzoek tot stand brengen van embryo's ligt maatschappelijk en politiek gevoelig. Sinds 2002 heeft vier keer politiek debat plaats gevonden over het al dan niet opheffen van dit verbod. Recentelijk stemde de Tweede Kamer in december 2025 in met opheffen van het verbod. In 2026 behandelt de Eerst Kamer dit wetsvoorstel. Maar wat zijn eigenlijk de argumenten om het verbod op te heffen? Deze gaan vooral over de mogelijk te boeken wetenschappelijke vooruitgang, en toepassing daarvan in de voortplantingskliniek.
Ten eerste wordt gezegd dat het beperkte aantal gedoneerde embryo's voor onderzoek leidt tot schaarste in onderzoeksmateriaal. Door embryo's speciaal voor onderzoek te maken zou dit tekort worden opgelost.
Ten tweede zijn de rest-embryo's al een aantal dagen oud. Onderzoek naar de allereerste dagen na de bevruchting is daarmee niet mogelijk. Sommige (arts-) onderzoekers willen daarom graag embryo's maken om deze dagen te bestuderen. Ook zouden ze fertiliteitsbehandelingen beter willen testen. Denk bijvoorbeeld aan het beter testen op effectiviteit en veiligheid van de materialen die gebruikt worden bij ivf. Zo leveren bedrijven soms nieuwe soorten kweekvloeistof waarin de ivf-embryo's groeien, waarvan onderzoekers niet goed weten wat er in zit.
Ten derde vormt het verbod de facto een 'stop' op het verder ontwikkelen van verschillende technologieën, waarvoor het speciaal tot stand brengen van een embryo noodzakelijk is. Twee daarvan, zogeheten kiembaanmodificatie en in-vitrogeslachtscellen, komen in dit rapport specifiek aan bod (zie ook vraag 9). Andere mogelijkheden zijn bijvoorbeeld het onderzoek naar celkerntransplantatie (waarbij DNA in een eicel of zaadcel wordt vervangen door ander DNA) of bijvoorbeeld kloneren in het kader van wetenschappelijk of farmaceutisch onderzoek. In ons rapport gaan we vooral specifieker in op de mogelijkheden om erfelijk DNA aan te passen (kiembaanmodificatie) en om ei- en zaadcellen te maken uit stamcellen (in-vitrogeslachtscellen).
Download het rapport voor de volledige versie met voetnoten en bronvermelding.
Anno 2026 zijn er in theorie verschillende manieren om onderzoek te doen naar de eerste dagen van het menselijk leven. Sinds de ontwikkeling van ivf in de jaren '70 is het mogelijk onderzoek te doen met embryo's die bij deze procedures overbleven. Het speciaal voor onderzoek tot stand brengen van embryo's is mogelijk, maar is sinds de invoering van de Embryowet in 2002 niet toegestaan. Naast onderzoek op bovengenoemde 'klassieke embryo's' heeft onderzoek naar zogeheten 'embryo-modellen' het afgelopen decennium een vlucht genomen. Embryo-modellen bootsen een (deel van) de ontwikkeling van een embryo na, maar ze ontstaan niet uit lichaamseigen ei- en zaadcellen, maar uit stamcellen. Tot slot wordt inmiddels ook geprobeerd om ei- en zaadcellen te maken uit stamcellen. Dit is bij mensen nog niet gelukt, maar bij muizen en ratten worden grote stappen gemaakt. We lichten ieder van deze mogelijkheden toe.
Klassiek: rest-embryo
Zogeheten rest-embryo's zijn embryo's die door de wensouders gedoneerd worden aan de wetenschap. Bij een ivf-behandeling worden meestal meerdere eicellen in het laboratorium bevrucht met de zaadcellen. Na twee tot zes dagen ontwikkelen, kiest de laborant een embryo uit om terug te plaatsen in de baarmoeder. De overige embryo's worden ingevroren in vloeibare stikstof. De bevroren embryo's kunnen worden ontdooid om (te proberen) nog een zwangerschap tot stand te brengen. Wanneer de wensouders deze embryo's niet meer willen gebruiken, kunnen ze ervoor kiezen deze embryo's te doneren aan de wetenschap. Deze rest-embryo's zijn dus al een paar dagen oud.
Klassiek: speciaal voor onderzoek gemaakt embryo
Een embryo kan ook enkel voor onderzoeksdoeleinden tot stand gebracht worden. Het proces is dan hetzelfde als bij ivf: een eicel wordt in het laboratorium onder de microscoop bevrucht met een zaadcel. Het embryo ontwikkelt zich vervolgens in speciale kweekvloeistof. Tijdens deze ontwikkeling kan het embryo voortdurend worden onderzocht. Dit embryo zal nooit gebruikt worden voor een zwangerschap, en moet na maximaal veertien dagen worden vernietigd.
Op dit moment is het speciaal voor onderzoek tot stand brengen van een embryo in het lab nog verboden. Een wetsvoorstel om dit verbod op te heffen wordt nu behandeld door de Eerste Kamer. Als het toegestaan is om embryo's speciaal voor onderzoek tot stand te brengen, zullen de ei- en zaadcellen die nodig zijn voor dit onderzoek door mensen gedoneerd moeten worden. In het geval van eicellen is dat ingewikkelder dan bij zaadcellen. Voor eicelafname moet een vrouw immers een medisch traject doormaken. Het is in Nederland verboden om geld te verdienen aan het doneren aan ei- of zaadcellen.
Model: compleet model
Wetenschappers zijn inmiddels ook in staat om uit gewone lichaamscellen iets te maken dat lijkt op een embryo. Zij kunnen menselijke lichaamscellen (bijvoorbeeld uit urine of bloed) 'terugprogrammeren' naar stamcellen, ook wel geïnduceerde pluripotente stamcellen (IPSC's) genoemd. Stamcellen hebben de unieke eigenschap nog bijna ieder celtype uit het lichaam te kunnen worden. Wetenschappers slagen er steeds beter in om vanuit deze stamcellen celstructuren te maken die lijken op een (deel van) een vroeg embryo: een embryo-model. Ook proberen wetenschappers vanuit stamcellen ei- en zaadcellen te vormen. Als dit lukt, kunnen zij hier in theorie ook embryo's mee maken. Die embryo's kan men dan voor onderzoek gebruiken, maar eventueel ook voor voortplanting.
Complete embryo-modellen bootsen het gehele embryo na. Zij zijn direct uit stamcellen ontwikkeld en bootsen de fase na vanaf een paar dagen na de bevruchting. In tegenstelling tot incomplete embryo-modellen groeien in deze modellen voorlopers van alle organen, inclusief bijvoorbeeld zenuwcellen en de placenta. Dit maakt het model geschikt voor onderzoek naar de innesteling in de baarmoeder of in een kunstmatige baarmoeder in een lab. Onderzoekers hopen met deze modellen beter te begrijpen waarom sommige vrouwen niet zwanger kunnen worden. Ook kan dit model gebruikt worden voor onderzoek naar aandoeningen die ontstaan in de vroege embryonale ontwikkeling. Momenteel lijken deze complete embryo-modellen waarschijnlijk niet genoeg op een 'klassiek' embryo om verder uit te kunnen groeien. Maar als de modellen steeds beter een 'klassiek' embryo nabootsen, is het niet uit te sluiten dat ze in theorie verder kunnen groeien tot mens.
Model: incompleet model
Incomplete embryo-modellen bootsen een gedeelte van een embryo na. Deze modellen kunnen niet uitgroeien tot een mens, omdat essentiële delen missen. Dat kunnen de vruchtvliezen of placenta zijn, maar ook hele delen van het embryo zelf. Zo zijn er modellen die bijvoorbeeld alleen de delen nabootsen die uiteindelijk het hart vormen. Er zijn veel verschillende soorten incomplete embryo-modellen mogelijk, afhankelijk van de wijze waarop ze gemaakt worden en het doel van het onderzoek. Deze modellen zijn geschikt voor onderzoek naar de menselijke ontwikkeling en het ontstaan van bepaalde aandoeningen. Zo geven deze modellen bijvoorbeeld inzicht in hoe hartcellen ontstaan en hoe bloed- en spiercellen zich ontwikkelen.
Er zijn grofweg drie manieren waarop een incompleet embryo-model kan ontstaan. Ten eerste direct uit stamcellen, waarbij celstructuren ontstaan die lijken op (delen van) een embryo. Een tweede optie is celkerntransplantatie. Hierbij wordt de celkern van een eicel vervangen door een celkern met (aangepast) menselijk DNA, waardoor uit deze eicel een incompleet menselijk embryo(-model) ontstaat. Tot slot kunnen in de toekomst wellicht ei- of zaadcellen gemaakt worden uit stamcellen. Het DNA van deze ei- en zaadcellen zou zo kunnen worden aangepast dat hieruit een incompleet embryo(-model) ontstaat (zie hierna bij 'Model: incompleet IVG-embryo').
Model: incompleet IVG-embryo
Wetenschappers proberen ook om ei- en zaadcellen te maken uit stamcellen. Dit wordt in-vitrogametogenese (IVG) genoemd. Bij zowel muizen als ratten is het inmiddels gelukt om eicellen te maken en pups geboren te laten worden. Wereldwijd werken meerdere wetenschappers en bedrijven aan deze techniek bij mensen.
Ei- en zaadcellen gemaakt uit stamcellen geven ten eerste inzicht in het verloop van ei- en zaadcelontwikkeling. Als het wetenschappers uiteindelijk lukt om werkende ei- of zaadcellen te maken, kunnen die voor meerdere doeleinden worden ingezet.
Ei- of zaadcellen uit stamcellen kunnen genetisch zo aangepast worden dat het IVG-embryo dat hieruit ontstaat niet verder kan uitgroeien dan tot een bepaald stadium. Dan ontstaat dus ook een 'incompleet' embryo-model.
In-vitrogeslachtscellen worden momenteel niet enkel ontwikkeld om embryo-onderzoek mee te vervangen. Ze zouden in de toekomst wellicht ook gebruikt kunnen worden om gepersonaliseerde ziektemodellen te maken. Ook zouden in de toekomst mogelijk zwangerschappen tot stand kunnen worden gebracht met IVG-geslachtscellen. Dit is momenteel niet mogelijk maar ook niet wettelijk verboden.
Model: compleet IVG-embryo
Wetenschappers kunnen – bij het wegvallen van het huidige verbod en als de techniek ver genoeg ontwikkeld is – met ei- en zaadcellen uit stamcellen ook hele embryo's maken om voor onderzoek te gebruiken. Hierbij zijn dan geen gedoneerde eicellen of zaadcellen nodig; deze kunnen worden gemaakt uit gedoneerd lichaamsmateriaal.
Download het rapport voor de volledige versie met voetnoten en bronvermelding.
De tijdlijn op pagina 94 (figuur 20) geeft een overzicht van relevante wetenschappelijke en politieke ontwikkelingen sinds het eerste onderzoek naar ivf.
Download het rapport voor de volledige versie met voetnoten en bronvermelding.
Vanwege de ontwikkelingen uit de tijdlijn, zijn er verschillende adviezen, voorstellen en voornemens om de huidige wetgeving te veranderen. Hier lichten we de vier relevantste voorstellen en adviezen toe.
Initiatiefwetsvoorstel-Paternotte en Bevers Afschaffing verbod op het doen ontstaan van embryo's
D66/VVD dienden in 2023 een initiatiefwetsvoorstel in, om het verbod op het creëren van embryo's speciaal voor wetenschappelijk onderzoek op te heffen. Het doel van dit initiatiefvoorstel is om meer ruimte te bieden aan wetenschappelijk onderzoek naar embryo's en het verbeteren van de voortplantingsgeneeskunde door wetenschappelijk onderzoek met speciaal daarvoor tot stand gebrachte embryo's toe te staan. Op 16 december 2025 heeft de Tweede Kamer hiermee ingestemd. Later volgt behandeling door de Eerste Kamer.
Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie
In de huidige Embryowet is niet voorzien in de ontwikkeling van complete en incomplete embryo-modellen, of ei- en zaadcellen gemaakt uit stamcellen (Derde evaluatie Embryowet, 2021). Daarmee dreigen deze modellen tussen wal en schip te vallen – het is momenteel vaak onduidelijk aan welke regels onderzoek hiermee moet voldoen. Daarom werkt het ministerie van VWS aan een herziening van de Embryowet, waarmee de juridische status van deze nieuwe vormen van embryo's wordt verhelderd. Hierin wordt de definitie herzien, zodat ook complete embryo-modellen (in de wet 'intacte embryo-modellen' genoemd), en embryo's van ei- en zaadcellen gemaakt uit stamcellen (gedeeltelijk) onder deze definitie komen en onder de embryowet kunnen worden gereguleerd. Aan de exacte uitwerking hiervan wordt momenteel gewerkt.
Wet zeggenschap lichaamsmateriaal
Daarnaast is er het voornemen om incomplete (ook wel niet-intacte) embryo-modellen bij de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal (WZL) onder te brengen. Volgens het meest recente wetsvoorstel gaat het hierbij om entiteiten die niet het resultaat zijn van een samensmelting van in het menselijk lichaam geproduceerde eicellen en zaadcellen waarvan bovendien niet verwacht wordt dat deze essentiële functies zal ontwikkelen. In de WZL en daarbij behorende algemene maatregel van bestuur (AMvB) wordt vastgelegd wanneer voor een onderzoek toestemming nodig is van de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek. Ook wordt vastgelegd voor welke toepassingen (bijvoorbeeld het maken van IVG-geslachtscellen of bepaalde soorten incomplete embryo-modellen) expliciete toestemming van de donor nodig is.
Advies Gezondheidsraad over de veertiendagengrens
Ook is er discussie over de ontwikkelgrens van veertien dagen. Ten tijde van het bepalen van deze grens in de wet lukte het wetenschappers nog niet om embryo's zo lang in het lab te laten ontwikkelen. De veertien dagen was daarmee een grens zonder praktische implicaties. Inmiddels lijkt het wel mogelijk om embryo's veertien dagen of langer te laten ontwikkelen (Xue & Shang, 2022). Daarom zouden sommige wetenschappers de ontwikkelgrens graag zien verschuiven naar 28 dagen.
In 2023 bracht de Gezondheidsraad een advies uit waarin zij hiervoor pleitten (Gezondheidsraad, 2023). Er ligt een verzoek vanuit de Tweede Kamer bij het kabinet om op dit advies te reageren. In het huidige coalitieakkoord (2026) is het voornemen opgenomen om in te zetten op maatschappelijke dialoog over dit thema.
Download het rapport voor de volledige versie met voetnoten en bronvermelding.
Onderzoek dat niet direct gericht is op een toepassing, maar op het opdoen van kennis over het gezonde of zieke lichaam wordt ook wel basaal of fundamenteel onderzoek genoemd. Onderzoek met vroege embryo's, embryo-modellen en in-vitrogeslachtscellen biedt wetenschappers mogelijkheden om dit soort basale kennis op te doen. Hoe ontwikkelt een embryo zich precies in de eerste dagen of weken? Hoe groeit een eicel eigenlijk in de mens? Welke genen zijn daarbij betrokken? Wetenschappers benadrukken vaak de noodzaak van fundamenteel onderzoek, waarbij meestal niet zeker is of, en zo ja, welke nieuwe behandelingen of technieken eruit kunnen ontstaan.
Rest-embryo's
Rest-embryo's worden voor meerdere onderzoeksdoeleinden ingezet. In de klinische praktijk kunnen eicellen, zaadcellen en embryo's die niet meer nodig zijn gebruikt worden voor kwaliteitsbewaking, bijvoorbeeld om laboratoriumprocedures te controleren en te verbeteren; hiervoor is geen expliciete toestemming van wensouders vereist (Maastricht UMC+, z.d.) Daarnaast kunnen embryo's die overblijven na een ivf-behandeling (zogenoemde rest-embryo's), en die de wensouders niet meer willen gebruiken voor een toekomstige zwangerschap, met toestemming worden gedoneerd voor wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek met zulke rest-embryo's richt zich onder meer op het kweken van embryonale stamcellen, die belangrijk zijn voor regeneratieve geneeskunde, het onderzoek naar het ontstaan van ziekten, en op fundamenteel onderzoek naar de vroege embryonale ontwikkeling (Radboud UMC, z.d.).
Speciaal voor onderzoek tot stand gebrachte embryo's
Embryo's die speciaal voor onderzoek tot stand worden gebracht bieden aanvullende mogelijkheden voor de wetenschap en geneeskunde. Omdat deze embryo's vanaf het allereerste begin gevolgd kunnen worden, kunnen onderzoekers processen bestuderen die plaatsvinden in de eerste dagen na bevruchting, zoals het ontstaan van genetische afwijkingen. Ook maakt dit het mogelijk om bestaande technieken als ivf, en daarbij gebruikte kweekvloeistoffen en laboratoriumprocedures grondiger te testen op effectiviteit en veiligheid, zonder risico voor embryo's die bedoeld zijn voor een zwangerschap. Verder opent dit de deur naar de ontwikkeling en evaluatie van nieuwe technologieën, zoals kiembaanmodificatie (zie 'Wat zijn kiembaanmodificatie en embryoselectie, en wat hebben ze te maken met embryo-onderzoek?'). Ook mogelijkheden voor onderzoek naar innovatieve voortplantingstechnieken zoals in-vitrogametogenese (IVG) en in-vitromaturatie, waarbij 'onrijpe' eicellen in het laboratorium worden 'gerijpt', worden groter. Ook zijn er potentiële toepassingen richting de transplantatiegeneeskunde, bijvoorbeeld via het gebruik van embryonale stamcellen voor het ontwikkelen van weefsels of celtherapieën.
Download het rapport voor de volledige versie met voetnoten en bronvermelding.
Het is lastig om inzicht te verkrijgen in de manier waarop embryo-onderzoek momenteel wereldwijd, ook in Nederland, in de praktijk wordt gedaan. De aantallen embryo's die gebruikt worden, de precieze onderzoeksdoelen en de veranderingen hiervan in de tijd worden in geen enkel land systematisch en openbaar toegankelijk bijgehouden. In 2018 deden onderzoekers daarom een inventarisatie van het embryo-onderzoek in België (Pennings et al., 2018). In België is naast onderzoek met rest-embryo's, het tot stand brengen van embryo's voor onderzoek toegestaan. De onderzoekers concluderen dat tussen 2007 en 2015 in totaal 15.811 embryo's werden gebruikt in 36 onderzoeksprojecten. De meeste van deze projecten onderzochten de embryonale ontwikkeling.
Van deze 15.811 embryo's waren er 10.492 (66%) zogenoemde 'verse overtallige embryo's' (ongeschikt voor invriezing of terugplaatsing doordat ze van slechte kwaliteit zijn). Deze werden met name gebruikt om onderzoek te doen met embryonale stamcellen. Daarnaast waren er 4.083 (26%) ingevroren rest-embryo's, die voor onderzoek waren gedoneerd door de wensouders. Tot slot waren 1.236 (8%) embryo's speciaal voor onderzoek tot stand gebracht. Dit werd met name gedaan voor onderzoek naar embryo-ontwikkeling, en 'eicelonderzoek en invriestechnieken, alsook stamcelonderzoek.' (Pennings et al., 2018, p. 1)
In de publicatie van Pennings et al. (2018) is meer informatie te vinden over de precieze doelen van het onderzoek, en veranderingen in het gebruik van embryo's over de tijd in België.
In 2023 deed The Guardian een inventarisatie van het aantal embryo's dat in het Verenigd Koninkrijk werd gedoneerd voor onderzoek (Devlin, 2023). Zij concludeerden dat het aantal gedoneerde embryo's in het VK van 2005 tot 2019 was gedaald: van 17.925 naar 675. Ter vergelijking: in 2019 werden 76.427 embryo's bij ivf teruggeplaatst en 172.915 embryo's werden vernietigd.
De exacte situatie in Nederland is niet openbaar te vinden. Wel geeft de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) in hun jaarverslagen een overzicht van de aanvragen die zij van onderzoekers heeft ontvangen. In het jaarverslag van 2025 is bijvoorbeeld een overzicht te vinden van het aantal aanvragen dat zij beoordeelden dat onder de Embryowet viel (CCMO Jaarverslag 2025, 2026, p. 19). Van 2022 tot en met 2025 beoordeelde de CCMO in totaal negen van dit type aanvragen.
Download het rapport voor de volledige versie met voetnoten en bronvermelding.
Met de ontwikkeling van embryo-modellen ontstaan nieuwe mogelijkheden voor onderzoek. Ten opzichte van klassieke embryo's zijn er een paar noemenswaardige verschillen. Zo zouden embryo-modellen voor meer onderzoeksmateriaal kunnen zorgen, doordat ze op grote schaal gemaakt kunnen worden. Ook zouden zij in sommige gevallen het gebruik van klassieke embryo's kunnen vervangen of verminderen. Overigens blijven altijd klassieke embryo's nodig om te checken of een embryo-model wel op dezelfde manier werkt of groeit, als een echt embryo. Embryo-modellen kunnen dus niet alle klassieke embryo's vervangen.
Het gebruik van embryo-modellen kan een impuls geven aan onderzoek naar het ontstaan van genetische ziekten en onvruchtbaarheid. Zo zijn er bijvoorbeeld onderzoekers die met embryo-modellen onderzoeken hoe het kan dat de innesteling soms niet goed verloopt (Noordzij et al., 2025). Ook worden incomplete modellen gebruikt om bijvoorbeeld de ontwikkeling van het hart of de zenuwcellen te onderzoeken. Daarnaast bieden embryo-modellen mogelijkheden om de invloed van verschillende omgevingsfactoren op de ontwikkeling van een embryo te onderzoeken. Zo onderzochten Utrechtse wetenschappers met 'complete embryo-modellen' van muizen, of deze anders ontwikkelden bij aanwezigheid van bijvoorbeeld cafeïne of nicotine.
Wanneer onderzoekers erin slagen om ei- en zaadcellen te maken uit stamcellen, ontstaan nog meer nieuwe mogelijkheden voor onderzoek. Wanneer deze ei- en zaadcellen volledig functioneel en gezond zijn, zijn de resulterende IVG-embryo's in principe niet te onderscheiden van een klassiek embryo. Met IVG-embryo's zou onderzoek vanaf de bevruchting mogelijk zijn. Dat is met de complete en incomplete embryo-modellen niet mogelijk, omdat deze vanaf hun ontstaan een later stadium van ontwikkeling nabootsen. Als onderzoekers ei- en zaadcellen kunnen maken uit stamcellen zouden gemakkelijk heel veel IVG-embryo's gemaakt kunnen worden, omdat de beschikbaarheid van gedoneerde eicellen geen beperking vormt. Ook zou het (onderzoek met) het aanpassen van DNA met IVG gemakkelijker kunnen worden. Wanneer men het DNA van de stamcellen aanpast, krijgen de ei- of zaadcellen die eruit ontstaan immers diezelfde genetische aanpassing mee.
Overigens kunnen deze nieuwe wetenschappelijke mogelijkheden uiteindelijk óók voor nieuwe toepassingen in voortplanting zorgen. In principe zou een genetisch eigen kind voor iedereen dichterbij kunnen komen, ongeacht bijvoorbeeld aandoeningen, leeftijd of sekse. Voor meer mogelijkheden van IVG, zie het rapport Zaadjes voor een maatschappelijk debat (Rathenau Instituut, 2024).
Download het rapport voor de volledige versie met voetnoten en bronvermelding.
Onderzoek met embryo's kan onder andere gebruikt worden om technieken te testen en te ontwikkelen waarmee bepaalde eigenschappen van het nageslacht kunnen worden aangepast (kiembaanmodificatie) of gekozen (embryoselectie).
Kiembaanmodificatie
Het aanpassen van 'ziek' DNA zou een manier zijn om wensouders te helpen die beiden drager zijn van een ziekmakend gen – en waarbij ieder embryo dus de genetische aandoening zal krijgen of drager zal zijn. Een voorbeeld is de ziekte van Huntington. Wanneer het DNA van een vroeg embryo wordt 'gerepareerd', komen deze aanpassingen ook terecht in de zogeheten kiembaan van het embryo. Hier ontstaan uiteindelijk de geslachtscellen. Dit betekent dat het aangepaste DNA kan worden doorgegeven aan de nakomelingen van het embryo. Een andere mogelijke methode voor kiembaanmodificatie is het 'repareren' van DNA in de geslachtscellen van de wensouders (DNA-dialoog, 2021).
Sinds de ontdekking van CRISPR-Cas zit het onderzoek naar kiembaanmodificatie in een stroomversnelling. Met CRISPR-Cas kunnen wetenschappers gericht stukjes DNA knippen en vervangen. Kiembaanmodificatie ligt gevoelig. Dat komt met name vanwege de langtermijnimpact, want de aanpassing van DNA werkt ook door in toekomstige generaties. Daarom is er wereldwijd in het Verdrag van Oviedo afgesproken geen zwangerschappen tot stand te brengen met embryo's waarbij kiembaanmodificatie is toegepast. Ook stelt het verdrag dat het maken van embryo's voor onderzoek verboden is. Nederland heeft het Verdrag van Oviedo ondertekend maar niet geratificeerd, waardoor dit verdrag juridisch gezien niet bindend is in Nederland. Onderzoek met CRISPR-Cas is onder het verdrag wel toegestaan bij menselijke embryo's, ei- en zaadcellen, zolang deze cellen in het laboratorium blijven.
Het Nederlandse verbod op het speciaal tot stand brengen van embryo's betekent dat in de praktijk geen onderzoek naar kiembaanmodificatie kan plaatsvinden op (normaal ontwikkelende) embryo's. Rest-embryo's zijn namelijk te ver ontwikkeld voor toepassing van deze techniek. Hiermee legt een verbod op onderzoek naar het tot stand brengen van embryo's in de praktijk ook het onderzoek naar kiembaanmodificatie aan banden. Het opheffen van het verbod legt daarmee nieuwe vragen op tafel: in hoeverre komt de toepassing van kiembaanmodificatie in de kliniek hiermee dichterbij? Is het wenselijk dat deze mogelijkheid er komt? En zo ja, voor welke aandoeningen of eigenschappen zouden we deze techniek willen gebruiken? En is de veiligheid voldoende in het lab aan te tonen?
Aanpassen van embryo-DNA als onderzoeksmethode
Het aanpassen van DNA in een vroeg embryo of in een ei- en zaadcel kan ook voor onderzoeksdoeleinden gedaan worden. Door bijvoorbeeld bepaalde genen uit te zetten in een vroeg embryo, zouden wetenschappers meer inzicht kunnen krijgen in de rol van die genen bij de ontwikkeling. Ook voor het maken van een incompleet embryo-model uit IVG-geslachtscellen zou DNA moeten worden aangepast, zodat bepaalde onderdelen van het embryo zich nooit ontwikkelen.
Embryoselectie
Embryoselectie kan worden toegepast bij wensouders die drager zijn van een gen dat een ernstige aandoening veroorzaakt. Er worden dan middels ivf meerdere embryo's tot stand gebracht. Als het DNA van deze embryo's vervolgens gescreend wordt, dan kan een arts een embryo kiezen dat het 'zieke' DNA niet heeft.
De mogelijkheden van embryoselectie zijn beperkter dan die van kiembaanmodificatie. Doordat een vrouw een beperkt aantal eicellen kan afstaan, ontstaat een beperkt aantal embryo's om uit te kiezen. Maar als verschillende technieken in de toekomst samenkomen, kunnen meer opties voor 'keuze' in het nageslacht ontstaan. Wanneer artsen ei- en zaadcellen uit lichaamscellen kunnen maken, kunnen ze van één koppel oneindige aantallen embryo's doen ontstaan. Daarmee nemen dan de mogelijkheden voor embryoselectie toe, vooral in combinatie met ontwikkelingen in genetische screening, zoals het bepalen van zogeheten polygenetische risicoscores. In de VS zijn er inmiddels bedrijven die dit soort screening aanbieden in combinatie met reguliere ivf.
Download het rapport voor de volledige versie met voetnoten en bronvermelding.
Wereldwijd verschillen de regels rondom onderzoek met embryo's. Matthews & Moralí (2020) behandelen uitgebreid de regelgeving in verschillende landen. Er zijn een paar landen met soepelere regelgeving dan in Nederland. Zo is het speciaal voor onderzoek tot stand brengen van embryo's in een paar landen toegestaan. Binnen Europa mogen in België, Finland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden embryo's worden gemaakt voor wetenschappelijk onderzoek, onder strikte voorwaarden. In de Verenigde Staten verschilt de (duidelijkheid in) wetgeving sterk per staat – van de 29 staten met wetten over embryo-onderzoek, was dit anno 2022 in 11 staten verboden. In een aantal staten, waaronder Californië, is het speciaal voor onderzoek maken van embryo's wel toegestaan (Matthews & Morali, 2022).
In sommige landen zijn er minder mogelijkheden voor onderzoek dan in Nederland. Zo is de Duitse wetgeving erg streng. Per ivf-cyclus mogen maximaal drie embryo's gemaakt worden, om het aantal surplus embryo's te beperken. Bovendien mag er geen enkele vorm van onderzoek plaatsvinden met (rest-)embryo's of embryonale stamcellen. Onderzoek met stamcellen mag alleen onder bepaalde voorwaarden, met geïmporteerde cellijnen die voor 1 mei 2007 zijn gemaakt. In Italië en Oostenrijk gelden vergelijkbare restrictieve regels. In sommige landen, zoals Turkije en Rusland zijn de regels minder duidelijk, maar is onderzoek doorgaans niet toegestaan.
Wereldwijd houden de meeste landen zich aan een veertiendagengrens voor embryo's. Er zijn een paar landen waar deze limiet niet wettelijk of anders is vastgesteld. Zo is er in de Frankrijk, Verenigde Staten, Israël en Brazilië geen wettelijk vastgelegde ontwikkellimiet in dagen (Matthews & Moralí, 2020). Zwitserland houdt als enige een andere limiet aan, van zeven dagen. Wereldwijd zijn de richtlijnen van de International Society for Stem Cell Research (ISSCR), toonaangevend. Deze beroepsorganisatie van wetenschappers hield tot 2021 een grens van veertien dagen aan. Deze is als strikte limiet losgelaten in een update in 2021 (Xue & Shang, 2022). Dit gaf in het Verenigd Koninkrijk aanleiding om de mogelijkheid tot versoepeling van de wet te overwegen. Momenteel werkt men daar aan een verkenning van wetenschappelijke, ethische en maatschappelijke argumenten voor en tegen verruiming naar 28 dagen (Nuffield Council on Bioethics, 2025).
Wat betreft embryo-modellen is het aantal landen dat deze entiteiten expliciet reguleert beperkt. Afhankelijk van hoe landen een 'embryo' definiëren kunnen verschillende embryo-modellen namelijk wel of niet onder deze wetgeving vallen, of is er onduidelijkheid. Ook kunnen regels over wat er mag met stamcellen (embryonale stamcellen en geïnduceerde pluripotente stamcellen) van invloed zijn. Verschillende landen lijken momenteel te zoeken naar manieren om deze te reguleren. Zo berichtten verschillende nieuwssites in de zomer van 2025 dat de Japanse overheid het maken van onderzoeksembryo's met IVG-geslachtscellen gaat toestaan (Japan Today, 2025). Er wordt momenteel in Japan gewerkt aan nieuwe regulering van embryo-modellen (Sawai et al., 2025). Ook is het sinds 2019 onder voorwaarden toegestaan om menselijke in dierlijke embryo's te brengen, en deze terug te plaatsen in de baarmoeder van een dier en te laten uitgroeien (Raposo, 2021).
In het Verenigd Koninkrijk heeft de Nuffield Council on Bioethics in 2024 geadviseerd om het onderzoek met embryo-modellen in drie fasen te reguleren (Nuffield Council on Bioethics, 2024). Eerst via een vrijwillige Code of Practice, vervolgens door te experimenteren met manieren van regulering via regulatory sandboxes, om pas daarna over te gaan op het vaststellen van nieuwe, permanente regels.
Download het rapport voor de volledige versie met voetnoten en bronvermelding.