calendar tag arrow download print
Doorgaan naar inhoud

Onrust en rumoer in de Nederlandse wetenschap

Academische loopbanen carrière Blog

Door een overschot aan kandidaten en een toename van tijdelijke contracten neemt de druk binnen de Nederlandse academische wereld toe, betogen onderzoekers Elizabeth Koier en Marije de Goede.

De laatste maanden is er veel discussie over de staat van de wetenschap in Nederland. In de media en binnen universiteiten is er veel aandacht voor de druk om te publiceren en het toegenomen belang om onderzoeksbeurzen binnen te halen. Maar waarom ontstaat de discussie juist nu? Wij denken dat dit een symptoom is van een toegenomen selectie-en concurrentiedruk aan de Nederlandse universteiten.

De cijfers over het wetenschappelijk personeel in Nederland laten twee ontwikkelingen zien die volgens ons ten grondslag liggen aan de huidige onrust. Ten eerste de toename van het aantal tijdelijke contracten en daarmee selectiemomenten en ten tweede het toegenomen aanbod van mogelijke kandidaten voor elke beschikbare plaats. Samen zorgen deze ontwikkelingen voor een toenemende selectiedruk binnen de Nederlandse academische wereld.

Toename van het aantal tijdelijke contracten

Het wetenschappelijk personeel op universiteiten is ruwweg in te delen in de volgende groepen (van laag naar hoog): promovendi die werken aan een proefschrift, postdocs (net gepromoveerde onderzoekers), universitair docenten (UD), universitair hoofddocenten (UHD) en hoogleraren (professoren). Promovendi en postdocs zijn doorgaans in tijdelijke dienst, net als een deel van de UDs. UHDs en hoogleraren zijn vaak verzekerd van een vast contract.

Zoals te zien in Figuur 1 stijgt het aantal posities met tijdelijke contracten op universiteiten sterk, terwijl het aantal posities met een vast contract licht afneemt en het totaal aantal posities minder hard stijgt. Wanneer we de promovendi buiten beschouwing laten is 41 procent van het wetenschappelijk personeel in 2012 in tijdelijke dienst, terwijl dit tien jaar daarvoor nog 30 procent was. Dit impliceert dat er om dezelfde hoeveelheid posities bezet te houden, steeds vaker geselecteerd en gesolliciteerd wordt.

De verdeling van vaste en tijdelijke wetenschappelijke posities voor gepromoveerden op Nederlandse universiteiten.
Figuur 1: De verdeling van vaste en tijdelijke wetenschappelijke posities voor gepromoveerden op Nederlandse universiteiten.

In Nederland ligt de leeftijd waarop iemand promoveert en doorstroomt naar een postdoc functie gemiddeld op 29,5 jaar (zie Figuur 3 in de Feiten & Cijfers publicatie over Academische loopbanen).  De gemiddelde leeftijd waarop een postdoc doorstroomt naar een (vaste) positie als universitair docent is 37. Dit betekent dat – wanneer we uitgaan van een postdocduur van 3 jaar – de gemiddelde onderzoeker in acht jaar tijd tenminste vier keer als beste door een sollicitatie of beursaanvraag moet komen om zijn of haar academische loopbaan te kunnen blijven vervolgen.

Maar ook ervaren en gevestigde onderzoekers moeten zich blijven bewijzen in competitie. Door de afname van het aantal vaste onderzoekers slinkt namelijk ook de vaste staf van een departement of instituut. Om het instituut goed te laten functioneren, moeten er onderzoeksbeurzen binnengehaald worden. Hiermee kunnen dan tijdelijke mensen aangesteld worden om het departement of instituut te versterken. Dus ook als een onderzoeker uiteindelijk een vaste positie bemachtigd heeft blijft de selectiedruk.

Toename van de concurrentie

Selectiedruk hangt sterk samen met de slagingskans; hoe kleiner de kans op succes, hoe hoger de druk. Ook hier suggereren de cijfers dat de druk toeneemt. In de eerste plaats is het aantal jonge onderzoekers de afgelopen jaren sterk gestegen doordat het aantal (werknemer)promovendi met 30 procent toegenomen is. Zoals te zien in Figuur 2, is het aantal mensen dat promoveert in 2012 een kwart van het totaal aantal posities voor gepromoveerden aan Nederlandse universiteiten. Dit laat in een oogopslag zien dat voor het merendeel van de recent gepromoveerden geen plaats is op een Nederlandse universiteit. Het lukt gemiddeld 30% van de recent gepromoveerden om een (tijdelijke) baan aan een Nederlandse universiteit te krijgen (zie Feiten & Cijfers ).

Figuur 2: Het aantal wetenschappelijke posities voor gepromoveerden afgezet tegen het aantal promoties (het aanbod in een bepaald jaar) en het aantal promovendi.
Figuur 2: Het aantal wetenschappelijke posities voor gepromoveerden afgezet tegen het aantal promoties (het aanbod in een bepaald jaar) en het aantal promovendi.

Daarnaast zorgt de toename van tijdelijke posities waarschijnlijk voor extra concurrentie. Diegenen van wie het contract afloopt moeten opnieuw solliciteren als ze aan de universiteit willen blijven werken. Jaarlijks wordt een derde van de groep posities voor recent gepromoveerden opnieuw ingevuld. Tenslotte neemt ook het  aantal buitenlandse onderzoekers aan de Nederlandse universiteiten toe; het aantal gepromoveerde onderzoekers van buitenlandse komaf is tussen 2003 en 2012 verdubbeld.

De toegenomen concurrentie is het duidelijkst te zien in beursaanvragen. De aanvragen voor beurzen voor net gepromoveerde onderzoekers (Vernieuwingsimpuls Veni) zijn namelijk vanaf 2002 bijna verdubbeld en de slagingspercentages gedaald van ongeveer 25% in 2002 tot 17% in 2011. Ook de aanvraagdruk voor loopbaanbeurzen voor ervaren wetenschappers (Vidi en Vici) is de afgelopen 10 jaar gestegen (met respectievelijk 28 en 56%).

Selectiedruk

Een wetenschappelijke loopbaan aan een van de Nederlandse universiteiten lijkt voor veel promovendi nog de meest geambieerde vervolgstap. De vraag is echter of dit zo blijft. Met het toenemen van de selectiedruk kunnen posities in het buitenland of posities buiten de universiteit interessanter worden. Universiteiten moeten dan extra goede arbeidsvoorwaarden bieden om hun talent te behouden. Zo ver lijkt het echter nog niet.

Als reactie op de onrust zoeken universiteitsbestuurders en politici naar mogelijke oplossingen. Het verminderen van het belang van publicaties in selectieprocedures en evaluaties is een vaak genoemd punt. Het verminderen van het belang van publicaties kan in onze ogen slechts de pijn verzachten, maar neemt de selectiedruk niet weg. Om de pijn echt weg te nemen moet het bredere personeelsbeleid bekeken worden, zoals het aantal promovendi, de toename van tijdelijke contracten en de doorstroom en uitstroom van gepromoveerden binnen en buiten de Nederlandse universiteiten.

Voor meer informatie over academische carrières verwijzen wij graag naar onze Feiten & Cijfers publicatie over dit onderwerp.

Elizabeth Koier en Marije de Goede zijn onderzoekers bij het Rathenau Instituut. Ze houden zich onder andere bezig met loopbanen van academici. In NRC verscheen op 15 maart ook een interview met Barend van der Meulen over dit onderwerp: ‘Zeg jonge academici: de kans op een universitaire carrière is miniem’.