calendar tag arrow download print
factsheet
18 januari 2018

Academische carrière van wetenschappers

Deze factsheet beschrijft enkele kenmerken van de academische carrière: het functiegebouw, mannen en vrouwen in de wetenschap en internationalisering.

De eerste stap van een academische carrière is de academische promotie. Daarna duurt het gemiddeld nog 16,5 jaar om hoogleraar te worden (Bron: Feiten & Cijfers 7: Academische carrières en loopbaanbeleid, M. de Goede, R. Belder en J. de Jonge - april 2013).

Het academische functiegebouw

Het wetenschappelijk personeel heeft een functiegebouw met een hiërarchisch karakter. Aan de basis zijn er twee grote groepen jonge medewerkers te vinden: de promovendi (P) als beginnende positie en het overig wetenschappelijk personeel (OWP: onderzoekers - inclusief postdocs - en docenten) als de doorstroompositie. Daarboven zijn er de groepen van Universitair docenten (UD) en van de Universitair Hoofddocenten (UHD) die bijna de top bereiken. Aan de top van het academische carrièrehuis staan de hoogleraren (HL).

Anno 2016 tellen de Nederlandse universiteiten aangesloten bij de VSNU 2736 fte (10,3%) hoogleraren, 2430 fte (9,2%) aan universitair hoofddocenten en 5131 fte (19,4%) aan universitair docenten. Het overige wetenschappelijk personeel (voornamelijk postdocs) bestaat uit 7363 fte (27,8%) en de promovendi uit 8829 fte (33,3%).


De weg van promotie naar hoogleraarschap wordt gemiddeld in 16,5 jaar doorlopen. Gemiddeld zijn promovendi 29,5 jaar als ze hun promotie afronden. De startende UD is gemiddeld 37 jaar, de startende UHD is gemiddeld 42 jaar en de nieuwe hoogleraren zijn gemiddeld 46 jaar.

Wetenschappelijk personeel (WP) en Ondersteunend en beheerspersoneel (OBP)

De Nederlandse universiteiten onderscheiden het personeel in twee hoofdgroepen: het wetenschappelijk personeel (WP) en het ondersteunend en beheerspersoneel (OBP). Het OBP is een groep met uiteenlopende functies, zoals de leden van het College van Bestuur, andere bestuurders, laboratoriumpersoneel en administratieve en secretariële ondersteuning. Het WP voert taken van onderwijs, onderzoek en valorisatie uit.

De VSNU publiceert jaarlijks de Wetenschappelijk Onderwijs Personeelsinformatie (WOPI) met als peildatum 31 december van het desbetreffende jaar; dit is exclusief medisch personeel. Uit de WOPI blijkt dat het WP geleidelijk is gegroeid van 21 759 fte in 2005 naar 26 489 fte in 2016; het OBP is tussen 2011 en 2016 met 873 fte gestegen naar 18 793 fte.

Dynamiek van de academische arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt van academisch personeel wordt gekenmerkt door een sterke dynamiek (peildatum 31 december 2011). Medewerkers stromen door naar hogere functies, ook naar vergelijkbare functies binnen de universiteiten maar ook van en naar arbeidsmarktposities buiten de Nederlandse universiteiten. Dat geldt minder sterk voor de functie van universitair hoofddocent waar meer dan 80% van de nieuwe aanstellingen ingevuld wordt door wetenschappers die opstromen binnen het universitaire functiegebouw. Bij zowel universitair docenten als bij hoogleraren geldt dat 40% van alle nieuwe professionals niet uit een vorige functie bij een Nederlandse universiteit komt maar van buiten. Bij de hoogleraren komt jaarlijks op bijna 10% van alle leerstoelen een andere hoogleraar, bij de universitair hoofddocenten wisselt 12% en bij de universitair docenten is dat 15%.  
Die dynamiek geldt ook bij vertrek. Van de vertrekkende hoogleraren gaat een derde met pensioen  en twee-derde gaat verder in een andere baan buiten de Nederlandse universiteiten. Bij de universitair hoofddocenten zien we dat 43% naar de hogere functie van hoogleraar gaat, 32% vertrekt uit de universiteit en de rest pensioneert. Bij de universitair docenten functies is het aandeel vertrekkers (47%) groter dan het aandeel dat verder gaat in een universitair hoofddocent of hoogleraar functie binnen de universiteit (37%).
Bij het overig wetenschappelijk personeel (waaronder de postdocs) zien we een nog veel grotere dynamiek (ruim een kwart vertrekt jaarlijks) met een relatief klein deel (18%) dat naar een hogere functie gaat (universitair docent, universitair hoofdocent of hoogleraar).

Vrouwen en mannen in de wetenschap

Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in wetenschappelijke functies: hoe hoger de functie, hoe kleiner het aandeel vrouwen (zie figuur hieronder). Anno 2016 tellen de Nederlandse universiteiten (aangesloten bij de VSNU) aan vrouwelijke hoogleraren 523 fte, aan vrouwelijke universitair hoofddocenten 678 fte, aan vrouwelijke universitair docenten 2042 fte, aan vrouwelijke overige wetenschappelijk personeel 3349 fte en aan vrouwelijke promovendi 3913 fte.


Het totale aandeel vrouwen is in de afgelopen jaren toegenomen, maar de verschillen tussen de functiecategorieën zijn ook duidelijk. De stijging van het aandeel vrouwen is ook bij de hoogleraren zichtbaar maar is desondanks nog op een niveau van onder 20%. Alleen onder promovendi blijft het aandeel vrouwelijk personeel tussen 2011 en 2016 ongeveer hetzelfde.

Internationalisering

Wetenschap wordt steeds meer internationaal. Dat merken we aan de nationaliteit van de wetenschappers op de Nederlandse universiteiten. Bij promovendi loopt het aandeel buitenlands personeel op tot bijna de helft.  Vanaf 2006 is het aandeel niet-Nederlandse wetenschappers in alle functies geleidelijk gestegen (zie figuur hieronder).


Anno 2016 zijn er in totaal 9694 fte (36,6%) niet-Nederlandse wetenschappers, terwijl dat in 2006 5234 (24,0%) bedroeg.

Relevante documenten / bestanden en meer informatie

URL naar Feiten & Cijfers nr. 7:

Over de data

De VSNU publiceert jaarlijks de Wetenschappelijk Onderwijs Personeel Informatie (WOPI) met als peildatum 31 december van het desbetreffende jaar. Deze informatie is door het bureau van de VSNU bij de 14 universiteiten (aangesloten bij de VSNU) opgevraagd volgens een vastgesteld format en definitieafspraken. De personeelsbestanden bevatten alleen gegevens van personen die voorkomen in de personeelsregistraties van de Nederlandse universiteiten; bijzondere hoogleraren zijn niet inbegrepen. In de loop van de jaren is van bijna alle academische ziekenhuizen het facultaire personeel overgegaan van de universiteit als werkgever naar het universitair medisch centrum als werkgever en komt derhalve niet meer voor in de WOPI gegevens.