calendar tag arrow download print
Image
factsheet
17 mei 2021

Vrouwen in de wetenschap

Vrouwen universiteit
Hoeveel van de Nederlandse hoogleraren, universitair hoofddocenten en universitair docenten zijn vrouw? Hoe verhoudt dit zich ten opzichte van het aantal vrouwelijke gepromoveerden? En hoe is de man/vrouw verhouding binnen deze functies in de afgelopen jaren ontwikkeld? In deze factsheet delen we de cijfers en onze bevindingen en laten we zien dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn binnen de hogere functieniveaus.

In het kort

  • Tegenwoordig is ongeveer de helft van de promovendi vrouw, terwijl maar een kwart van de Nederlandse hoogleraren en universitair hoofddocenten (UHD’s) uit vrouwen bestaat.
  • Deze verhouding ligt anders bij de universitair docenten (UD’s), waar het percentage vrouwen 40% is (2015).
  • Een snellere benoeming als hoogleraar na een promotie kan een positief effect hebben op het aandeel vrouwelijke hoogleraren.

Op 10 februari 2017 was het precies honderd jaar geleden dat de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland haar ambt betrad. Destijds werd Johanna Westerdijk benoemd tot hoogleraar in de plantenziektekunde. In 2018 is 24% van de hoogleraren in Nederland vrouw, terwijl er in de collegebanken al sinds het begin van deze eeuw meer vrouwen dan mannen zitten. In wetenschappelijke functies zijn vrouwen ondervertegenwoordigd en hoe hoger het functieniveau, hoe schever de verhouding tussen vrouwen en mannen. Bij ongewijzigd beleid duurt het nog vele decennia voordat dit veranderd is (Stichting Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren, 2016). 

Het beleid gericht op meer vrouwen in de wetenschap richt zich primair op benoemingen. Dit is één van de aspecten waarop het beleid zich kan richten. In deze factsheet onderzoeken we die benoemingen van hoogleraren, universitair hoofddocenten en universitair docenten. De benoemingen worden daartoe gerelateerd aan de beschikbaarheid van kandidaten; de gepromoveerden.
 

De basis: promovendi aan een universiteit

De promotie is de toegangspoort tot een wetenschappelijke carrière. We beschikken over cijfers van over het aantal promoties aan Nederlandse universiteiten vanaf 1920. Destijds vonden er 270 promoties plaats. Van deze 270 promoties promoveerde er 25 vrouwen; een kleine 10%. Het heeft tot ver in de jaren tachtig geduurd voordat het percentage vrouwen structureel boven de 10% kwam (periode 1920-1985: 6,6%).   

De ontwikkeling in de periode daarna is weergegeven in onderstaande grafiek. Naast de totaalcijfers (blauwe lijn) laten we ook de cijfers zien waarbij de promoties van de geneeskunde faculteiten/ universitair medisch centra (umc's) buiten beschouwing zijn gelaten (rode lijn).
 

De ontwikkeling is duidelijk: van 8,8% vrouwen in 1985 naar bijna 50% in 2015 met een lichte daling daarna. Per wetenschapsgebied zien we grote verschillen. De sterkste stijgingen zien we bij de technische wetenschappen (van 2,5% naar 28,7%), de natuurwetenschappen (van 6% naar 34,4%) en de landbouwwetenschappen (van 8% naar 50,8%). Kijken we uitsluitend naar de universiteiten exclusief de umc's, dan zien we dat de groei van het aantal vrouwen onder de gepromoveerden niet verder komt dan 43%. Bij de medische wetenschappen was in 2006 het aantal gepromoveerde vrouwen al gelijk aan het aantal mannen in 2006 en anno 2020 is het aandeel vrouwen 62,4%.
 

Analyse van nieuwe benoemingen per jaar

Uit onze analyses blijkt dat de gemiddelde leeftijd van degenen die een promotie hebben afgerond op 29,5 jaar ligt. De gemiddelde leeftijd van startende universitair docenten is 37 jaar. UHD’s zijn gemiddeld 42 jaar bij aanvang van hun functie en hoogleraren zijn gemiddeld 49 jaar wanneer zij hun ambt betreden (op basis van de Wetenschappelijk Onderwijs Personeel Informatie (WOPI-data) van de Vereniging van Universiteiten (VSNU) over de periode 2003-2015. Vergelijkbare data van de umc’s zijn niet beschikbaar).

Het huidige beleid omtrent meer vrouwen in de wetenschap is vooral gericht op benoemingen en selectiecommissies en richt zich niet op de man/vrouw verhouding van de mogelijke kandidaten. Daarom presenteren wij analyses waarin de man/vrouw verhouding van alle nieuw aangestelde UD’s, UHD’s, en hoogleraren is afgezet tegen de man/vrouw verhoudingen in promoties voor respectievelijk zeven, twaalf en negentien jaar voorafgaand aan de benoeming van UD, UHD en hoogleraar. Als de carrières gender-neutraal verlopen, zal de man/vrouw verhouding in de benoemingen van hoogleraren in bijvoorbeeld 2015 overeenkomen met de man/vrouw verhoudingen in de promoties van negentien jaar eerder, 1996. De vraag is of deze verhoudingen overeenkomen.

Jaarlijks worden er aan de Nederlandse universiteiten gemiddeld 276 nieuwe hoogleraren aangesteld. Als we de genderverdeling in de aanstellingen voor de periode 2004-2015 naast de verwachtingen leggen op basis van promoties negentien jaar eerder, zien we het volgende beeld (zie grafiek).
 

In bovenstaande grafiek is te zien dat het percentage vrouwen bij de nieuwe benoemingen stijgt en iets boven de verwachting ligt wanneer we kijken naar de man/vrouw verhouding binnen het aantal promoties negentien jaar eerder. Gemiddeld zijn er negen vrouwelijke hoogleraarsbenoemingen meer per jaar dan je op basis van de man/vrouw verhoudingen bij promoties in het verleden zou verwachten. In het laatste jaar (2015) zien we dat 27% van de hoogleraar aanstellingen vrouw is.

Bij de UD’s en UHD’s zien we soortgelijke patronen. Gemiddeld worden er 292 UHD’s per jaar benoemd waarvan 87 vrouwen (28%). Er worden per jaar zeven vrouwelijke UHD’s meer benoemd dan dat we op basis van de man/vrouw verhouding bij promoties twaalf jaar eerder zouden verwachten. Bij de UD’s worden gemiddeld 285 vrouwen benoemd op een totaal van 706 benoemingen per jaar (40%). Dat is per jaar 67 vrouwelijke UD’s meer dan de verwachting op basis van de man/vrouw verhouding binnen het aantal promoties zeven jaar eerder. De benoemingen van mannelijke en vrouwelijke universitair docenten zijn sinds inmiddels (2015) gelijk in aantal.

Note: al deze cijfers zijn exclusief het HOOP-gebied Gezondheid, waar de ontwikkeling van het aantal vrouwelijke promovendi veel sterker is. De opkomst van vrouwen in de wetenschap begon hier eerder en in 2006 was het aantal vrouwelijke promovendi gelijk aan het aantal mannelijke promovendi.

Verschillen tussen de wetenschapsgebieden zijn er ook. Bij de Sociale Wetenschappen (inclusief Rechten en Economie) en Natuurwetenschappen zien we dat de verwachte en feitelijk geobserveerde genderverdeling vrijwel gelijk is. Bij Taal en Cultuur zien we een wat groter positief saldo. Daar ligt de verwachting op basis van de man/vrouw verhouding bij promoties negentien jaar eerder op 24,1% vrouwen, terwijl bij de nieuwe hoogleraarsbenoemingen 26,7% vrouw is. Het grootste verschil zien we bij de Technische Wetenschappen: 6,1% op basis van verwachting versus 11,5% bij de feitelijke benoemingen van hoogleraren negentien jaar later. Informatie over de ontwikkeling van het aantal vrouwelijke hoogleraren per discipline is opgenomen in de factsheet over De hoogleraar.
 

Academisch functiegebouw in ontwikkeling

In de onderstaande grafiek wordt de samenstelling van het personeelsbestand van de universiteiten (exclusief wetenschapsgebied Gezondheid/umc's) gepresenteerd. Hierbij worden aantallen hoogleraren (HGL), universitair hoofddocenten (UHD) en universitair docenten (UD) als aparte groepen gepresenteerd. Daarnaast is er een categorie overig wetenschappelijk personeel (OVWP) en hebben we de promovendi (PROM). Overig WP was bij de ontwikkeling van het functiegebouw een restcategorie met vooral tijdelijk aangestelde onderzoekers en docenten en dat is nog steeds zo. Hiervoor wordt de internationale term postdoc wordt hiervoor veel gebruikt, maar helemaal dekkend is deze term niet omdat er ook personen in zitten zonder doctorstitel.

Note: rechts worden de aantallen vrouwen per functie gepresenteerd en links de mannen. Alle aantallen zijn in voltijdsequivalenten (fte).

historisch beeld academisch carrierehuis naar gender
Bron: VSNU/ WOPI, bewerking Rathenau Instituut.

Bij mannen komt het erop neer dat het aantal UHD's en hoogleraren bijna gelijk is aan elkaar en dat het aantal UD’s ongeveer net zo groot als de som van de beide hoogste rangen. Dit is in de afgelopen twintig jaar niet veel veranderd. Wel zien wel een aanzienlijke ontwikkeling bij de promovendi. Het carrièrehuis ontwikkelt zich hiermee voor mannen op een gestaag tempo. Bij vrouwen verloopt de ontwikkeling van het carrièrehuis anders. De omvang van de groep vrouwelijk personeel was in het begin van deze tijdreeks was nog heel beperkt, en bestond vooral uit UD’s, promovendi en overig WP. Op de beide hoogste functieniveaus was nog slechts heel beperkte bezetting. In 1998 waren er net 100 fte's vrouwelijke hoogleraren en 150 fte vrouwelijke UHD's. In alle functiecategorieën is er sindsdien een sterke ontwikkeling zichtbaar waarmee de genderkloof ieder jaar iets kleiner wordt. Echter is het totaal aantal vrouwen ten opzichte van mannen maar nog steeds ruim 5.000 fte minder dan de mannen.

De vraag is hoe zich dat verder zal ontwikkelen. We zien immers naast de groei van het totale aantal vrouwen nog steeds ook een groei van het aantal mannen. De samenstelling bij de mannen is relatief constant: zo zien we op het hoogste niveau dat één op de zeven mannelijke wetenschappers aan de universiteiten hoogleraar is. Dat is al de gehele periode zo. Bij vrouwen was dat 1 op 34 in 1998 en 1 op 15 in 2019. Evident is dat dit nog ver verwijderd is van verhouding bij mannen.
 

Opweg naar meer vrouwen met een hoger functieniveau

Om ruimte te bieden voor vrouwen kunnen de volgende kritische factoren kunnen worden benoemd;

  1. De omvang en groei van het totale bestand aan wetenschappelijk personeel zijn een belangrijke factoren. Als er meer groei is, zal er ook meer mogelijk zijn in termen van het aantrekken van vrouwelijke wetenschappers.
  2. De ontwikkeling van de man/vrouw verhouding bij promovendi bepaalt het aanbod aan kandidaten voor hogere functies. In 2015 zagen we (inclusief de sector gezondheidszorg) een ongeveer 50-50 verhouding tussen mannen en vrouwen. De cijfers van de laatste twee jaar duiden echter op een lichte daling van het aandeel vrouwen. We weten niet of dit tijdelijk is of het begin van een trend. De verdere ontwikkeling kan gevolgen hebben voor de benoemingen later. Bij de hoogleraren zal zo'n effect dan begin jaren dertig van deze eeuw zichtbaar zijn.
  3. De periode tussen promotie en benoeming als hoogleraar kan korter of langer worden. Als deze periode korter wordt, zal dit een positief effect hebben, omdat een groter aantal vrouwelijke promovendi sneller naar een positie als hoogleraar kan groeien. Het is belangrijk om te monitoren in hoeverre een snelle groei van het aantal vrouwelijke hoogleraren ten koste zal gaan van het aandeel vrouwen in de UHD-populatie. 

 

Over de data
Extra toelichting WOPI
Definities en afkortingen