calendar tag arrow download print
Image
factsheet
10 juli 2019

Vrouwen in de wetenschap

Dit factsheet onderzoekt de genderverhoudingen in de benoemingen van hoogleraren, UHD's en UD's en legt die naast de beschikbare aantallen gepromoveerden. Dit factsheet is in 2017 opgesteld met behulp van data uit de personeelsadministraties van de universiteiten over de periode 2003-2015 (het WOPI systeem van de VSNU). Inmiddels zijn de data verouderd en zouden er nieuwe analyses moeten worden uitgevoerd. Nieuwe microdata over 2016, 2017 en 2018 zijn echter niet meer aan het Rathenau Instituut beschikbaar gesteld. Door deze situatie ontbreekt de mogelijkheid om de huidige ontwikkelingen in beeld te brengen en gevoerd beleid op effectiviteit te toetsen. Vanwege de actualiteit van het thema laten we dit factsheet toch op onze website staan.

Op 10 februari 2017 was het precies 100 jaar geleden dat de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland haar ambt betrad. Johanna Westerdijk werd benoemd tot hoogleraar in de plantenziektekunde. 

Inmiddels telt Nederland 1287 vrouwelijk hoogleraren (2017). 681 vrouwelijke hoogleraren in dienst van de universiteiten, 326 in dienst van de universitair medische centra en 280 vrouwelijke bijzonder hoogleraren. Daarmee kent Nederland net 20% vrouwelijke hoogleraren terwijl er in de collegebanken al sinds het begin van deze eeuw meer vrouwen dan mannen zitten. In de wetenschap zijn vrouwen ondervertegenwoordigd en hoe hoger de functie, hoe schever de verhouding tussen vrouwen en mannen is. Bij ongewijzigd beleid duurt het nog vele decennia voordat dit veranderd is (LNVH, 2016). Het beleid gericht op meer vrouwen in de wetenschap richt zich primair op benoemingen. Dit is één van de aspecten waarop het beleid zich kan richten. In dit factsheet onderzoeken we die benoemingen van hoogleraren, universitair hoofddocenten en universitair docenten. De benoemingen worden daartoe gerelateerd aan de beschikbaarheid van kandidaten; de gepromoveerden.

De basis: promoveren aan een universiteit

De promotie is de toegangspoort tot een wetenschappelijke carrière. Er zijn cijfers over het aantal promoties aan Nederlandse universiteiten vanaf 1920. Toen waren er 270 promoties waarvan 25 vrouwen; een kleine 10%. Het heeft tot ver in de jaren 80 geduurd voordat het percentage vrouwen structureel boven de 10% kwam (periode 1920-1985: 6,6%).  

De ontwikkeling in de periode daarna is weergegeven in onderstaande grafiek. Naast de totaalcijfers (blauwe lijn) laten we ook de cijfers zien exclusief de promoties van de geneeskundefaculteiten/umc's (rode lijn).


De ontwikkeling is duidelijk: van 8,8% in 1985 naar bijna 50% in 2015 met een lichte daling daarna. Per wetenschapsgebied zien we grote verschillen. De sterkste stijgingen zien we bij de technische wetenschappen (van 2,5% naar 28%), de natuurwetenschappen (van 6% naar 35%) en de landbouwwetenschappen (van 8% naar 54%). Kijken we uitsluitend naar de universiteiten exclusief de umc's, dan zien we dat de groei van het aantal vrouwen onder de gepromoveerden niet verder komt dan 42%. Bij de medische wetenschappen was in 2006 het aantal gepromoveerde vrouwen al gelijk aan het aantal mannen en anno 2017 is het aandeel vrouwen 59%.

Analyse van nieuwe benoemingen per jaar

Uit onze analyses blijkt dat de gemiddelde leeftijd van degenen die een promotie hebben afgerond op 29,5 jaar ligt, dat de gemiddelde universitair docent bij de start 37 jaar is, de UHD’s bij hun start 42 jaar zijn en de hoogleraren gemiddeld 49 jaar zijn wanneer ze hun ambt betreden (op basis van de WOPI data van de VSNU over de periode 2003-2015. Vergelijkbare data van de umc’s zijn niet beschikbaar).

Beleid is vooral gericht op benoemingen en selectiecommissies. Daarom hebben wij analyses gedaan waarin de man/vrouw verhouding van alle nieuw aangestelde UD’s, UHD’s, en hoogleraren is afgezet tegen de m/v verhoudingen in promoties voor respectievelijk 7, 12 en 19 jaar eerder. Als de carrières gender-neutraal verlopen, zullen de benoemingen van hoogleraren in bijvoorbeeld 2015 overeenkomen met de man/vrouw verhoudingen in de promoties van 19 jaar eerder, 1996. Maar komt dat ook uit?

Jaarlijks worden er aan de universiteiten gemiddeld 276 nieuwe hoogleraren aangesteld. Als we de genderverdeling in de aanstellingen voor de periode 2004-2015 naast de verwachtingen leggen op basis van promoties 19 jaar eerder, zien we het volgende beeld.

In bovenstaande figuur is te zien dat het percentage vrouwen bij de nieuwe benoemingen stijgt en iets boven de verwachting ligt. Gemiddeld is het saldo 9 vrouwelijke hoogleraarsbenoemingen meer per jaar dan je op basis van de promoties in het verleden zou verwachten. In het laatste jaar (2015) zien we dat 27% van de hoogleraar aanstellingen vrouwen zijn.

Bij de UD’s en UHD’s zien we soortgelijke patronen. Het aantal nieuw benoemde UHD’s is 292 personen per jaar gemiddeld waarvan 87 vrouwen (28%). Er worden per jaar 7 vrouwelijke UHD’s meer benoemd dan de verhoudingen van de promoties 12 jaar eerder.

Bij de UD’s worden gemiddeld 285 vrouwen benoemd op een totaal van 706 benoemingen per jaar (40%). Dat is per jaar 67 vrouwelijke UD’s meer dan de verwachting. De benoemingen van mannelijke en vrouwelijke universitair docenten zijn inmiddels (2015) gelijk in aantal.

Al deze cijfers zijn exclusief de geneeskunde, waar de ontwikkeling van het aantal vrouwelijke promovendi veel sterker is, eerder is begonnen en in 2006 gelijk was aan het aantal mannelijke promovendi.

Verschillen tussen de wetenschapsgebieden zijn er ook.  Bij de sociale wetenschappen (inclusief rechten en economie) en natuurwetenschappen zien we dat de verwachte en feitelijk geobserveerde genderverdeling vrijwel gelijk is. Bij taal en cultuur zien we een wat groter positief saldo. Daar ligt de verwachting op basis van de promoties 19 jaar eerder op 24,1% vrouwen, terwijl er bij de nieuwe hoogleraarsbenoemingen 26,7% vrouwen zijn. Het grootste verschil zien we bij de technische wetenschappen: 6,1% bij de promoties versus 11,5% bij de feitelijke benoemingen van hoogleraren 19 jaar later. Informatie over de ontwikkeling van het aantal vrouwelijke hoogleraren per discipline is opgenomen in een ander factsheet.

Academisch functiegebouw in ontwikkeling

In de onderstaande figuur wordt de samenstelling van het personeelsbestand van de universiteiten (exclusief geneeskunde/umc's) gepresenteerd. Hierbij worden aantallen hoogleraren, universitair hoofddocenten en universitair docenten als aparte groepen gepresenteerd. Daarnaast is er de categorie overig wetenschappelijk personeel (Overig WP) en de promovendi. Overig WP was bij de ontwikkeling van het functiegebouw een restcategorie met vooral tijdelijk aangestelde onderzoekers en docenten. Dat is nog steeds zo. De internationale term postdoc wordt hiervoor veel gebruikt maar helemaal dekkend is deze term niet omdat er ook personen in zitten zonder docterstitel.

Rechts worden de aantallen vrouwen per functie gepresenteerd en links de mannen. Alle aantallen zijn in voltijdsequivalenten (fte).

Historisch beeld academisch carrierehuis naar gender

historisch beeld academisch carrierehuis naar gender
Bron: VSNU/WOPI, bewerking Rathenau Instituut. Data te downloaden via link aan het eind van het factsheet.

Bij de mannen zien we een verdeling die er globaal op neer komt dat het aantal uhd's en hoogleraren bijna gelijk is en het aantal ud's ongeveer net zo groot als de som van de beide hoogste rangen. Dit is in de afgelopen 20 jaar niet veel veranderd. We zien wel een aanzienlijke ontwikkeling bij de promovendi. Hiermee zien we -voor de mannen- een zich langzaam ontwikkelend carrièrehuis.

Bij vrouwen zien we een heel andere ontwikkeling. De omvang van de groep vrouwelijk personeel in het begin van deze tijdreeks was nog heel beperkt, en bestond vooral uit universitair docenten, promovendi en overig WP. Op de beide hoogste niveaus was nog slechts heel beperkte bezetting. In 1998 waren er net 100 fte's vrouwelijke hoogleraren en 150 fte vrouwelijke uhd's. Alle groepen hebben zich sindsdien sterk ontwikkeld. De omvang van het totaal aantal vrouwen is sterk gegroeid (173% groei, mannen 22%) maar nog steeds niet meer dan 10.000 fte (mannen 15.500 fte).

We zien dit sterker terug bij de afzonderlijke functiecategorieën. Bij de hoogleraren en de uhd's zijn de aantallen wel sterk gestegen maar de aantallen komen nog niet in de buurt van de mannen. De genderkloof wordt ieder jaar iets kleiner maar is anno 2017 nog steeds groot.

De vraag is hoe zich dat verder gaat ontwikkelen. We zien immers naast de groei van het totale aantal vrouwen nog steeds ook een groei van het aantal mannen. De samenstelling bij de mannen is relatief constant: zo zien we op het hoogste niveau dat 1 op de 7 mannelijke wetenschappers aan de universiteiten hoogleraar is. Dat is al de gehele periode zo. Bij vrouwen was dat in 1998, 1 op 35 en 1 op 18 in 2017. Evident is dat dit nog ver verwijderd is van 1 op 7 zoals bij de mannen.

Om ruimte te bieden voor de vrouwen zouden er de volgende kritische factoren kunnen worden benoemd;

  1. De omvang en groei van het totale bestand aan wetenschappelijk personeel zijn een belangrijke factor. Als er meer groei is zal er ook meer mogelijk zijn in termen van het aantrekken van vrouwelijke wetenschappers.
  2. De ontwikkeling van de genderverdeling bij promovendi en gepromoveerden. In 2015 zagen we (inclusief gezondheidszorg) bijna een 50-50 verhouding in mannen en vrouwen. De cijfers van de laatste twee jaren duiden echter op een lichte daling van het aandeel vrouwen. We weten niet of dit tijdelijk is of het begin van een trend. Dat kan gevolgen hebben voor de benoemingen later. Bij de hoogleraren zal zo'n effect dan begin jaren 30 van deze eeuw te zien zijn.
  3. De periode tussen promotie en benoeming als hoogleraar kan korter of langer worden. Als deze periode korter wordt zal dit een positief effect hebben doordat een groter aantal vrouwelijke promovendi sneller naar een hoogleraarsbenoeming kan groeien. Het is belangrijk te monitoren in hoeverre een snelle groei van het aantal vrouwelijke hoogleraren ten koste gaat van het aandeel vrouwen in de uhd populatie. 

Over de data

De weergegeven cijfers over de aantallen nieuwe aanstellingen zijn gebaseerd op de microdata van het WOPI (Wetenschappelijk Onderwijs Personeels Informatie) systeem van de universiteiten die door de VSNU aan het Rathenau Instituut beschikbaar zijn gesteld. Deze microdata zijn er voor 2003-2015. Voor dit factsheet zijn de cijfers geanalyseerd op individueel niveau. Gekeken is naar de benoemingen die hebben plaatsgevonden door de bestandscijfers steeds van twee jaren te vergelijken. Dat kan omdat WOPI unieke persoons ID’s bevat. Dit is echter een ID dat alleen bij de desbetreffende universiteit gebruikt wordt. Als een wetenschapper van de ene naar de andere universiteit gaat wordt die beweging in WOPI net zo geregistreerd als iemand die uit andere segmenten van de arbeidsmarkt in binnen- of buitenland komt; de wetenschapper krijgt dan een nieuw ID.

De cijfers over de promoties per jaar komen van het CBS die ze op haar beurt weer verkrijgt van de individuele universiteiten waar de promoties plaats vinden. Deze cijfers zijn volledig over alle disciplines.

De cijfers laten geen analyse toe voor de gehele periode voor zogenaamde 'postdocs'; dit is geen herkenbare personeelscategorie in WOPI.

Belangrijk aandachtspunt is dat de voor deze analyse benodigde microdata vanuit de universiteiten de laatste jaren niet meer aan ons beschikbaar zijn gesteld. Al drie jaar (2016, 2017 en 2018) op rij hebben enkele instellingen geen microdata meer geleverd aan de VSNU. Ook de microdata die bij de VSNU wel beschikbaar zijn voor die jaren zijn niet langer beschikbaar gesteld aan het Rathenau Instituut. Daardoor kunnen de opstellers van dit factsheet geen berekeningen meer maken van de nieuwe aanstellingen in relatie tot de promoties in eerdere jaren. Het ontbreekt daardoor aan de mogelijkheid om de ontwikkeling van vrouwen in de wetenschap goed te monitoren en het toetsen van de effectiviteit van het beleid in deze.

Voor de wetenschappers in het wetenschapsgebied gezondheid (umc's) zijn de hiervoor benodigde microdata niet beschikbaar. De weinige relevante personeelsdata die beschikbaar zijn van de umc’s zijn de cijfers over de aantallen hoogleraren naar gender en instelling (bron: Stichting de Beauvoir/LNVH). Stroomcijfers zoals op basis van WOPI konden worden berekend, zijn er voor de umc’s daarom niet. De data van Narcis van DANS zijn geanalyseerd. Daarin zijn de hoogleraren voor geneeskunde wel in beeld te brengen. Er zijn echter maar 6 opeenvolgende jaren uit deze bron beschikbaar. Voor geneeskunde kunnen we dus geen betrouwbare analyse maken voor nieuwe benoemingen in relatie tot de promoties 19 jaar eerder, omdat de aanstellingsgegevens ontbreken in de data. Gegeven het feit dat de medische wetenschappen de eerste waren die een gelijke genderverdeling bereikten bij gepromoveerden en het feit dat daar ongeveer 1/3 van het geld voor wetenschap in Nederland zit, kunnen patronen daar, die we nu niet kunnen analyseren, een impact hebben op de totaalcijfers. 

Voor landbouw zijn de vergelijkingen ook lastig omdat de absolute aantallen klein zijn en omdat er verschillende indelingen van diergeneeskunde worden gehanteerd. Diergeneeskunde wordt in WOPI gerekend tot het wetenschapsgebied gezondheid, terwijl het CBS dit toerekent aan landbouw. Diergeneeskunde heeft dus in de data van WOPI, waaruit de aanstellingen tot hoogleraar worden berekend, een andere plaats dan in de data van het CBS, waaruit de promoties worden berekend.

Meer cijfers
Download excel bestand met gegevens over universitair personeel in Nederland