Praktijkgericht onderzoek hogescholen
Foto: Marieke Barendse

In het kort
- In 2023 besteedden de hogescholen in totaal 447 miljoen euro aan praktijkgericht onderzoek.
- 772 lectoren besteedden 539 fte aan onderzoek (2023).
- In 2023 is het totale aantal fte's aan personeel bij de lectoraten toegenomen met 11% ten opzichte van 2022.
Inleiding
Praktijkgericht onderzoek is een relatief nieuwe taak voor hogescholen. In 2001 sloten de minister van OCW en de HBO-raad (rechtsvoorganger van de Vereniging Hogescholen (VH)) een convenant om de kennisfunctie van hogescholen te verstevigen door het benoemen van lectoren en het ontwikkelen van lectoraten, ook wel kenniskringen genoemd. Sinds de afsluiting van dit convenant worden er door de Rijksoverheid structurele en tijdelijke middelen vrijgemaakt voor de ontwikkeling van deze onderzoeksfunctie, die we vandaag kennen als het praktijkgericht onderzoek.
Zo is er in het Bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap in 2022 afgesproken dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) jaarlijks 100 miljoen zal investeren in de eerste en tweede geldstroom van het praktijkgericht onderzoek. In 2023 zijn deze middelen voor het eerst volledig uitgekeerd. In het bestuursakkoord is eveneens vastgelegd dat de VH de monitoring van de inzet van de middelen voor onderzoek zal verbeteren. In opdracht van de VH heeft het Rathenau Instituut daarom in 2025 de tweede Monitor praktijkgericht onderzoek uitgebracht.
Het praktijkgericht onderzoek kenmerkt zich door het centraal stellen van de verbinding van praktijkgericht onderzoek met de beroepspraktijk en het onderwijs. Om die verbinding mogelijk te maken zijn netwerken essentieel: verbinding en samenwerking met de beroepspraktijk en het onderwijs en andere kennisinstellingen die werken aan dezelfde of aangrenzende thema’s. Daarom vindt praktijkgericht onderzoek, van de vraagstelling tot implementatie van het eindproduct, bijna altijd plaats in netwerken van partijen uit onderwijs, onderzoek en de beroepspraktijk.
Middelen voor praktijkgericht onderzoek nemen toe
De drie grootste financieringsstromen van lectoraten zijn de eerste geldstroom, de tweede geldstroom en de derde geldstroom. Zoals onderstaande figuur laat zien, zijn de totale middelen besteed aan praktijkgericht onderzoek over de periode 2009-2023 meer dan verviervoudigd. De middelen voor praktijkgericht onderzoek stegen van 101 miljoen euro in 2009 naar 447 miljoen euro in 2023.
In 2023 namen de totale middelen ten opzichte van 2022 toe met 27%. Met name de eerste geldstroom is door de extra investeringen vanuit het Bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap 2022 gestegen. Bijna 60 procent van de onderzoeksmiddelen is afkomstig uit de eerste geldstroom (rijksbijdrage), een derde uit de tweede geldstroom en minder dan een tiende uit de derde geldstroom en overige middelen. De eerste, tweede en derde geldstroom stegen met respectievelijk 34%, 22% en 8% ten opzichte van 2022. In 2022 was dit ten opzichte van 2021 respectievelijk 16%, 19% en 4%.
De totale middelen besteed aan praktijkgericht onderzoek zijn tussen 2009 en 2023 meer dan verviervoudigd
Overig | 3e geldstroom | 2e geldstroom | 1e geldstroom | |
2009 | 2 | 22 | 13 | 64 |
2010 | 5 | 29 | 15 | 92 |
2011 | 4 | 34 | 16 | 91 |
2012 | 5,9 | 41,6 | 20 | 97,8 |
2013 | 4,1 | 39,3 | 19,7 | 99,2 |
2014 | 5,5 | 39,6 | 18,2 | 108,3 |
2015 | 5 | 19 | 43 | 117 |
2016 | 3 | 24 | 60 | 129 |
2017 | 5 | 24 | 79 | 136 |
2018 | 7 | 23 | 83 | 146 |
2019 | 7 | 24 | 84 | 151 |
2020 | 5 | 28 | 91 | 158 |
2021 | 4 | 32 | 102 | 171 |
2022 | 5 | 28 | 122 | 197 |
2023 | 5 | 30 | 148 | 264 |
Eerste geldstroom
Hogescholen ontvangen een lumpsum rijksbijdrage voor praktijkgericht onderzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Hogescholen financieren daarnaast ook onderzoeksactiviteiten vanuit hun rijksbijdrage voor onderwijs om zo het praktijkgericht onderzoek een extra impuls te geven.
Tweede geldstroom
Hieronder vallen de middelen die in competitie verdeeld worden via het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (Regieorgaan SIA) en andere publieke onderzoeksfinanciers – regionaal, nationaal en internationaal. Regieorgaan SIA is onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en specifiek gericht op het stimuleren en verbeteren van praktijkgericht onderzoek aan hogescholen. Ook de middelen die verkregen zijn door aanvragen bij ZonMw, andere NWO-onderdelen en internationale aanvragen, waaronder de EU-kaderprogramma’s, vallen onder de tweede geldstroom. Deze middelen zijn bedoeld voor kennisontwikkeling en kennisuitwisseling in samenwerking met de praktijk. De definities voor de tweede en derde geldstromen en overige middelen in dit tekstkader gelden voor de periode 2015 en daarna.
Derde geldstroom
Inkomsten uit opdrachtonderzoek voor bedrijven of andere opdrachtgevers. Het betreft hier zowel nationaal als internationaal toegekende middelen.
Overige middelen
Middelen voor onderzoek die niet vallen onder de hierboven genoemde categorieën, bijvoorbeeld donaties van alumni of sponsorgelden.
Hogescholen leggen zelf, relatief gezien, minder middelen bij
Dankzij de extra middelen uit het bestuursakkoord hoeven de hogescholen relatief minder bij te leggen vanuit de rijksbijdrage die eigenlijk bestemd is voor onderwijsactiviteiten. De hogescholen doen dit om het praktijkgericht onderzoek een extra impuls te geven. In 2022 was 38% van de totaal ingezette middelen in de eerste geldstroom afkomstig uit aanvullende middelen, bestemd voor onderwijsactiviteiten. In 2023 nam dit aandeel af, namelijk tot 29% van de totaal ingezette middelen uit de eerste geldstroom. De absolute bijdrage blijft echter gelijk aan de bijdrage van 2022: ongeveer 75 miljoen euro.
Aantal lectoren toegenomen
Daarnaast leiden de extra middelen tot een toename in onderzoekspersoneel. Onderstaande figuur toont de groei van het aantal lectoren, zowel in aantal personen als in fte. Tot en met 2009 groeide het aantal lectoren snel: van 270 personen in 2007 naar 486 in 2009. Hierna zet de groei gestaag door. In 2023 tellen de hogescholen gezamenlijk 772 lectoren (+7% ten opzichte van 2022). De focus in de ontwikkeling van de lectoraten is de afgelopen jaren verder verschoven van groei naar bestendiging via een stevigere inbedding en professionalisering.
Personen | in FTE | |
2007 | 270 | 155 |
2008 | 350 | 224 |
2009 | 486 | 268 |
2010 | 531 | 282 |
2011 | 563 | 305 |
2012 | 582 | 324 |
2013 | 596 | 345 |
2014 | 592 | 361 |
2015 | 634 | 378 |
2016 | 646 | 406 |
2017 | 679 | 404 |
2018 | 663 | 417 |
2019 | 694 | 429 |
2020 | 709 | 455 |
2021 | 730 | 485 |
2022 | 723 | 486 |
2023 | 772 | 539 |
Tussen 2009 en 2023 kwam er 286 fte aan lectoren bij. Het aantal fte lectoren groeide met 5% tot 11% per jaar in deze periode. De gemiddelde deeltijdfactor varieerde van 0,53 (2010) tot 0,70 (2023). In 2023 was de groei ten opzichte van 2022 sterk, namelijk 11% (fte). Dat het aantal fte lectoren harder steeg dan het aantal lectoren in personen, komt doordat lectoren gemiddeld een grotere omvang (fte) kregen in hun lectoraats-aanstelling.
In 2022 had 80% van de lectoren een vaste aanstelling. In 2023 daalde het aandeel lectoren met een vaste aanstelling naar 67%. Nieuw aangestelde lectoren hebben vaker een tijdelijke aanstelling. In 2023 had bijna een derde van de lectoren, net als in 2022, een dubbelaanstelling (lectorenbestand, Regieorgaan SIA). Hierbij heeft de lector naast de aanstelling bij de hogeschool, ook een aanstelling bij het bedrijfsleven, universiteit of een andere instelling. In 2023 was 41% vrouw (2022: 42%). In 2019 was dit 39%.
85% van de lectoren gaf in 2023 aan in meer dan één onderwijssector actief te zijn. In onderstaande figuur zien we dat binnen bèta en techniek, sociale studies, gezondheidszorg en economie de meeste lectoren actief zijn. Daarnaast zien we dat de sectoren agro en food, sociale studies, gezondheidszorg en kunst bovengemiddeld veel lectoren kennen in verhouding tot het aandeel studenten. Binnen de sector economie ligt het aandeel lectoren ten opzichte van het aandeel studenten onder het gemiddelde. Dit komt overeen met het beeld uit 2022.
85% van de lectoren is in meer dan één sector actief
Aandeel lectoren | Aandeel studenten | |
Sociale studies | 0,19 | 0,115947086 |
Gezondheidszorg | 0,17 | 0,12273474 |
Bèta/techniek | 0,2 | 0,207511064 |
Economie | 0,16 | 0,354797952 |
Onderwijs | 0,13 | 0,123163844 |
Agro/food | 0,09 | 0,025685592 |
Kunst | 0,07 | 0,050159722 |
Omvang lectoraten neemt toe
Het lectoraat is de basis van het praktijkgericht onderzoek. Elk lectoraat bestaat naast een of meerdere lectoren ook uit docent-onderzoekers, promovendi, postdocs en ondersteunend personeel. Het personeel aan lectoraten heeft veelal een deeltijdaanstelling voor hun werk voor het lectoraat. Zo is de gemiddelde deeltijdfactor onder docent-onderzoekers 0,34 en onder promovendi 0,45. We kijken daarom voor een beeld van de algehele ontwikkeling over de tijd naar de ontwikkeling van het aantal fte.
In onderstaande figuur zien we dat niet alleen het aantal lectoren groeit, maar ook het overige betrokken personeel. Wanneer we kijken naar de ontwikkeling van het personeel aan lectoraten, zien we een stijging van 11% (in fte’s) van het totale aantal fte’s in 2023 ten opzichte van 2022.
Het aantal fte ondersteunend personeel nam procentueel gezien het meest toe: met 27%. Maar in absolute zin stijgt het aantal docent-onderzoekers het meest (van 1.697 fte in 2022 naar 1.891 fte in 2023). Bij docent-onderzoekers is, dankzij de extra middelen, de focus meer verschoven richting onderzoek. Zij krijgen gemiddeld meer tijd voor onderzoek binnen hun aanstelling.
Wat verder nog opvalt, is de daling van het aantal postdocs. Tot 2021 bood de hbo-postdoc-regeling een tegemoetkoming voor het aanstellen van een postdoc voor 2 jaar. Postdocs die met deze regeling zijn aangesteld, waren in 2023 klaar. Dit verklaart mogelijk de daling van het aantal postdocs (-28% in 2023 ten opzichte van 2022).
In 2023 startte daarnaast een pilot voor de functie van professional doctorate, een doctoraatstraject aan een hogeschool. In 2023 zijn de eerste 32 kandidaten bij vijftien hogescholen gestart in de zeven domeinen waarin de pilot plaatsvindt.
fte | Lectoren | Docent-onderzoekers | Promovendi | Postdocs | Ondersteuning |
2009 | 268 | 639 | 261 | 161 | |
2010 | 282 | 640 | 258 | 258 | |
2011 | 303 | 779 | 282 | 222 | |
2012 | 324 | 880 | 331 | 209 | |
2013 | 345 | 912 | 374 | 234 | |
2014 | 361 | 1037 | 377 | 220 | |
2015 | 378 | 984 | 423 | 265 | |
2016 | 406 | 1139 | 424 | 308 | |
2017 | 404 | 1243 | 393 | 298 | |
2018 | 417 | 1257 | 344 | 326 | |
2019 | 429 | 1331 | 341 | 312 | |
2020 | 455 | 1537 | 353 | 382 | |
2021 | 485 | 1664 | 348 | 398 | |
2022 | 486 | 1697 | 328 | 149 | 434 |
2023 | 539 | 1891 | 332 | 108 | 551 |
Vanuit een sterke behoefte aan hoogopgeleide professionals die in staat zijn om complexe beroepsgerichte vraagstukken te behandelen, zijn de hogescholen in 2023 gestart met de pilot voor een eigen doctoraatstraject: de proOmdat er behoefte is aan hoogopgeleide professionals die complexe beroepsgerichte vraagstukken kunnen behandelen, zijn de hogescholen in 2023 gestart met de pilot voor een eigen doctoraatstraject: de professional doctorate (PD). Het is een vierjarig leertraject, begeleid door tenminste twee lectoren en twee werkveldbegeleiders. De kandidaten doen kennis op waarmee ze interventies kunnen ontwikkelen en valideren voor complexe vraagstukken in de praktijk. De pilot vindt in samenwerking met het ministerie van OCW en Regieorgaan SIA plaats in zeven domeinen. Er wordt jaarlijks apart gerapporteerd over de ontwikkeling van professional doctorate in De Staat van de PD. De eerste editie, over het eerste uitvoeringsjaar 2023, verscheen eind 2024.
Verbinding met het onderwijs
Het onderwijs aan de hogescholen bereidt studenten voor op de beroepspraktijk. Een hoge kwaliteit van het onderwijs en goede aansluiting bij de beroepspraktijk vragen om continue vernieuwing van het curriculum. Dat de hogescholen het belangrijk vinden om te investeren in de verbinding van het praktijkgericht onderzoek met het onderwijs, blijkt mede uit de enquête van de Vereniging van Lectoren. Volgens 76% van de lectoren wordt vanuit de hogeschool namelijk gestuurd op deze verbinding. Dat gebeurt op verschillende manieren, zoals de ontwikkeling van nieuw lesmateriaal (volgens 81% van de lectoren), via lesgeven (88%), door middel van het opleiden van docent-onderzoekers (75%) en middels stages en scriptiebegeleiding (77%) (Uitkomsten survey facilitering van lectoren, Vereniging van lectoren 2024).
Een maat voor de verbinding van onderzoek met onderwijs is het aantal studenten per lector. Het aantal studenten per lector (fte) verbeterde van 1388 in 2011 via 986 in 2022 naar 860 in 2023. Er zijn grote verschillen tussen de sectoren en hogescholen in het aantal studenten per fte lector. Om een streefwaarde van 720 studenten per 1 fte lector te bereiken, zou 104 fte aan lectoren extra nodig zijn ten opzichte van de lector-student ratio in 2023. Om op termijn de lector-student ratio van 1:500 te bereiken, zou dan ten opzichte van de lector-student ratio in 2023 nog 386 fte aan lectoren extra nodig zijn en het daarbij benodigde onderzoeks- en ondersteunend personeel.
Het aantal en de focus van de Centres of Expertise blijft stabiel
Het praktijkgericht onderzoek aan hogescholen werkt toe naar volwaardige integratie in het kennisecosysteem op regionaal, nationaal en internationaal niveau. Dit betekent dat hogescholen door andere kennisinstellingen steeds meer gezien worden als volwaardige kennispartner bij de aanpak van maatschappelijke vraagstukken. We zien dat hogescholen in 2023 vaker betrokken zijn bij een gehonoreerde aanvraag dan in 2022. Ook is er meer nadruk op het verbinden van nationale expertise met relevante Europese ontwikkelingen.
Hogescholen hebben in de afgelopen jaren een eigen profiel ontwikkeld waarbij keuzes zijn gemaakt op het gebied van onderwijsaanbod, onderzoek en zwaartepuntvorming. Een manier waarop zij specifiek invulling kunnen geven aan deze zwaartepunten is middels de Centres of Expertise. Daarbij werken bedrijven, onderzoekers, docenten, studenten en beroepsprofessionals in publiek-private of publiek-publieke ecosystemen samen aan maatschappelijke uitdagingen en transities. De Centres of Expertise hebben een aanzienlijke omvang en benaderen complexe maatschappelijke uitdagingen vanuit meerdere disciplines.
In 2023 waren er 46 Centres of Expertise (zie onderstaande figuur). Het aantal Centres of Expertise blijft in de laatste jaren redelijk stabiel. Dat is een teken dat de hogescholen vasthouden aan hun gekozen profiel. Ook is het een aanwijzing dat de focus van het praktijkgericht onderzoek is verschoven van het leggen van een basis naar professionalisering en versterking.
Centres of expertise/hbo initiatief | |
2011 | 3 |
2012 | 3 |
2013 | 31 |
2014 | 33 |
2015 | 33 |
2016 | 34 |
2017 | 36 |
2018 | 37 |
2019 | 43 |
2020 | 42 |
2021 | 44 |
2022 | 48 |
2023 | 46 |
- Bestuursakkoord 2022, Hoger onderwijs en wetenschap.
- Vereniging van Hogescholen, 2020. Ontwikkeling van het Lectoraat. Den Haag: Vereniging Hogescholen.
- Vereniging van Hogescholen, 2019. Verkenning toekomst praktijkgericht onderzoek. Den Haag: Vereniging Hogescholen.
- Strategy&, PwC (2021).Toereikendheid, doelmatigheid en kostentoerekening in het mbo, hbo en wo&o.
- Vereniging Hogescholen (2023). Verenigingskader Centres of Expertise 2023. Den Haag.
Voor een uitleg van de gebruikte definities en afkortingen verwijzen we graag naar de webpagina Definities en afkortingen.
Gerelateerde publicaties
- Monitor praktijkgericht onderzoek 2023
- Monitor praktijkgericht onderzoek 2022
- Praktijkgericht onderzoek hogescholen professionaliseert
- Bouwen aan krachtige onderzoeksgroepen
- Inkomsten, onderzoek en zorg van de universitair medische centra
- Inkomsten en prestaties Nederlandse universiteiten; onderwijs