Praktijkgericht onderzoek hogescholen

Geld

Factsheet

Het praktijkgericht onderzoek aan hogescholen wordt gekenmerkt door het centraal stellen van de verbinding met de beroepspraktijk en het onderwijs. Sinds het begin van deze eeuw heeft dit type onderzoek zich sterk ontwikkeld en een structurele plaats gekregen binnen het takenpakket van hogescholen. Het aantal lectoren groeide tot en met 2009 snel: van 270 personen in 2007 naar 486 in 2009. In de jaren daarna zette de groei gestaag door. In 2024 tellen de hogescholen gezamenlijk 789 lectoren. De afgelopen jaren is de focus verschoven van het bouwen van de fundamenten naar de professionalisering en versterking van het praktijkgericht onderzoek.

Haagse Hogeschool - Marieke Barendse.jpg
Foto: Marieke Barendse

In het kort

  • In 2024 besteedden de hogescholen in totaal 511 miljoen euro aan praktijkgericht onderzoek.
  • 789 lectoren besteedden 553 fte aan onderzoek (2024).
  • In 2024 is het totale aantal fte aan personeel bij de lectoraten toegenomen met 5% ten opzichte van 2023.

Ontstaan en ontwikkeling van praktijkgericht onderzoek

Praktijkgericht onderzoek is een relatief nieuwe taak voor hogescholen. In 2001 sloten de minister van OCW en de HBO-raad (rechtsvoorganger van de Vereniging Hogescholen (VH)) een convenant om de kennisfunctie van hogescholen te versterken door het benoemen van lectoren en het ontwikkelen van lectoraten, ook wel kenniskringen genoemd. Sinds de afsluiting van dit convenant stelt de Rijksoverheid structurele en tijdelijke middelen beschikbaar voor de ontwikkeling van deze onderzoeksfunctie, die we vandaag kennen als het praktijkgericht onderzoek.

Zo is er in het Bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap (2022) afgesproken dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) jaarlijks 100 miljoen investeert in de eerste en tweede geldstroom van het praktijkgericht onderzoek. In 2023 zijn deze middelen voor het eerst volledig uitgekeerd. In het bestuursakkoord is tevens vastgelegd dat de VH de monitoring van de inzet van de onderzoeksmiddelen zal verbeteren. In opdracht van de VH heeft het Rathenau Instituut daarom in 2026 de derde Monitor praktijkgericht onderzoek uitgebracht.

Praktijkgericht onderzoek kenmerkt zich door de verbinding met de beroepspraktijk en het onderwijs. Netwerken spelen daarbij een belangrijke rol: zij maken samenwerking mogelijk met de beroepspraktijk, het onderwijs en andere kennisinstellingen die werken aan dezelfde of verwante thema's. Praktijkgericht onderzoek vindt daarom vrijwel altijd plaats in samenwerking met partijen uit onderwijs, onderzoek en de beroepspraktijk. 

Middelen voor praktijkgericht onderzoek nemen toe

De drie grootste financieringsstromen van lectoraten zijn de eerste, tweede geldstroom en derde geldstroom. Zoals onderstaande figuur laat zien, zijn de totale middelen die aan praktijkgericht onderzoek worden besteed in de periode 2009-2024 meer dan vervijfvoudigd. De middelen stegen van 101 miljoen euro in 2009 naar 511 miljoen euro in 2024.

In 2024 namen de totale middelen met 14% toe ten opzichte van 2023. De tweede geldstroom steeg het hardst, namelijk met 23%. De eerste geldstroom steeg met 9% en de derde geldstroom met 14%. In 2023 stegen de eerste, tweede en derde geldstroom ten opzichte van 2022 met respectievelijk 34%, 22% en 8%. Dat de stijging van met name de eerste geldstroom in 2023 groter was, komt doordat de extra middelen uit het Bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap 2022 in 2023 voor het eerst volledig werden toegekend. Van de totale middelen voor praktijkgericht onderzoek is 57% afkomstig uit de eerste geldstroom (rijksbijdrage), 36% uit de tweede geldstroom en minder dan een tiende uit de derde geldstroom en overige middelen. 

De totale middelen besteed aan praktijkgericht onderzoek zijn tussen 2009 en 2024 meer dan vervijfvoudigd

Eerste geldstroom
Hogescholen ontvangen een lumpsum rijksbijdrage voor praktijkgericht onderzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Hogescholen financieren daarnaast ook onderzoeksactiviteiten vanuit hun rijksbijdrage voor onderwijs om zo het praktijkgericht onderzoek een extra impuls te geven.

Tweede geldstroom
Hieronder vallen de middelen die in competitie verdeeld worden via het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (Regieorgaan SIA) en andere publieke onderzoeksfinanciers – regionaal, nationaal en internationaal. Regieorgaan SIA is onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en specifiek gericht op het stimuleren en verbeteren van praktijkgericht onderzoek aan hogescholen. Ook de middelen die verkregen zijn door aanvragen bij ZonMw, andere NWO-onderdelen en internationale aanvragen, waaronder de EU-kaderprogramma’s, vallen onder de tweede geldstroom. Deze middelen zijn bedoeld voor kennisontwikkeling en kennisuitwisseling in samenwerking met de praktijk. De definities voor de tweede en derde geldstromen en overige middelen in dit tekstkader gelden voor de periode 2015 en daarna.

Derde geldstroom
Inkomsten uit opdrachtonderzoek voor bedrijven of andere opdrachtgevers. Het betreft hier zowel nationaal als internationaal toegekende middelen.

Overige middelen 
Middelen voor onderzoek die niet vallen onder de hierboven genoemde categorieën, bijvoorbeeld donaties van alumni of sponsorgelden. 

Hogescholen leggen meer middelen bij dan voorgaande jaren

Hogescholen geven meer uit aan praktijkgericht onderzoek uit de eerste geldstroom dan zij via de rijksbijdrage voor onderzoek ontvangen. Zij leggen veelal middelen bij vanuit de rijksbijdrage voor onderwijs om het praktijkgericht onderzoek een extra impuls te geven. In 2022 was 38% van de eerste geldstroom afkomstig uit de rijksbijdrage voor onderwijs (74 miljoen euro). In 2023 nam het aandeel aanvullende middelen binnen de eerste geldstroom af door de toename van de rijksbijdrage voor praktijkgericht onderzoek, namelijk tot 29% van de totaal ingezette middelen uit de eerste geldstroom. In absolute zin bleven de aanvullende middelen ongeveer gelijk, namelijk 76 miljoen euro. In 2024 stijgt de absolute aanvullende bijdrage uit de eerste geldstroom tot 90 miljoen euro. Dit komt neer op 31% van de totaal ingezette middelen uit de eerste geldstroom voor onderzoek. Deze aanvullende middelen verklaren voor een groot deel de stijging die we zien in de eerste geldstroom.

Aantal lectoren toegenomen

De extra middelen uit het bestuursakkoord zorgden, net als in 2024, voor een toename van het onderzoekspersoneel. Echter zien we dat deze toename ten opzichte van 2023 minder sterk is. Zo steeg het aantal lectoren in 2024 met 2%. In 2023 was dit nog 7%. Wanneer we naar onderstaande grafiek kijken, zien we dat de focus in de ontwikkeling van de lectoraten in de afgelopen jaren verder is verschoven van groei naar bestendiging via een stevigere inbedding en professionalisering. Zo groeide het aantal lectoren tot en met 2009 snel: van 270 personen in 2007 naar 486 in 2009. Hierna zette de groei gestaag door.

Tussen 2009 en 2024 varieerde de gemiddelde deeltijdfactor van 0,53 (2010) tot 0,70 (2023 en 2024). In 2023 was de groei in fte ten opzichte van 2022 relatief sterk, namelijk 11% (fte). In 2024 groeide het aantal fte lectoren met 2%: van 539 fte in 2023 naar 553 fte in 2024.

De ontwikkeling van het lectorenbestand weerspiegelt zich ook in de contractvormen. In 2022 had 80% van de lectoren een vaste aanstelling. In 2023 daalde dit aandeel naar 67%. De snelle groei in het aantal lectoren in 2023 bracht mogelijk een hoger percentage tijdelijke contracten met zich mee. Nieuw aangestelde lectoren hebben immers vaker een tijdelijke aanstelling. In 2024 stijgt het aandeel vaste aanstellingen weer, namelijk tot 73%. Daarnaast had in 2024, net als in 2022 en 2023, bijna een derde van de lectoren een dubbelaanstelling (lectorenbestand, Regieorgaan SIA). Hierbij heeft de lector, naast de aanstelling bij de hogeschool, ook een aanstelling bij het bedrijfsleven, universiteit of een andere instelling. Het aandeel vrouwelijke lectoren in 2024 bedroeg 44%. Dit is een toename van 3 procentpunten ten opzichte van 2023 (41%). Ter vergelijking: in 2019 lag dit aandeel op 39%.  

In onderstaande figuur kijken we naar het percentage lectoren dat aangeeft onderzoek uit te voeren in de betreffende sector en het aandeel studenten per sector. In 2024 zijn de meeste lectoren actief binnen de sectoren bèta en techniek, gezondheidszorg en economie. Daarnaast zien we dat de sectoren agro en food, gezondheidszorg, bèta en techniek en kunst bovengemiddeld veel lectoren kennen in verhouding tot het aandeel studenten. Binnen de sector economie ligt het aandeel lectoren ten opzichte van het aandeel studenten, net als in 2023, onder het gemiddelde. De verhouding tussen het aandeel lectoren en het aandeel studenten verschilt per sector en hangt onder meer samen met de mate waarin onderzoek een rol speelt binnen de betreffende sector.

Het aandeel lectoren met een vast contract stijgt weer naar 73%

Omvang lectoraten neemt toe

Het lectoraat vormt de basis van het praktijkgericht onderzoek aan hogescholen. Elk lectoraat bestaat, naast een of meerdere lectoren, uit docent-onderzoekers, promovendi, postdocs en ondersteunend personeel. Het personeel aan lectoraten heeft veelal een deeltijdaanstelling voor hun werk voor het lectoraat. Zo bedraagt de gemiddelde deeltijdfactor onder docent-onderzoekers 0,33 en onder promovendi 0,49. Om de ontwikkeling van lectoraten over de tijd goed te kunnen volgen, wordt gekeken naar de omvang in fte.  

In onderstaande figuur zien we dat niet alleen het aantal lectoren groeit, maar ook het overige betrokken personeel. Wanneer we kijken naar de ontwikkeling van het personeel aan lectoraten, zien we een stijging van 5% (in fte) van het totale aantal fte in 2024 ten opzichte van 2023. In 2023 was deze stijging 13%. 

Het aantal fte ondersteunend personeel nam, net als vorig jaar, het sterkst toe. Ten opzichte van 2023 groeide deze groep met 31%. Ook het aantal fte promovendi nam sterk toe, namelijk met 11%. In 2023 was de groei onder promovendi nog beperkt tot 1%. Voor docent-onderzoekers laat de ontwikkeling een ander beeld zien. In 2024 daalde het aantal fte docent-onderzoekers met 4%, terwijl het aantal personen met 2% toenam. Hieruit blijkt dat docent-onderzoekers in 2024 minder tijd krijgen voor onderzoek in hun aanstelling.

Wat verder nog opvalt, is de stijging van het aantal postdocs. Na beëindiging van de hbo-postdoc-regeling in 2021 nam het aantal fte postdocs in 2023 met 24% af ten opzichte van 2022. In 2024 is opnieuw een toename zichtbaar: het aantal fte post-docs steeg met 20%. Regieorgaan SIA heeft in 2024 een vergelijkbare hbo-postdoc-regeling gestart. Echter zijn er in 2024 nog geen postdocs gefinancierd vanuit deze regeling. In 2023 is een pilot gestart voor de functie van professional doctorate, een doctoraats­traject aan een hogeschool. In 2024 waren er 61 kandidaten werkzaam in de zeven domeinen van de pilot.

Omdat er behoefte is aan hoogopgeleide professionals die complexe beroepsgerichte vraagstukken kunnen behandelen, zijn de hogescholen in 2023 gestart met de pilot voor een eigen doctoraatstraject: de professional doctorate (PD). Het is een vierjarig leertraject, begeleid door tenminste twee lectoren en twee werkveldbegeleiders. De kandidaten doen kennis op waarmee ze interventies kunnen ontwikkelen en valideren voor complexe vraagstukken in de praktijk. De pilot vindt in samenwerking met het ministerie van OCW en Regieorgaan SIA plaats in zeven domeinen. Er wordt door de VH jaarlijks apart gerapporteerd over de ontwikkeling van professional doctorate in De Staat van de PD

Verbinding met het onderwijs

Het onderwijs aan de hogescholen bereidt studenten voor op de beroepspraktijk. Een hoge kwaliteit van het onderwijs en goede aansluiting bij de beroepspraktijk vragen om continue vernieuwing van het curriculum. Als maat voor de verbinding van onderzoek met onderwijs, kijken we naar het aantal studenten per lector. Het aantal studenten per fte lector veranderde van 1388 in 2011 via 986 in 2022 naar 860 in 2023. In 2024 verandert dit verder naar 818 studenten per fte.

Het aantal en de focus van de Centres of Expertise blijft stabiel

Het praktijkgericht onderzoek aan hogescholen werkt toe naar volwaardige integratie in het kennisecosysteem op regionaal, nationaal en internationaal niveau. Dit betekent dat hogescholen door andere kennisinstellingen steeds meer gezien worden als volwaardige kennispartner bij de aanpak van maatschappelijke vraagstukken. We zien dat hogescholen in 2024 vaker betrokken zijn bij een gehonoreerde aanvraag dan in 2023. Ook is er meer nadruk op het verbinden van nationale expertise met relevante Europese ontwikkelingen.

Hogescholen hebben in de afgelopen jaren een eigen profiel ontwikkeld waarbij keuzes zijn gemaakt op het gebied van onderwijsaanbod, onderzoek en zwaarte­puntvorming. Een manier waarop zij specifiek invulling kunnen geven aan deze zwaartepunten is middels de Centres of Expertise. Daarbij werken bedrijven, onderzoekers, docenten, studenten en beroepsprofessionals in publiek-private of publiek-publieke ecosystemen samen aan maatschappelijke uitdagingen en transities. De Centres of Expertise hebben een aanzienlijke omvang en benaderen complexe maatschappelijke uitdagingen vanuit meerdere disciplines. 

In 2024 telden de hogescholen gezamenlijk 46 Centres of Expertise (zie onderstaande figuur). Het aantal Centres of Expertise blijft in de laatste jaren stabiel. Dat is een teken dat de hogescholen vasthouden aan hun gekozen profiel. Ook is het een aanwijzing dat de focus van het praktijkgericht onderzoek is verschoven van het leggen van een basis naar professionalisering en versterking. De Centres of Expertise werden voor het eerst uitgenodigd door de Bestuurscommissie Onderzoek om, in het kader van de kwaliteitsbewaking, een peerreview te organiseren. De helft van de Centres of Expertise heeft dit gerealiseerd. Daarnaast hebben de Centres of Expertise zich verder geprofessionaliseerd. De opschaling van dertien Centres of Expertise via het Nationaal Groeifonds-project High Impact PPS heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld.

  • Bestuursakkoord 2022, Hoger onderwijs en wetenschap.
  • Vereniging van Hogescholen, 2020. Ontwikkeling van het Lectoraat. Den Haag: Vereniging Hogescholen.
  • Vereniging van Hogescholen, 2019. Verkenning toekomst praktijkgericht onderzoek. Den Haag: Vereniging Hogescholen.
  • Vereniging Hogescholen (2023). Verenigingskader Centres of Expertise 2023. Den Haag.

Voor een uitleg van de gebruikte definities en afkortingen verwijzen we graag naar de webpagina Definities en afkortingen.

Downloads