calendar tag arrow download print
Doorgaan naar inhoud

Samenwerking in R&D

factsheet
09 november 2021
R&D bedrijven

Foto: Christian Charisius/dpa Picture-Alliance GmbH/Hollandse Hoogte

Image
Binnen bij een fabriek
Samenwerking in R&D kan voordelen opleveren voor het bedrijfsleven en voor publieke kennisinstellingen, zoals hoger onderwijsinstellingen en onderzoeksinstituten. Het Nederlandse missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid is het versterken van de publiek–private samenwerking bij R&D daarom een centrale beleidsdoelstelling. In deze factsheet brengen we deze publiek-private samenwerking in R&D in beeld door te kijken naar internationale vergelijkingen van het aantal samenwerkingen, de private financiering voor onderzoek aan universiteiten en de gezamenlijke publicaties van universiteiten en bedrijven.

In het kort

  • In Nederland wordt relatief veel onderzoek aan publieke kennisinstellingen gefinancierd door het bedrijfsleven.
  • Op de 'Community Innovation Survey' scoort Nederland wat lager op het gebied van samenwerking dan het Europese gemiddelde, terwijl we in de 'Global Competitiveness Index' wereldwijd slechts vier landen voor laten gaan.
  • Wanneer we kijken naar het aandeel universitair-private co-publicaties, zien we dat de technische universiteiten het meest samenwerken met het bedrijfsleven.

In deze factsheet presenteren we de volgende vier indicatoren die de publiek-private samenwerking in R&D duiden:

  1. Samenwerking van bedrijven met hoger onderwijsinstellingen en onderzoeksinstituten volgens 'Community Innovation Survey' van Eurostat.
  2. Financiering van onderzoek uitgevoerd door hoger onderwijsinstellingen en onderzoeksinstituten vanuit bedrijven.
  3. De indicator 'University-Industry collaboration in R&D' in de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum.
  4. De indicator 'University-Industry collaboration' in de CWTS Leiden Ranking.
     

1. Samenwerking van innovatieve bedrijven met hoger-onderwijsinstellingen en onderzoeksinstituten

In de Community Innovation Survey vraagt Eurostat innovatieve bedrijven naar hun samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs en onderzoeksinstituten bij hun innovatie-activiteiten. Onderstaande figuur laat zien welk deel van deze bedrijven met hoger-onderwijsinstellingen (universiteiten en hogescholen) samenwerkt. De figuur laat zien dat Nederlandse innovatieve bedrijven minder vaak samenwerken met hoger-onderwijsinstellingen dan het gemiddelde voor de EU-27. Opvallend is dat grote bedrijven veel vaker samenwerken dan kleine en middelgrote bedrijven. Maar nog steeds werkt ruim 74% van de grote bedrijven niet samen (CIS 2014-2016).

De volgende grafiek laat per land zien welk deel van de innovatieve bedrijven met onderzoeksinstituten (publiek en privaat) samenwerkt. Hier scoort Nederland lager dan landen waarmee Nederland zich vaak vergelijkt. Bovendien liggen de Nederlandse scores voor samenwerking met onderzoeksinstituten beduidend lager dan die voor samenwerking met hoger onderwijsinstellingen.

2. Financiering van onderzoek uitgevoerd door hoger onderwijsinstellingen en onderzoeksinstituten vanuit bedrijven.

Een tweede manier om R&D samenwerking te duiden is door te kijken naar de financiering van onderzoek vanuit bedrijven, dat wordt uitgevoerd door hoger-onderwijsinstellingen en door onderzoeksinstituten. De volgende twee grafieken laten zien dat:

  • Nederlandse bedrijven in vergelijking met andere landen een relatief groot deel van het onderzoek door hoger onderwijsinstellingen (mede) financieren, en
  • Nederlandse bedrijven ten opzichte van de vergelijkingslanden een relatief groot aandeel hebben in de financiering van onderzoek uitgevoerd door publieke onderzoeksinstituten (zoals het KNMI).

Ten opzichte van 2016 is het aandeel financiering door bedrijven in 2019 zowel bij de hogeronderwijsinstellingen als de onderzoeksinstituten gestegen van 7,8% naar ,8,3%. 

3. University-Industry collaboration in R&D volgens de Global Competitiveness Index

Elk jaar brengt het World Economic Forum de Global Competitiveness Index uit. Deze komt tot stand door te kijken naar de uitkomsten van de ‘Executive Opinion Survey’ (ondervraging van 13.000 managers in 139 landen). Een van de indicatoren in de ‘Global Competitiveness Index’ meet specifiek de R&D-samenwerking tussen universiteiten en het bedrijfsleven (Indicator 12.04c). De volgende grafiek laat zien dat Nederland ten opzichte van de referentielanden in 2019 relatief hoog scoort. Nederland heeft op deze indicator de vijfde positie in de ‘Global Competitiveness Index’. Vergelijking met cijfers voor de periode 2008-2009 laat zien dat de score van Nederland licht is gestegen.

4. University-Industry Research Connections and Cooperation (UIRC) ranking

De CWTS Leiden ranking biedt de mogelijkheid tot vergelijking om de samenwerking in onderzoek tussen industrie en de grootste research universiteiten wereldwijd te vergelijken (tot 2014 was er een separate UIRC Ranking van CWTS). De score is gebaseerd op het aantal gezamenlijke publicaties van een universiteit met bedrijven.

De volgende grafiek laat de ‘UIC-intensiteit’ (university-industry collaboration) zien van dertien Nederlandse universiteiten. Deze indicator wordt gedefinieerd als het aandeel van de universiteit-industrie co-publicaties binnen de totale output van publicaties van de desbetreffende universiteit volgens het Web of Science. Met name de technische universiteiten van Eindhoven en Delft scoren hoog (>10%), gevolgd door Wageningen University & Research (>10%) en de Universiteit van Twente. In de totale internationale rangorde scoort de TU Eindhoven de achtste plaats.

Conclusie

De meeste indicatoren laten zien dat er veel sprake is van samenwerking tussen publieke onderzoeksinstellingen en private partijen. Het aandeel private financiering bij universiteiten ligt hoog en er wordt, met name bij de technische universiteiten, veel gepubliceerd in samenwerking met het bedrijfsleven. Het beeld dat indicatoren geven die samenwerking direct in beeld brengen is gemengd. Op de community innovation survey scoort Nederland wat lager dan het Europese gemiddelde, terwijl we in de global competitiveness index wereldwijd slechts vier landen voor laten gaan.