calendar tag arrow download print
Doorgaan naar inhoud

Academische carrière van wetenschappers

factsheet
28 oktober 2021
carrière Wetenschap

Foto: Marcel van den Bergh / Hollandse Hoogte

Image
In deze factsheet beschrijven we enkele kenmerken van de academische carrière: het functiegebouw, de verdeling van mannen en vrouwen en internationalisering van de wetenschap.

In het kort

  • Nederland telt 3.000 hoogleraren, 2.500 universitair hoofddocenten, 5.800 universitair docenten en 9.400 promovendi.
  • Vrouwen zijn in de minderheid maar het aandeel vrouwen in de wetenschap neemt langzaam toe.
  • Er zijn steeds meer buitenlandse onderzoekers in Nederland.

Het wetenschappelijk personeel in cijfers

De Nederlandse universiteiten verdelen het personeel in twee hoofdgroepen: het wetenschappelijk personeel en het ondersteunend- en beheerspersoneel. We gaan in deze publicatie vooral in op het wetenschappelijk personeel.

Het wetenschappelijke functiegebouw heeft wat weg van een piramide. Aan de basis staan twee grote groepen jonge medewerkers: de promovendi als beginnende positie en de onderzoekers (postdocs) en docenten als doorstroompositie. Daarboven bevinden zich de universitair docenten en de universitair hoofddocenten. Aan de top van het academische carrièrehuis staan de hoogleraren.

Gemiddeld zijn promovendi 29,5 jaar oud als ze hun promotie afronden. Startende universitair docenten zijn gemiddeld 37 jaar, universitair hoofddocenten gemiddeld 42 jaar en hoogleraren gemiddeld 49 jaar. Van promotie tot hoogleraar neemt dus gemiddeld zo'n 19 jaar in beslag (zie ook de factsheet Vrouwen in de wetenschap).

Het wetenschappelijk personeel aan de Nederlandse universiteiten in cijfers in 2020:

  • 9.431 fte promovendi (33% van het totale wetenschappelijk personeel)
  • 5.767 fte universitair docenten (20%)
  • 4.346 fte onderzoekers (OWPOZ; 15%)
  • 3.496 fte docenten (OWPOW; 12%)
  • 3.008 fte hoogleraren (10%)
  • 2.549 fte universitair hoofddocenten (9%)
  • 347 fte overig wetenschappelijk personeel (OVWP; 1%)

De grafiek hieronder toont de groei van het wetenschappelijk personeel per functiecategorie vanaf 2005.
 

Wetenschappelijk personeel stijgt sneller dan ondersteunend- en beheerspersoneel

In de onderstaande grafiek vergelijken we het complete wetenschappelijke personeel met het complete ondersteunend- en beheerspersoneel. Het wetenschappelijk personeel groeide van 19.610 fte in 2005 naar 28.943 fte in 2020. Het ondersteunend- en beheerspersoneel steeg van 16.419 fte naar 20.494 fte. Het ondersteunend- en beheerspersoneel is niet even hard meegegroeid met het wetenschappelijk personeel. In 2005 waren er 84 ondersteuners tegenover elke 100 wetenschappers. In 2020 waren er 71 ondersteuners op 100 wetenschappers.
 

Academische arbeidsmarkt is dynamisch

Uit cijfers van 2011 blijkt dat de arbeidsmarkt van academisch personeel dynamischer is dan vaak wordt gedacht. Medewerkers stromen niet alleen door naar hogere functies, maar ook naar vergelijkbare functies binnen de universiteiten en van en naar arbeidsmarktposities buiten de Nederlandse universiteiten. Bij zowel universitair docenten als bij hoogleraren komt 40% van alle nieuwe medewerkers niet uit een vorige functie bij een Nederlandse universiteit maar van buiten. Bij de hoogleraren komt jaarlijks op bijna 10% van alle leerstoelen een andere hoogleraar, bij de universitair hoofddocenten wisselt 12% en bij universitair docenten is dat 15%. Overigens is de functie van universitair hoofddocent het minst dynamisch: 80% van de nieuwe aanstellingen wordt ingevuld door wetenschappers die opstromen binnen het universitaire functiegebouw.

Die dynamiek geldt ook bij vertrek. Van de vertrekkende hoogleraren gaat een derde met pensioen en twee derde gaat verder in een baan buiten de Nederlandse universiteiten. Bij universitair hoofddocenten zien we dat 43% naar de hogere functie van hoogleraar doorstroomt, 32% vertrekt uit de universiteit en de rest pensioneert. Bij universitair docenten is het aandeel vertrekkers (47%) groter dan het aandeel dat verder gaat als hoofddocent of hoogleraar (37%).

Bij het overig wetenschappelijk personeel (waaronder de postdocs) zien we een nog veel grotere dynamiek. Jaarlijks vertrekt ruim een kwart. Een relatief klein deel (18%) stroomt door naar een hogere functie als universitair docent, universitair hoofdocent of hoogleraar.
 

Vrouwen in de minderheid

Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in wetenschappelijke functies. Er geldt: hoe hoger de functie, hoe kleiner het aandeel vrouwen.

De cijfers voor 2020:

  • 44% vrouwelijke promovendi 
  • 52% vrouwelijke docenten (OWPOW)
  • 38% vrouwelijke onderzoekers (OWPOZ)
  • 41% vrouwelijk overig wetenschappelijk personeel (OVWP)
  • 44% vrouwelijke universitair docenten 
  • 31% vrouwelijke universitair hoofddocenten 
  • 26% vrouwelijke hoogleraren 

In de onderstaande figuur zijn de verschillen tussen de categorieën vanaf 2005 te zien. Het totale aandeel vrouwen is in de afgelopen jaren langzaam toegenomen. De verhouding bij de promovendi en bij docenten, onderzoekers en het overige wetenschappelijk personeel lijkt zich vanaf 2012 te stabiliseren.
 

Steeds internationaler

De Nederlandse wetenschap wordt steeds internationaler. Dat laat ook de figuur hieronder zien. Het aandeel niet-Nederlandse wetenschappers stijgt in alle functies geleidelijk. Inmiddels zijn meer dan 50% van de promovendi en meer dan 40% van de universitair docenten buitenlands.