• U moet ingelogd zijn om onderwerpen te kunnen volgen.

    Log-in als u al een account heeft of maak een gratis account aan.

Vrouwen in de wetenschap

Op 10 februari 2017 is het precies 100 jaar geleden dat de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland haar ambt betrad. Johanna Westerdijk werd benoemd tot hoogleraar in de plantenziektekunde. 

Inmiddels telt Nederland 832 vrouwelijk hoogleraren aan de universiteiten en universitair medische centra (data van 2015). Daarmee kent Nederland minder dan 20% vrouwelijke hoogleraren terwijl er in de collegebanken al sinds het begin van deze eeuw meer vrouwen dan mannen zitten. In de wetenschap zijn vrouwen ondervertegenwoordigd en hoe hoger de functie, hoe schever de verhouding tussen vrouwen en mannen is. Bij ongewijzigd beleid duurt het nog vele decennia voordat dit veranderd is (LNVH, 2016). Het beleid gericht op meer vrouwen in de wetenschap richt zich primair op benoemingen. In dit factsheet onderzoeken we die benoemingen van hoogleraren, universitair hoofddocenten en universitair docenten. De benoemingen worden daartoe gerelateerd aan de beschikbaarheid van kandidaten. Maar wetenschappers zullen de universiteit op enig moment ook weer verlaten. Als daar gender patronen in zitten kan dit bijdragen aan een verklaring van de uiterst langzame groei van het aandeel vrouwen in de wetenschap. De relaties tussen beschikbaarheid, benoemingen en vertrek staan centraal in dit factsheet.

De basis: promoveren aan een universiteit

De promotie is de toegangspoort tot een wetenschappelijke carrière. Er zijn cijfers over het aantal promoties aan Nederlandse universiteiten vanaf 1920. Toen waren er 270 promoties waarvan 25 vrouwen; een kleine 10%. Het heeft tot ver in de jaren 80 geduurd voordat het percentage structureel boven de 10% kwam (periode 1920-1985: 6,6%).  

Daarna is de ontwikkeling als volgt.

Aandeel vrouwen in de wetenschappelijke promoties per jaar, 1985-2015

Gegevens: Download als csv bestand
Bron: CBS


De ontwikkeling is duidelijk: van 8,8% in 1985 naar bijna 50% in 2015. Per wetenschapsgebied zien we grote verschillen. De sterkste stijgingen zien we bij de technische wetenschappen (van 2,5% naar 28%), de natuurwetenschappen (van 6% naar 35%) en de landbouwwetenschappen (van 8% naar 54%). De medische wetenschappen hebben in het aantal promoties in 2006 gelijkwaardigheid bereikt tussen vrouwen en mannen en zitten anno 2015 op 62% vrouwen.

Analyse van nieuwe benoemingen per jaar

Uit onze analyses blijkt dat de gemiddelde leeftijd van degenen die een promotie hebben afgerond op 29,5 jaar ligt, dat de gemiddelde universitair docent bij de start 37 jaar is, de UHD’s bij hun start 42 jaar zijn en de hoogleraren gemiddeld 49 jaar zijn wanneer ze hun ambt betreden (op basis van de WOPI data van de VSNU over de periode 2003-2015. Vergelijkbare data van de umc’s zijn niet beschikbaar).

Beleid is vooral gericht op benoemingen en selectiecommissies. Daarom hebben wij analyses gedaan waarin de man/vrouw verhouding van alle nieuw aangestelde UD’s, UHD’s, en hoogleraren is afgezet tegen de m/v verhoudingen in promoties voor respectievelijk 7, 12 en 19 jaar eerder. Als de carrières gender-neutraal verlopen, zullen de benoemingen van hoogleraren in bijvoorbeeld 2015 overeenkomen met de man/vrouw verhoudingen in de promoties van 19 jaar eerder, 1996. Maar komt dat ook uit?

Jaarlijks worden er aan de universiteiten gemiddeld 276 nieuwe hoogleraren aangesteld. Daarvan zijn 52 vrouwen (19%). Als we de aanstellingen voor de periode 2004-2015 naast de verwachtingen (op basis van promoties 19 jaar eerder) leggen zien we het volgende beeld.

Aandeel vrouwelijk hoogleraarsbenoemingen in relatie tot promoties 19 jaar eerder

Gegevens: Download als csv bestand
Bron: VSNU / WOPI


In deze figuur is te zien dat het percentage vrouwen bij de nieuwe benoemingen stijgt en iets boven de verwachting ligt. Gemiddeld is het saldo 9 vrouwelijke hoogleraarsbenoemingen meer per jaar dan je op basis van de promoties in het verleden zou mogen verwachten. In het laatste jaar (2015) zien we dat 27% van de hoogleraar aanstellingen vrouwen zijn.

Bij de UD’s en UHD’s zien we soortgelijke patronen. Het aantal nieuw benoemde UHD’s is 292 personen per jaar gemiddeld waarvan 87 vrouwen (28%). Er worden per jaar 7 vrouwelijke UHD’s meer benoemd dan de verhoudingen van de promoties 12 jaar eerder.

Bij de UD’s worden gemiddeld 285 vrouwen benoemd op een totaal van 706 benoemingen per jaar (40%). Dat is per jaar 67 vrouwelijke UD’s meer dan de verwachting. De benoemingen van mannelijke en vrouwelijke universitair docenten zijn inmiddels (2015) gelijk in aantal.

Al deze cijfers zijn exclusief de geneeskunde, waar de ontwikkeling van het aantal vrouwelijke promovendi veel sterker is, eerder is begonnen en in 2006 gelijke hoogte bereikte.

Verschillen tussen de wetenschapsgebieden zijn er ook.  Bij de sociale wetenschappen (inclusief rechten en economie) en natuurwetenschappen zien we dat de verwachte en feitelijk geobserveerde aantallen vrijwel gelijk zijn. Bij de taal en cultuur zien we een wat groter positief saldo. Daar ligt de verwachting op basis van de promoties 19 jaar eerder op 24,1% vrouwen, terwijl er bij de nieuwe hoogleraarsbenoemingen 26,7% vrouwen zijn. Het sterkste verschil zien we bij de technische wetenschappen: 6,1% bij de promoties versus 11,5% bij de feitelijke benoemingen van hoogleraren 19 jaar later. Informatie over de ontwikkeling van het aantal vrouwelijke hoogleraren per discipline is opgenomen in een ander factsheet.

Verblijfsduur

Gemiddelde leeftijd waarop mannelijke hoogleraren benoemd worden in de periode 2003-2015 is 49,1 jaar. Gemiddelde leeftijd waarop de mannelijke hoogleraren weer vertrekken is 58 jaar, een gemiddeld verschil dus van 8,9 jaar. Bij de vrouwen liggen beide data lager. Ze komen in de hoogleraarpositie met 47,0 jaar en als ze vertrekken zijn ze gemiddeld 54,1 jaar. Verschil tussen beide is 7,1 jaar, bijna 2 jaar korter dan bij de mannen.

We hebben ook analyses gedaan per wetenschapsgebied.
 


Het verschil bij hoogleraren is in bijna alle wetenschapsgebieden zichtbaar. De cijfers van landbouw zijn gebaseerd op een klein aantal vrouwelijke hoogleraren (minder dan 10 personen), en daarom minder betrouwbaar. Bij sommige wetenschapsgebieden zijn de verschillen groter dan bij andere. De verschillen zijn het grootst bij de technische wetenschappen en de natuurwetenschappen. Daar ligt de leeftijd bij aanstelling en bij vertrek het verst van elkaar.

De verschillen tussen aanstellingsleeftijd en vertrekleeftijd zijn bij de UHD’s en de UD’s groter dan bij de hoogleraren. Voor de UHD’s is het 7,8 jaar voor mannen en 5,1 jaar voor vrouwen. Bij de UD’s gaat het om 8,1 voor mannen en 5,5 jaar voor vrouwen. Dit blijkt op te gaan voor alle wetenschapsgebieden.
 

Over de cijfers

De cijfers over de promoties per jaar komen van het CBS die ze op haar beurt weer verkrijgt van de individuele universiteiten waar de promoties plaats vinden. Ze zijn volledig over alle disciplines.

De cijfers over de aantallen nieuwe aanstellingen vinden hun oorsprong in de microdata van het WOPI (Wetenschappelijk Onderwijs Personeels Informatie) systeem van de universiteiten die door de VSNU aan het Rathenau Instituut beschikbaar zijn gesteld. Deze microdata zijn er vanaf 2003. Voor dit factsheet zijn de cijfers geanalyseerd op individueel niveau (download hier de achterliggende cijfers van de drie figuren over het verschil tussen de leeftijd van aanstelling en de leeftijd van vertrek). Gekeken is naar de benoemingen die hebben plaatsgevonden door de bestandscijfers steeds van twee jaren te vergelijken. Dat kan omdat WOPI unieke persoons ID’s bevat. Dit is echter een ID dat alleen bij de desbetreffende universiteit gebruikt wordt. Als een wetenschapper van de ene naar de andere universiteit gaat wordt die beweging in WOPI net zo geregistreerd als iemand die uit andere segmenten van de arbeidsmarkt in binnen- of buitenland komt; de wetenschapper krijgt dan een nieuw ID.

De cijfers laten geen analyse toe voor de gehele periode voor de postdocs; dit is geen herkenbare personeelscategorie.

Voor de wetenschappers in het wetenschapsgebied gezondheid (UMC's) zijn dergelijke data niet beschikbaar. De weinige cijfers die er beschikbaar zijn over de umc’s zijn de cijfers over de aantallen hoogleraren naar gender en instelling voor de jaren 2009, 2012 en 2015 (bron: Stichting de Beauvoir/LNVH). Stroomcijfers zoals op basis van WOPI konden worden berekend zijn er voor de umc’s nauwelijks. De data van Narcis van DANS zijn geanalyseerd. Daarin zijn de hoogleraren voor geneeskunde ook afzonderlijk in beeld te brengen. Er zijn echter nog maar 4 jaren uit deze bron beschikbaar. Gegeven het feit dat de medische wetenschappen de eersten waren die gelijkwaardigheid bereikten in de aantallen promoties en het feit dat daar ongeveer 1/3 van alle wetenschappers in Nederland zitten, kunnen patronen daar (die we niet kennen) een impact hebben op de totaalcijfers.

Voor de nieuwe benoemingen naar wetenschapsgebieden in relatie tot de promoties 19 jaar eerder kunnen we geen betrouwbare analyse maken voor de geneeskunde omdat de aanstellingsgegevens van hoogleraren ontbreken in de data. Voor landbouw zijn de vergelijkingen ook lastig vanwege diergeneeskunde. Diergeneeskunde wordt bij WOPI tot het wetenschapsgebied gezondheid gerekend, terwij het CBS dit toerekent aan landbouw. Diergeneeskunde heeft dus in de data van WOPI een andere plaats dan in de data van het CBS.