calendar tag arrow download print
factsheet
29 augustus 2018

Praktijkgericht onderzoek hogescholen

Het aantal lectoren voor het praktijkgericht onderzoek stijgt. In 2007 waren er nog geen 300, in 2016 waren er bijna 650. De omvang van de lectoraten neemt ook toe in termen van personeel en geld. Maar om de eerder geformuleerde doelstelling van 1 fulltime lector op 720 studenten te halen, moeten er nog 450 lectoren bij komen.

Praktijkgericht onderzoek is een relatief nieuwe taak voor hogescholen. In 2001 sloten de minister van OCW en de Vereniging Hogescholen (toen HBO-Raad) een convenant af om de kennisfunctie van hogescholen te verstevigen door het benoemen van lectoren en het ontwikkelen van kenniskringen. Het praktijkgericht onderzoek is gericht op het versterken van de beroepspraktijk waar de studenten aan deze hogescholen in terecht komen. De onderzoeksvragen worden dan ook vaak door die praktijk (bedrijven en publieke organisaties) aangedragen. Door hogescholen praktijkgericht onderzoek uit te laten voeren, wordt beoogd de kwaliteit van het onderwijs en de binding van hogescholen met maatschappij en bedrijfsleven te verhogen. Door het onderzoek doen docenten analytische vaardigheden op, die ze over kunnen brengen aan hun studenten – die op hun beurt ook leren door zelf een bijdrage te leveren aan het onderzoek. Tegelijkertijd worden de contacten met bedrijven en non-profitorganisaties versterkt doordat zij hun onderzoeksvragen bij hogescholen neer kunnen leggen.

De eerste lectoren werden in 2001 aangesteld. Zoals bovenstaande figuur laat zien, groeide het aantal lectoren tot en met 2009 snel. Tussen 2007 en 2009 groeide het aantal lectoren van 270 naar 486 personen. Daarna was de groei wat langzamer. Tussen 2010 en 2016 kwamen er 160 lectoren bij. In termen van fte’s groeide het lectorenbestand in deze periode met 5-7% per jaar. De deeltijdfactor bleef min of meer gelijk, rond de 60%.

Omvang lectoraten

Niet alleen het aantal lectoren groeit, ook het overige personeel betrokken bij de lectoraten neemt toe, zoals we kunnen zien in onderstaande figuur.

Als we de groei van het aantal lectoren vergelijken met de groei in het personeel aan lectoraten, zien we dat de gemiddelde omvang van een lectoraat in deze periode licht is gegroeid: van 2,74 fte naar 3,58 fte (van 8 naar 10 medewerkers). Het zijn dus vooral deeltijdaanstellingen.

Financiering praktijkgericht onderzoek

De drie grootste financieringsstromen van lectoraten zijn:

  • 1e geldstroom: hogescholen ontvangen een lumpsum rijksbijdrage vanuit het ministerie van OCW. Een deel hiervan is bestemd voor onderzoek aan de lectoraten.
  • 2e geldstroom: sinds 2005 kunnen lectoren subsidie aanvragen via de RAAK-regeling (Regionale Aandacht en Actie voor Kenniscirculatie). Het regieorgaan heeft recentelijk haar instrumentarium verder uitgebreid. Ook de middelen die verkregen zijn door aanvragen bij NWO en ZonMw vallen onder de 2e geldstroom. Deze middelen worden in competitie verdeeld en zijn bedoeld voor kennisontwikkeling en –uitwisseling in samenwerking met de praktijk.
  • 3e geldstroom: inkomsten uit andere in competitie verkregen bronnen, zoals opdrachtonderzoek voor bedrijven of middelen uit Europese onderzoeksfondsen.

Zoals bovenstaand figuur laat zien, zijn de inkomsten van lectoraten over de periode 2009-2016 meer dan verdubbeld. Ze stegen van € 102 miljoen in 2009 naar € 217 miljoen in 2016. Vergelijken we dit met de groei van het aantal lectoraten, dan zien we dat de gemiddelde inkomsten per lectoraat toenemen. Deze groeien van € 210.000 in 2009 naar € 336.000 in 2016.

Binnen de RAAK-projecten werkten lectoren samen met 1401 MKB bedrijven en 908 publieke kennisinstellingen (periode 2014-2016, Bron; Regieorgaan SIA).

Lectoren en het onderwijs

Reden om lectoren in te stellen, was onder andere de versterking van de verbinding tussen onderzoek en onderwijs; het doorwerken van onderzoekresultaten in het onderwijsprogramma en de professionalisering van de docenten.

Het aantal studenten per lector ontwikkelt zich positief. Waren er in 2011 nog 752 studenten per lector, in 2016 waren dat er 691. Hoewel het geven van onderwijs door de lectoren zelf vaak niet als de belangrijkste taak van het lectoraat wordt gezien, vinden lectoren het (passend bij hun functie) wel belangrijk om een bijdrage te leveren aan het onderwijs op hun vakgebied (Feiten & cijfers praktijkgericht onderzoek bij lectoraten van hogescholen, 2016).

In de volgende figuur is het aantal studenten per lector voor iedere hbo-sector gegeven voor 2016. Er zijn data (en de berekening) voor drie opeenvolgende jaren in de bijlage opgenomen.

Tussen de sectoren verschilt het aantal studenten per lector. De sector economie heeft relatief weinig lectoren. In deze sector zijn er (in 2016) 1.269 studenten per lector. De gezondheidszorg en de landbouw heeft juist relatief veel lectoren: een lector per 379 studenten. De sectoren verschillen ook enorm in het aantal studenten. In absolute zin heeft de sector economie met 124 lectoren, op techniek na, de meeste lectoren. Maar het aantal studenten is met bijna 160.000 op afstand het grootst van alle sectoren. Schaalgrootte van de opleidingen kan een achtergrond zijn voor de verschillen in deze kengetallen.

Het streefgetal dat eerder is genoemd, is om te komen tot een verhouding van 720 studenten voor iedere FTE aan lectoren. Met de huidige gemiddelde omvang van de aanstelling is dat omgerekend 430 studenten per lector. De lectoraten in de gezondheid, de kunst en de landbouwdisciplines halen dat; de anderen niet. Er zouden nog ruim 450 lectoren bij moeten komen om dit streefgetal te bereiken.

Kijken we naar de verhouding lectoren en studenten per hogeschool dan zien we het volgende beeld. De data en de berekening zijn eveneens in de bijlage opgenomen.

Duidelijk is dat de verschillen tussen de instellingen fors zijn. Dat geldt niet alleen voor de indicator zelf maar ook voor de parameters waarop ze gebaseerd zijn. Grote multisectorale instellingen hebben soms tienduizenden studenten met enkele tientallen lectoren. Kleinere monosectorale instellingen hebben in sommige gevallen minder dan 2000 studenten. Die kleine instellingen hebben ieder 1-4 lectoren en kengetallen die dat weerspiegelen. Niet alleen de schaalgrootte van de instelling zelf maar ook de grootte van de opleidingen die zij verzorgen kan meespelen als achtergrond voor het aantal lectoren. Tien hogescholen halen de doelsteling voor de verhouding van 1 lector (met een gemiddelde aanstelling van 60%) op 430 studenten.

Over het aantal studenten dat betrokken is geweest bij onderzoek aan de lectoraten is nog geen betrouwbare tijdreeks beschikbaar.

Bronnen

  • Lectorenenquêtes Regieorgaan SIA en Vereniging Hogescholen, 2014-2016
  • Brancheprotocol Onderzoek (BKO) – Commissie Evaluatie Kwaliteit Onderzoek – peildatum 1 januari 2018.
  • Feiten en Cijfers Praktijkgericht onderzoek bij lectoraten van hogescholen Rathenau Instituut 2016
  • Vereniging Hogescholen HBO in vogelvlucht; HBO Cijfers 2018
  • Vereniging Hogescholen, Regieorgaan SIA, Atlas Onderzoek met impact. Den Haag 2018