• U moet ingelogd zijn om onderwerpen te kunnen volgen.

    Log-in als u al een account heeft of maak een gratis account aan.

Inkomsten en prestaties Nederlandse universiteiten; onderwijs

De inkomsten van de Nederlandse universiteiten zijn de afgelopen 7 jaar gestegen van €5,7 naar € 6,6 miljard. Zie  https://www.rathenau.nl/nl/page/baten-nederlandse-universiteiten-naar-inkomstenbron

Een deel van het geld dat universiteiten ontvangen komt rechtstreeks uit de rijksbegroting in de vorm van de rijksbijdrage. Hier zit een deel in dat bedoeld is voor onderwijs en een deel dat bedoeld is voor onderzoek. Het is een lumpsum, hetgeen betekent dat universiteiten de bestedingen naar eigen inzicht kunnen doen. De verdeling van de rijksbijdrage over de instellingen gebeurt op basis van het bekostigingsmodel hoger onderwijs. Een andere bron voor de inkomsten zijn de collegegelden die universiteiten ontvangen op basis van de aantallen ingeschreven studenten. Tenslotte nog de tweede en derde geldstroom bedragen die vooral uit onderzoekactiviteiten bestaan.

In dit factsheet plaatsen wij de inkomsten uit de eerste geldstroom (rijksbijdrage en de rijksbijdrage inclusief de collegegelden) naast de onderwijs gerelateerde prestaties van de universiteiten; de aantallen behaalde bachelor en master diploma’s. We willen hiermee nagaan of een verhoging van prestaties al dan niet tot een verhoging van de bekostiging leidt. Omdat er bij de technische universiteiten sterk wordt ingestoken op hun achterblijvende bekostiging worden deze  universiteiten ook als aparte groep gepresenteerd in de onderstaande overzichten. In de figuur is de totale rijksbijdrage opgenomen. De cijfers over alleen de rijksbijdrage voor onderwijs, naar begroting en realisatie vindt u hier.

Gegevens: Download als csv bestand

Trends inkomsten en prestaties bij de Nederlandse universiteiten 

De inkomsten uit de eerste geldstroom inclusief collegegelden zijn ten opzichte van 2009 (6 jaar) met 18% gestegen (inflatie in dezelfde periode 10.3%; bron CBS historische inflatiecijfers). Kijken we uitsluitend naar de rijksbijdrage dan zien we een stijging van 13 procent.  Aan de kant van de prestaties zien we ook stijgingen. De aantallen bachelor en masterdiploma’s zijn substantieel sterker gestegen dan de inkomsten. De financiering houdt daarmee geen gelijke tred met de ontwikkelingen van de prestaties; flink meer prestaties voor nauwelijks meer overheidsfinanciering. In de onderstaande figuur worden dezelfde cijfers weergegeven voor een groep van 4 technische universiteiten.

Gegevens: Download als csv bestand

Trends bij de 4 technische universiteiten

Bij de technische universiteiten (Delft, Eindhoven, Twente en Wageningen) zien we ook stijgingen in alle parameters. Maar het verschil tussen de inkomsten en de prestaties is bij de technische universiteiten nog groter. De inkomsten stijgen minder dan bij de universiteiten algemeen (rijksbijdrage + 9%, inclusief collegelden + 15%). Bij de onderwijsprestaties zien we dat de technische universiteiten met het aantal bachelor diploma’s en ook de master diploma's forser stijgen.

Dit leidt tot de conclusie dat de inkomsten uit de rijksbijdrage geen gelijke tred houden met de prestaties van de universiteiten en van de 4 technische universiteiten in het bijzonder. De pijn die door de VSNU en in het bijzonder door de 4TU-federatie wordt gevoeld en gerapporteerd is uit deze parameters goed te begrijpen. Dit heeft de vraag op geroepen of het bekostigingssysteem nog wel goed werkt. Een deel van de inkomsten komt uit de rijksbijdrage en een ander deel komt uit de opdrachten voor derden (2e en 3e geldstroom dus NWO, EU en bedrijven en instellingen). Met name dit opdrachtonderzoek is sterk gestegen. Door de matchingdruk die de 2e en 3e geldstroom met zich meebrengt neemt daardoor de druk op de rijksbijdrage toe.

Verschillen tussen de individuele universiteiten

Er zijn ook verschillen tussen de afzonderlijke universiteiten gevonden. Een relatie tussen bekostiging en onderwijsprestaties zien we ook bij de cijfers van de individuele universiteiten niet echt terug. Uitzonderingen zijn de universiteit van Utrecht en de Radboud Universiteit die een beperkte ontwikkeling kennen in alle parameters; een beperkte groei in aantallen diploma's maar ook beperkte groei van de rijksbijdrage.  Bij de overige instellingen zien we dat de aantallen diploma's en de financiering uit elkaar lopen. Bij de universiteiten van Maastricht, Tilburg en de Universiteit van Amsterdam zien we de ontwikkeling sterker bij de masters. Bij andere instellingen zien we dat de groei in het aantal bachelor diploma's prominenter is. De sterkste stijgingen zien we bij de eerder genoemde technische universiteiten.

Achtergronden van de stijgingen

Aan de sterk gestegen aantal graden en diploma’s liggen twee ontwikkelingen ten grondslag; de internationalisering van de universiteiten en de groeiende belangstelling voor het universitair onderwijs onder jongeren. De internationalisering van de universiteiten komt tot uitdrukking in de steeds groeiende aantrekkingskracht voor buitenlandse studenten. In de genoemde periode is het aantal buitenlandse studenten verdubbeld tot ruim 40.000 in 2016 (3/4 van hen komt uit de EER en komt dus ook voor bekostiging in aanmerking). Deze internationalisering zien we in alle landen om ons heen. Nederland neemt wat betreft het percentage buitenlanders in het hoger onderwijs (8,3% bij de bachelor opleidingen en 17% bij de masters) een middenpositie in; wat hoger dan Duitsland, iets lager dan België en fors lager dan het Verenigd Koninkrijk.

Er is sinds de jaren 60 een trend dat onderwijsloopbanen steeds langer worden en steeds hoger eindigen. Het aantal vwo-gediplomeerden dat naar het wo gaat blijft nog licht stijgen tot midden jaren 2020. Het effect van deze trend is aanwezig maar is betrekkelijk gering.

Over de data

De data van de inkomsten van de universiteiten zijn gebaseerd op de jaarrekeningen van de universiteiten en de jaarlijkse bewerking daarvan in de gegevensboeken van DUO die jaarlijks in september van het daaropvolgende jaar worden gepubliceerd. In de DUO gegevensbestanden wordt per universiteit een onderscheid gemaakt in 4 inkomstenbronnen; de rijksbijdrage, de collegegelden, werk voor derden en de post overig. Werk voor derden bevat zowel de tweede geldstroom (NWO) als ook de derde geldstroom (EU subsidies, opdrachten bedrijven en non-profit).

De gegevens over de aantallen bachelor en master diploma’s zijn gebaseerd op het 1-cijfer HO bestand (DUO/VSNU/CBS).

De data van de buitenlandse studenten per land komen van de OECD (indicator C4.1 uit Education at a Glance) en de cijfers over de ontwikkeling van het aantal buitenlandse studenten aan de Nederlandse universiteiten komen van de VSNU die dat op hun beurt weer baseert op het 1-cijfer HO bestand.