calendar tag arrow download print
Doorgaan naar inhoud

Wie sturen de wetenschap in Nederland aan?

factsheet
05 maart 2021
Wetenschap overheid rijksoverheid Wetenschapsbeleid Innovatie onderzoek
Wat is de rol van de Rijksoverheid, de adviesorganen, de regionale overheid en Europa? Er staan meerdere partijen een het roer van de Nederlandse wetenschap. Naast de nationale en de regionale overheid heeft ook Europa invloed op het formuleren, bepalen en uitvoeren van de hoofdlijnen van het Nederlandse wetenschapsbeleid. Financiering, wetgeving en regulering zijn de belangrijkste instrumenten om de wetenschap en wetenschappelijke organisaties aan te sturen. Daarbij is de leidraad het wetenschappelijk, maatschappelijk en economisch belang van de wetenschap. In deze factsheet komt aan bod hoe de Rijksoverheid, de regio en Europa hieraan invulling geven.

In het kort

  • De ministeries van OCW en EZK zijn binnen de Rijksoverheid hoofdzakelijk betrokken bij het landelijke wetenschapsbeleid in Nederland.
  • Binnen provincies en grote gemeenten wordt wetenschapsbeleid ontwikkelt op het gebied van kennis en innovatie, meestal onderdeel van het regionaal economisch beleid en vooral gericht op innovatie.
  • Vanuit de Europese Unie wordt gestreefd naar een dynamische en concurrerende kenniseconomie om zo het Europese concurrentievermogen te vergroten.

De Rijksoverheid en de wetenschap

Het parlement (zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer), de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) en de bijbehorende departementen zijn op nationaal niveau de belangrijkste partijen die betrokken zijn bij het formuleren van het wetenschapsbeleid. Daarbij streeft het kabinet naar het behoud van de toppositie van de Nederlandse wetenschap, naar een maximale impact van de wetenschap op de maatschappij en het bedrijfsleven, en naar het creëren van ruimte voor talent in de wetenschap.

Op kabinetsniveau worden onderwerpen voorbereid en behandeld in onderraden. De ministeries van OCW en EZK zijn betrokken bij de RWIZO en RFEZIL:

  • RWIZO: de Raad Werk, Inkomen, Zorg en Onderwijs
  • RFEZIL: de Raad Financiële en Economische Zaken, Infrastructuur en Landbouw

De voorbereiding van de besluitvorming in de onderraden vindt plaats op departementaal niveau in zogenaamde ambtelijke voorportalen, overleggen waarbij (hoge) ambtenaren betrokken zijn.
 

De rol en verantwoordelijkheid van de minister van OCW

(In belangrijke mate gebaseerd op de tekst van de OCW-begroting 2021, artikel 16)

Op nationaal niveau heeft de minister van OCW een coördinerende rol als minister voor het wetenschapsbeleid. Op internationaal niveau zoals bij de ontwikkeling van het beleid van de Europese Unie, deelt de minister van OCW deze verantwoordelijkheid met de minister van EZK. De coördinatietaak van de minister van OCW komt tot uiting in het uitbrengen van beleidsdocumenten met voornemens of reacties op adviezen op het terrein van het wetenschapsbeleid.

De laatste beleidsnota's over het wetenschapsbeleid zijn de Wetenschapsvisie 2025 (uit 2014); De waarde(n) van weten: Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025 (uit 2015); de Wetenschapsbrief Nieuwsgierig en betrokken (uit 2019) en de Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek Houdbaar voor de toekomst (uit 2019). 

De minister van OCW is verantwoordelijk voor het functioneren van het wetenschapsstelsel als geheel, met betrokkenheid van de minister van EZK. Ook is de minister van OCW verantwoordelijk voor het toezicht op een efficiënte besteding van publieke middelen en op voldoende verspreiding van kennis naar de maatschappij.

Naast de bekostiging van het onderzoeks- en wetenschapsbestel stimuleert de minister: 

  • kwaliteit en excellentie;
  • zwaartepuntvorming en profilering. De afspraken die hierover gemaakt zijn met de universiteiten staan vermeld in het hoofdlijnenakkoord. Zwaartepuntvorming betekent dat onderwijsinstellingen zich specialiseren in opleidingen en onderzoek waarin ze sterk zijn. Bij profilering gaat het om wat de onderwijsinstelling onderscheidt van andere onderwijsinstellingen;
  • samenwerking in de gouden driehoek van bedrijven, kennisinstellingen en overheid. In het topsectorenbeleid zijn hiervoor innovatiecontracten ontwikkeld;
  • aansluiting op het maatschappelijk belang.

Daarnaast schept de minister voorwaarden voor:

  • een klimaat binnen universiteiten en kennisinstellingen voor het doen van excellent onderzoek;
  • de borging van het vernieuwend vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek;
  • het doelmatig functioneren van wetenschappelijke instellingen die, zowel zelfstandig als in relatie tot universiteiten en bedrijven, een belangrijke plaats innemen;
  • de Nederlandse onderzoeksfaciliteiten;
  • de coördinatie en positionering van het wetenschapsbeleid op nationaal en internationaal niveau.
     

De rol en verantwoordelijkheid van de minister van EZK

(in belangrijke mate gebaseerd op de tekst van de EZK-begroting 2021, artikel 2)

De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is Rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven en daarnaast voor het scheppen van de randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat. Samen met de bewindspersonen van OCW draagt de minister van EZK de verantwoordelijkheid voor het coördineren en borgen van de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de minister een stimulerende en een financierende/regisserende rol. De minister stimuleert innovaties die bijdragen aan maatschappelijke vooruitgang, onder meer met het missiegedreven innovatiebeleid, de topsectorenaanpak en publiek-private onderzoekssamenwerking. Daarnaast financiert en regisseert de minister de ontwikkeling en benutting van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie.


De rol en verantwoordelijkheden van de overige ministers

Andere ministers zijn verantwoordelijk voor het onderzoek dat de ministeries op het eigen beleidsterrein laten uitvoeren. Het onderzoek staat dan ten dienste van het eigen beleid. Sommige ministeries zijn daarnaast verantwoordelijk voor instituten op het eigen beleidsterrein, die tevens een onderzoekstaak hebben. Voorbeelden van deze instituten zijn het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op het gebied van volksgezondheid (het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)), het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) op het gebied van weer en klimaat (het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W)) en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) op het gebied van veiligheid en justitie (ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V)).
 

Adviesorganen van de rijksoverheid

De Rijksoverheid kent verschillende adviesorganen op het gebied van wetenschapsbeleid. De belangrijkste zijn:

  • De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI). De AWTI is een bij Wet ingesteld, onafhankelijk adviesorgaan en bestaat uit leden uit verschillende geledingen van de maatschappij, zoals onderzoekinstellingen en het bedrijfsleven. De officiële taak van de raad is als volgt geformuleerd: "De raad heeft tot taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over het te voeren beleid in nationaal en internationaal verband ten aanzien van wetenschap, technologie en innovatie, met bijzondere aandacht voor de verbinding tussen wetenschap, technologie en innovatie en de inzet daarvan voor economische en maatschappelijke doelen." De AWTI maakt voor zijn adviezen gebruik van de inbreng van partijen uit het veld van wetenschap en innovatie. Naast adviezen en briefadviezen brengt de AWTI ook achtergrondstudies uit. De AWTI-website geeft ook informatie over adviezen, werkwijze en organisatie. Deze website bevat ook informatie over de stand van zaken van uitgebrachte adviezen en lopende adviestrajecten.
  • De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Onderdeel van de taken van de KNAW is het desgevraagd of uit eigen beweging adviseren van de regering over aangelegenheden op het gebied van de wetenschapsbeoefening. De adviestaak van de KNAW is in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) vastgelegd. De KNAW heeft hiervoor op verschillende disciplinaire gebieden adviesraden. Deze adviesraden bestaan uit wetenschappers van universiteiten, onderzoeksinstituten, maatschappelijke organisaties en uit het bedrijfsleven. De adviesraden worden (inhoudelijk) ondersteund vanuit het Bureau van de KNAW. De KNAW is verantwoordelijk voor tien nationale onderzoeksinstituten. Daarnaast zijn wij, het Rathenau Instituut, gelieerd aan de KNAW. Binnen het Rathenau Instituut doen wij onderzoek naar de impact van wetenschap, innovatie en technologie op de samenleving.  

Andere instellingen kunnen, als uitvloeisel van hun taak, adviezen uitbrengen over onderwerpen die betrekking hebben op de kenniseconomie:

  • Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – WRR
  • Sociaal Economische Raad – SER
  • Sociaal en Cultureel Planbureau – SCP
  • Centraal Planbureau – CPB
  • Planbureau voor de Leefomgeving – PBL
  • Onderwijsraad
     

De regio

Ook provincies en grote gemeenten ontwikkelen beleid op het terrein van kennis en innovatie. Meestal is dat onderdeel van het regionaal economisch beleid en vooral gericht op innovatie, waarbij kennis dient als ondersteuning van innovatieprocessen. Sommige provincies voeren dat beleid zelf uit, andere besteden de uitvoering uit bij organisaties, zoals een Regionale Ontwikkelingsmaatschappij (ROM) of een samenwerkingsverband. De provincies en ROM’s zijn ook betrokken bij het Kennis- en Innovatieconvenant voor 2020-2023 waarin betrokken bedrijven, kennispartijen en overheden samenwerken en inzetten op een missiegedreven kennis- en innovatiebeleid.

Naast eigen middelen, al dan niet verkregen uit de verkoop van aandelen in energiemaatschappijen, ontvangen provincies middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).
 

Europa

Het wetenschapsbeleid van de Europese Unie (EU) heeft als doel om van Europa een dynamische en concurrerende kenniseconomie te maken, en daarmee het Europese concurrentievermogen te vergroten. Verder moet het beleid bijdragen aan het oplossen van urgente maatschappelijke problemen.

Sinds 1984 kent de EU kaderprogramma’s. Dat zijn meerjarige onderzoeksprogramma’s waarvoor financiële middelen ter beschikking worden gesteld. De lidstaten van de EU bepalen de thema’s voor deze programma’s. Vervolgens kunnen onderzoekers, onderzoeksorganisaties en bedrijven op basis van “calls” voorstellen doen aan de Europese Commissie. Voor de inhoudelijke beoordeling maakt de Commissie gebruik van externe experts, waarna de Commissie verantwoordelijk is voor de besluitvorming. De programma’s hebben ook als doel de samenwerking te stimuleren tussen verschillende Europese onderzoeksgroepen.

Inmiddels is het negende kaderprogramma van start gegaan onder de naam Horizon Europe, dat een looptijd heeft van 2021-2027. Dit kaderprogramma richt zich op een drietal doelen: de versterking van de wetenschappelijke excellentie, de aanpak van grote maatschappelijke uitdagingen en de versterking van het concurrentievermogen van de EU. De omvang van de Europese kaderprogramma’s is door de jaren gegroeid tot de 95,5 miljard euro dat begroot is voor Horizon Europe.

Europa streeft naar een Europese onderzoeksruimte (ERA), waarin onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologieën vrij kunnen bewegen. Het doel van ERA is om tot een verbetering van de Europese onderzoekprestaties te komen, wat vervolgens moet leiden tot economische groei en het creëren van banen. Binnen de ERA zijn zes prioriteiten benoemd waaraan moet worden gewerkt:

  • meer effectieve nationale onderzoekssystemen;
  • optimale transnationale samenwerking en competitie;
  • een open arbeidsmarkt voor onderzoekers;
  • gendergelijkheid en in onderzoek;
  • optimale circulatie en overdracht van wetenschappelijke kennis;
  • internationale samenwerking.

Naast Europees beleid gericht op het nationale niveau is er ook beleid gericht op het regionale niveau van landen. Als onderdeel van dit beleid heeft de EU structuurfondsen opgezet om de samenhang tussen Europese regio’s te versterken. Onder dit regionaal beleid valt onder meer het beleidsthema onderzoek en innovatie.
 

Tot slot

Kortom, aan het roer van de Nederlandse wetenschap staan de Rijksoverheid, Nederlandse provincies en grote gemeenten, en de Europese Unie. De ministeries van OCW en EZK zijn binnen de Rijksoverheid hoofdzakelijk betrokken bij het landelijke wetenschapsbeleid in Nederland. Zij laten zich voornamelijk adviseren door de AWTI en de KNAW, evenals door de WRR, SER, SCP, CPB, PBL en de Onderwijsraad.

Binnen provincies en grote gemeenten wordt wetenschapsbeleid ontwikkeld op het gebied van kennis en innovatie, meestal onderdeel van het regionaal economisch beleid en vooral gericht op innovatie. Vanuit de Europese Unie wordt gestreefd naar een dynamische en concurrerende kenniseconomie om zo het Europese concurrentievermogen te vergroten. Daarnaast moet het beleid bijdragen aan het oplossen van urgente maatschappelijke problemen. Om dit mogelijk te maken heeft de EU sinds 1984 kaderprogramma’s (meerjarige onderzoeksprogramma’s) geïntroduceerd en wordt er gestreefd naar een Europese onderzoeksruimte.