calendar tag arrow download print
Image
expertises en transities - zonnepanelen
bericht aan het parlement
05 februari 2020

Missiegedreven innovatiebeleid vraagt samenwerking tussen lokaal en nationaal niveau

Het nieuwe missiegedreven innovatiebeleid van het Kabinet biedt een uitgelezen kans om op vernieuwende wijze kennisinstellingen en bedrijven te mobiliseren voor complexe maatschappelijk vraagstukken, zoals uitdagingen op het gebied van klimaatadaptatie, energietransitie, duurzame voedselproductie, zorgkosten en problematiek van achterstandswijken. In dit Bericht aan het Parlement laten we zien wat nodig is voor een nieuwe generatie innovatiebeleid, waarbij we vooral het belang uitlichten van aansluiting tussen lokaal en nationaal niveau.

In het kort:

  • Nieuwe generatie innovatiebeleid vraagt om nieuwe sturingsfilosofie.
  • Van technologie- en industriegedreven naar maatschappijgedreven.
  • Maak lokale initiatieven onderdeel van de nationale innovatiestrategie.

Het innovatiebeleid had tot nu toe vooral een technologie- en industriegedreven karakter. Grote maatschappelijke uitdagingen’ of ‘duurzame ontwikkelingsdoelen’ werden vooral opgepakt en uitgewerkt als economische kansen voor bedrijven. Die sturingsfilosofie is te beperkt voor een maatschappijgedreven innovatiebeleid. Een nieuwe generatie beleid vraagt om een nieuwe sturingsfilosofie met bijpassende nieuwe instrumenten.

Lees het volledige Bericht aan het parlement

Nieuwe generatie innovatiebeleid vraagt om nieuwe sturingsfilosofie

Tot nu toe werd het innovatiebeleid in Nederland vooral gevoerd als technologie- en industriegedreven innovatiebeleid. De doelen werden gesteld in termen van meer investeringen in Research & Development, meer innovatieve bedrijven, of een hoge ranking in een innovatie-index. De inhoudelijke agenda werd vooral bepaald door innovatiestrategieën van (grote) bedrijven en de onderzoekinteresses van wetenschappers. Met als gevolg dat grote maatschappelijke uitdagingen of ‘duurzame ontwikkelingsdoelen’ vooral werden opgepakt en uitgewerkt als economische kansen voor bedrijven. Die vorm van sturing is te beperkt voor een ‘maatschappijgedreven’ innovatiebeleid.  
 
De nieuwe generatie maatschappijgedreven innovatiebeleid komt niet in plaats van het technologie- en industriegedreven innovatiebeleid. Het is een extra laag in het beleid, waarmee de overheid actief probeert onderzoek en innovatie in te zetten voor maatschappelijke vraagstukken. De complexe maatschappelijke vraagstukken worden vertaald in concrete missies. Op dit moment is de uitwerking van het missiegedreven innovatiebeleid nog in volle gang. Het is een gemiste kans als de goede voornemens en intenties van dat nieuwe innovatiebeleid verwateren doordat in de uitwerking en uitvoering de nadruk komt te liggen op de routines en logica van het vertrouwde technologie- en industriegedreven innovatiebeleid. Een nieuwe generatie beleid vraagt om een nieuwe sturingsfilosofie met bijpassende nieuwe instrumenten.  
 
Met dit Bericht aan het Parlement willen we laten zien wat nodig is voor een succesvol nieuw missiegedreven innovatiebeleid. We lichten er één cruciaal aspect uit: het belang van een goede aansluiting en wisselwerking tussen het nationale innovatiebeleid en de innovatiedynamiek op lokaal en regionaal niveau. Juist in steden en in regionale kennisecosystemen ontstaan vernieuwende experimentele aanpakken die nodig zijn voor maatschappijgedreven innovatie.

Van technologie- en industriegedreven naar maatschappijgedreven

De kern van het nieuwe missiegedreven innovatiebeleid is dat het beleid niet langer eenzijdig en ongericht (alle) technologieontwikkeling en het innovatievermogen van (alle) bedrijven wil stimuleren. Het kabinet wil met missies proberen om onderzoek en innovatie van kennisinstellingen en bedrijven doelgericht te mobiliseren voor grote maatschappelijke vraagstukken. Je zou kunnen spreken van een normatieve wending binnen het innovatiebeleid. Het doel is om een klimaatbestendig, waterrobuust, duurzaam, gezond en veilig Nederland te realiseren. Inmiddels hebben ministeries, bedrijven en kennisinstellingen 25 concrete missies geformuleerd. Deze missies zijn door de topsectoren als basis gebruikt om Kennis- en Innovatieagenda’s op te stellen. Die agenda’s moeten zorgen voor een gedeeld investerings- en handelingsperspectief.  

Op dit moment proberen de overheid en de topsectoren de juiste mechanismes te vinden om rondom de Kennis- en Innovatieagenda’s alle relevante partijen te mobiliseren die nodig zijn voor het ontwikkelen van duurzame oplossingen.  Het Rathenau Instituut wil met dit Bericht aan het Parlement benadrukken dat er ten opzichte van het eerdere technologie- en industriegedreven innovatiebeleid een meer diverse set van partijen nodig is. Naast kennisinstellingen en bedrijven met kennis over geavanceerde technologie, is er ook kennis nodig van partijen over maatschappelijke contexten waarin innovaties moeten functioneren. Afhankelijk van het vraagstuk gaat het dan bijvoorbeeld om kennis van professionals en patiënten in de zorg, gemeenteambtenaren, bewoners in achterstandswijken, boeren of politiemensen.  
 
De huidige maatschappelijke vraagstukken zijn te complex om met technologie- en industriegedreven publiek-private samenwerkingsprojecten te worden aangepakt. Daarom zijn nieuwe manieren van experimenteren en innoveren nodig. Het Rathenau Instituut bestudeerde de laatste jaren de opkomst van ‘living labs’ als concreet voorbeeld van het soort initiatieven dat nodig is (Maas et al., 2017; Van den Broek et al., 2020, in voorbereiding). Living labs zijn zowel een aanpak als een plek waarin een brede mix van partijen gezamenlijk experimenteert met duurzame oplossingen. Dit gebeurt in een levensechte experimenteeromgeving, zoals een stadswijk of een boerenbedrijf. Daardoor kan recht worden gedaan aan de complexiteit van de maatschappelijke problematiek. Ervaringen uit de praktijk, van onder meer gebruikers en burgers, worden zo direct meegenomen in de productie van kennis en innovatie.  

Lokale initiatieven onderdeel maken van nationale innovatiestrategie

Opvallend aan dit soort nieuwe manieren van gezamenlijk en maatschappijgedreven innoveren is dat ze vooral vorm krijgen in experimenten en innovatieprojecten op lokaal en regionaal niveau. Dit is onderdeel van een bredere trend waarin steden en regio’s steeds belangrijker worden als aanjager van innovatie voor grote maatschappelijke vraagstukken. Die ontwikkeling is begrijpelijk, aangezien maatschappelijke problemen en consequenties van gekozen oplossingen op nationaal niveau, juist concreet voelbaar, zichtbaar en urgent worden op lokaal niveau. Want daar wonen de burgers die hun huis van het gas moeten halen. En de boeren die de stikstofuitstoot moeten reduceren. Daar zijn wethouders die ingewikkelde politieke afwegingen moeten maken. Op lokaal niveau zit maatschappelijk innovatievermogen en de energie om gezamenlijk te experimenteren met praktische oplossingen voor problemen in de directe omgeving. Nabijheid is een voorwaarde voor nauwe samenwerking – om praktische en logistieke redenen, en vanwege het onderlinge vertrouwen dat moet groeien.  
 
In dit Bericht aan het Parlement benadrukken we daarom het belang van een goede aansluiting en wisselwerking tussen het nationale missiegedreven innovatiebeleid en de lokale en regionale innovatiedynamiek. Vitale lokale en regionale kennisecosystemen spelen een onmisbare rol in de aanpak van maatschappelijke uitdagingen. De vraag is: hoe kan een nationale beleidsaanpak ervoor zorgen dat lokale initiatieven onderdeel zijn van een nationale (en waar zinvol Europese) beweging om transities richting duurzaamheid te versnellen?  
 
Want hoe belangrijk lokale experimenten en innovatieprojecten ook zijn, ze hebben onvoldoende massa en doorzettingskracht om gewenste transities tijdig te realiseren.  
 
Vernieuwende manieren van experimenteren en innoveren op lokaal niveau zijn nodig in de uitvoering van het missiegedreven innovatiebeleid. In onderzoek dat het Rathenau Instituut begin februari 2020 publiceert (‘Voorbij lokaal enthousiasme: lessen voor de opschaling van living labs’) laten we zien dat living labs een mooi voorbeeld kunnen zijn. Tegelijkertijd staan dit soort initiatieven nog in de kinderschoenen. Een erkende zwakte is de complexiteit van het opschalen van zulke kleinschalige experimenten. Daarom destilleren we in ons rapport vier lessen voor de opschaling van living labs. Die lessen helpen niet alleen als opstap naar een opschalingsstrategie voor living labs, maar bieden ook concrete aanknopingspunten om lokale innovatiedynamiek te benutten voor maatschappelijke impact op grotere schaal.

Lessen voor het nationale missiegedreven innovatiebeleid

In dit Bericht aan het Parlement vertalen we de lessen voor opschaling van living labs naar meer algemene lessen voor het nationale missiegedreven innovatiebeleid. Deze lessen kunnen helpen om bij te dragen aan grotere maatschappelijke impact van innovatie op lokale en regionale schaal.  

Les 1: Benut lokale innovatiedynamiek om te leren over maatschappelijke haalbaarheid en wenselijkheid van innovatie
Les 2: Zorg dat lokale experimenten maatschappelijke impact krijgen
Les 3. Verweef lokale innovatie met nationale (of Europese) onderzoeks- en innovatietrajecten
Les 4: Intermediaire organisaties onmisbaar voor maatschappijgedreven innovatiebeleid