calendar tag arrow download print
Image
Introductie door Jos de Jonge
artikel
20 november 2019

Debat: synergie tussen onderwijs en onderzoek - Inleiding Jos de Jonge

Jos de Jonge opende op maandag 28 oktober het debat 'Hinken op twee gedachten' met een inleiding over de synergie tussen onderwijs en onderzoek in HBO en WO.
Op 28 oktober vond in de aula van de Universiteit Utrecht het debat ‘Hinken op twee gedachten’ plaats, georganiseerd door het Rathenau Instituut in samenwerking met de Onderwijsraad en de AWTI. Tijdens die avond stond de verwevenheid van onderwijs en onderzoek aan hogescholen en universiteiten centraal. Jos de Jonge, voormalig Hoofd Onderzoek en coördinator Informatiefunctie bij het Rathenau Instituut, leidde het debat in. Dit artikel is een bewerking van zijn introductie.

In het kort

  • Hogescholen en universiteiten werken - vanuit hun maatschappelijke functie - beide aan de relatie tussen onderwijs en onderzoek
  • Een integrale visie is nodig om te zorgen dat de taken elkaar kunnen versterken
  • Die visie moet niet alleen vanuit de politiek, maar juist ook uit de sector zelf komen.

'Nederlands onderzoek van wereldformaat: die ambitie had het kabinet in 2014. Onderzoek van het Rathenau Instituut, gebundeld in de Balans van de Wetenschap 2018, laat zien dat dit doel bereikt is. Naast het doen van toponderzoek zijn we in onze netwerken goed aangesloten op de internationale wetenschappelijke gemeenschap. Ook het hoger onderwijs staat goed aangeschreven, zo blijkt uit rapporten van de OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development) over ons onderwijssysteem (OECD, 2016 & 2019). En nog een stap verder: ons concurrentievermogen heeft een toppositie in Europa en neemt mondiaal een vierde plek in, zoals we enkele weken geleden nog vernamen van het World Economic Forum (Schwab, 2019).

Tot enkele jaren geleden hoorden we vaak nog klachten over de Nederlandse ‘innovatie-paradox’: we hebben heel goed onderzoek, maar weinig impact op ondernemerschap en nieuwe producten en diensten. Dat laten we inmiddels ver achter ons.

Een brede visie op het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek is noodzakelijk
Jos de Jonge, Rathenau Instituut

Ervaren spanning tussen onderwijs en onderzoek

Toch zien we in diezelfde Balans van de Wetenschap dat er ook geld nodig is voor ‘matching’, een verplichte eigen bijdrage van universiteiten aan de financiering van onderzoeksopdrachten door externe partijen. Hierdoor wordt geld uit de eerste geldstroom (inkomsten vanuit de overheid) ingezet voor onderzoek waar derden op sturen. Het onderwijs dat uit diezelfde eerste geldstroom wordt bekostigd, kan daardoor onder druk komen te staan (Zie ook: de factsheet over het onderzoek aan universiteiten en umc’s). Universiteiten benoemen dat probleem soms andersom, zeker op plekken waar er sprake is van een stijging van de studentenaantallen, zoals in vakgebieden als bèta/techniek en landbouw, waar de studentenaantallen met respectievelijk 64, 46 en 83 procent zijn gestegen tussen 2010 en 2018 (DUO). Daar voelt het vaak alsof het onderzoek onder druk staat door de groeiende aantallen studenten. 

Niemand aan de universiteiten miskent daarmee het belang van onderwijs; maar zoals ook blijkt uit onderzoek van het Rathenau Instituut, identificeren medewerkers van HO-instellingen zich wel primair met de onderzoekstaak (Koens, Hofman en De Jonge, 2018). Dat is immers ook waar wetenschappelijke carrières grotendeels op worden gebouwd (Zie onze factsheet academische carrières).

Bij de hogescholen ligt de situatie wat anders. Daar vormt onderwijs de hoofdzaak en dit is dan ook waar het grootste deel van de aandacht heen gaat. Sinds 15 jaar zijn daar de lectoren aangesteld (Zie onze factsheet praktijkgericht onderzoek). Die hebben op dit moment nog niet de voorziene aantallen bereikt en hebben een andere status dan de leerstoelhouders aan universiteiten, zo laat ons onderzoek zien. Het vormgeven van praktijkgericht onderzoek is er op dit moment in volle gang. Daarbij wordt nog gezocht naar welke kennis dat onderzoek precies oplevert en voor wie. De hogescholen streven naar het verhogen van de impact van het praktijkgerichte onderzoek op het onderwijs (VH, 2019). De communis opinio lijkt dat het nog wel wat meer en nog sterker mag. Hier wordt hard aan gewerkt.

Problematisch is dat wetenschappelijke carrières nog grotendeels gebouwd worden op onderzoek

Beide typen instellingen werken dus aan de relatie tussen onderwijs en onderzoek. Het Nederlandse ideaal is dat deze taken elkaar wederzijds ondersteunen en versterken. Toch worden ze in de praktijk niet altijd zo gezien. Lesgeven wordt vaak ervaren als verplichting, die de aandacht afhoudt van onderzoek en daarmee carrièreperspectieven vertroebelt. Ook voor degenen die met veel plezier doceren voelt het vaak alsof onderwijs niet voldoende loont. Dit hangt samen met het feit dat financiers als NWO, de EU en gezondheidsfondsen de universiteiten primair aanspreken op onderzoek.

Druk door groei

Ondertussen groeit het aantal studenten, met name op universiteiten. Ook op hogescholen nemen de studentenaantallen nog steeds toe, al is de groei daar minder sterk. Het eerste geldstroombudget van de minister voor onderwijs bij universiteiten en umc’s stijgt nog harder dan de bekostigde studentenaantallen. Het is echter moeilijk om te zeggen of dat voldoende is. Groeien zelf kost immers aandacht, geld en inzet. Iedereen die de collegezalen voller ziet worden, weet dat groei in veel gevallen ook frictie kan veroorzaken. Het zet druk op het systeem en de mensen die daarin werken. Daarbij kunnen ook geldontwaarding en mogelijk verhoogde kosten van het onderwijs een rol spelen.

Bij onderzoek in opdracht, binnen de derde geldstroom, sturen financiers veelal op thema’s en specifieke maatschappelijke problemen; een actuele term daarvoor is maatschappelijke missies (waar het eerste debat in deze reeks over ging). Die sturing zorgt ervoor dat we vanuit de wetenschap verder kunnen met belangrijke doelen zoals de energietransitie en klimaatadaptatie, inclusie van bevolkingsgroepen, beter begrip en behandeling van ernstige aandoeningen, de strijd tegen het water, enzovoorts. Toch lijkt binnen de universiteiten vooral de studiekeuze van middelbare scholieren nog de richting te bepalen. Ook wat het bepalen van de richting betreft lijkt er dus spanning te bestaan tussen onderwijs- en onderzoeksbelangen.  

Brede visie op het stelsel van hoger onderwijs én onderzoek is noodzakelijk

De eerste universiteiten op deze planeet zijn nu bijna 1000 jaar oud en werden opgericht met onderwijs als taak (Wissema, 2009). Uit die tijd stamt het besef dat universiteiten tot doel hebben om mensen op te leiden voor vooraanstaande functies in de samenleving. Bij de generatie daarna - ook wel bekend als Humboldt universiteiten (al weer zo’n 200 jaar geleden) - kwam onderzoek er als tweede taak bij. Universele waarheidsvinding was daarbij het parool. In het model van die tweede generatie universiteiten ondersteunde het onderzoek het onderwijs en vice versa. Uit diezelfde tijd stamt het besef dat universiteiten nieuwe, fundamentele kennis kunnen ontwikkelen en dat kennis in zichzelf waarde heeft.

De derde generatie universiteiten, vanaf eind vorige eeuw, heeft het archetype Cambridge als voorbeeld en introduceert de benutting van kennis als belangrijke derde kerntaak. Vanaf die periode werd voor het eerst ook een beroep gedaan op het ontwikkelen van kennis die gericht is op maatschappelijke impact, zowel in het private als in het publieke domein. Hier zitten we nu volop in. Verwacht wordt dat deze derde generatie een levensduur zal hebben tot nog ver in de volgende eeuw. Hoewel sommigen zelfs al spreken van een vierde generatie universiteiten (Steinbuch, 2016).  

De vraag naar de verhouding tussen onderwijs en onderzoek in dit debat vanavond omvat dus meer dan de vraag – hoe belangrijk ook – naar de verhouding tussen die beide taken. Het gaat om veel meer dan bijvoorbeeld de hoeveelheid tijd die aan de twee taken besteed wordt. Belangrijker nog, is het tevens een vraag naar wie je wilt zijn en wat je wilt doen - als instelling, maar ook als individu.

Het dwingt tot nadenken over waar en hoe jij je wilt positioneren:

  • Ben je de leraar die professionals vormt, zoals dat bij het eerste type universiteiten gebeurde?
  • Identificeer jij je als de wetenschapper & leraar die ook aan waarheidsvinding doet (liefst gepubliceerd in zo respectabel mogelijke tijdschriften), uit de tweede generatie universiteiten?
  • Of ben je de netwerker, wetenschapper & leraar uit de huidige generatie universiteiten, die de impact van kennis voorop stelt? En ben je daarmee onderdeel van een instelling die midden in de samenleving staat?

De crux is dat de beoordeling van hoe goed je bent als leraar, netwerker of onderzoeker, met heel verschillende criteria tot stand komt. Maar de focus in het huidige systeem is komen te liggen op het meten van de onderzoekprestaties van individuen, vakgroepen of hele universiteiten aan de hand van het aantal publicaties in hoogwaardige wetenschappelijke tijdschriften (Science in Transition ,2013). Voor de belangrijkste financiers en voor de carrièreperspectieven in de wetenschap lijken citatiescores het onderwijs en de maatschappelijke kennisbenutting te hebben overschaduwd.

Dit alles pleit voor een bredere visie op het stelsel van ons hoger onderwijs, met evenveel aandacht voor de verschillende taken van de instellingen. Veelzeggend is dat de minister van OCW een tijd geleden al een visie op het onderzoek publiceerde (Ministerie van OCW,  januari 2019) en begin december 2019 pas komt met haar visie op het hoger onderwijs. Terwijl er een integrale visie nodig is, waarin oog is voor al die taken samen. Tegelijkertijd denk ik dat die integrale visie vooral eerst moet komen van de sector zelf. Ik hoop dat dit debat vanavond daar een bijdrage aan kan leveren.'

Lees een terugblik op het debat
Bronnen