Hoe ontwikkelt Nederland waardevolle sleuteltechnologieën?
Op 11 maart 2026 organiseerde het Rathenau Instituut een rondetafelgesprek over de maatschappelijk inbedding van sleuteltechnologieën in het kader van de Nationale technologiestrategie (NTS). De NTS zal mogelijk een grote stempel gaan drukken op de financiering en organisatie van de wetenschap. Dit gespreksverslag geeft inzicht in een aantal belangrijkste discussiepunten rondom de uitwerking van de NTS. Aanwezig waren ongeveer vijftien mensen, werkzaam in het onderzoeks- en innovatiebeleid en verbonden aan ministeries, onderzoeksfinanciers en kennisinstellingen.
Sleuteltechnologieën
Sommige technologieën zijn van grote betekenis voor de samenleving, denk aan elektriciteit, biotechnologie of het internet. Dergelijke technologie geeft bovendien vaak een impuls aan andere technologieën. Van bijvoorbeeld quantumtechnologie en innovatieve energiematerialen wordt verwacht dat ze ook zo’n sleutelrol gaan spelen in de samenleving. Daarom worden ze sleuteltechnologieën genoemd.
De Nederlandse overheid stelde in 2024 een lijst op met tien prioritaire sleuteltechnologieën, waarvan verwacht wordt dat ze een belangrijke bijdrage gaan leveren aan het verdienvermogen, de strategische autonomie, maatschappelijke opgaven en ‘technologisch leiderschap’. Dat vormde de eerste stap voor de Nationale Technologiestrategie (NTS). Op die lijst staan ook bijvoorbeeld cybersecuritytechnologie, halfgeleidertechnologie, imaging technologies, procestechnologie, en biomoleculaire en celtechnologie.
Voor elk van deze technologieën is vervolgens een actieagenda opgesteld door grote groepen bedrijven en onderzoekers; de actieagenda’s beschrijven hoe de technologie verder ontwikkeld zou moeten worden. De volgende stap is om voor iedere agenda een zogenaamde innovatiecoalitie te formeren: groepen van bedrijven, onderzoekers en anderen die daadwerkelijk hiermee aan de slag gaan.
Maatschappelijke waarden in onderzoek en innovatie
Hoewel de nadruk op sleuteltechnologieën begrijpelijk is, leeft er ook een zorg. Nieuwe technologie kan het leven van mensen namelijk gemakkelijker maken of milieuproblemen aanpakken. Maar technologie kan ook schade aanrichten, bijvoorbeeld in het milieu of sociale of psychologische welzijn (denk aan verslavende algoritmen op sociale media). Daarom is het van groot belang om in een vroeg stadium de samenleving en politiek te betrekken om technologie dusdanig vorm te geven dat die aansluit bij de behoeften van mensen.
Afgelopen december heeft het Rathenau Instituut een rapport uitgebracht over het meewegen van publieke waarden in innovatiegericht wetenschappelijk onderzoek. De boodschap daarin is dat het mogelijk is om met behulp van transdisciplinaire workshops1 publieke waarden nadrukkelijk een plek te geven bij het programmeren van onderzoek naar de waterstoftransitie. Als aftrap van de bijeenkomst gaf het Rathenau Instituut hierover een presentatie.
Het doel van de bijeenkomst was om met de aanwezigen te doordenken hoe dit soort werkvormen en technieken benut kunnen worden voor het eerder en beter anticiperen op een goede maatschappelijke inbedding van sleuteltechnologieën die worden ontwikkeld binnen de NTS. De ‘hoe-vraag’ stond centraal: welke activiteiten zijn precies nodig om die maatschappelijke inbedding te verbeteren, wie heeft daarin een rol, en wanneer is het juiste moment om deze activiteiten te ontplooien?
Er is tegelijkertijd behoefte om in de voorhoede van technologieontwikkeling te staan én om meer aandacht te kunnen geven aan een goede maatschappelijke inbedding van disruptieve technologieën.
Snelheid
Wat in de discussie een aantal keer ter sprake kwam, was de spanning tussen de behoefte aan snelheid in de technologieontwikkeling en de behoefte om de tijd te nemen. Er is tegelijkertijd behoefte om in de voorhoede van technologieontwikkeling te staan én om meer aandacht te kunnen geven aan een goede maatschappelijke inbedding van disruptieve technologieën.
Gezien de snelle internationale technologieontwikkeling lijkt er geen tijd te verliezen; we moeten in Nederland en Europa – als het ware – vooral veel gas gegeven. Dat geeft dynamiek, energie en enthousiasme. Maar volgens sommigen ontstaat daarbij ook een sfeer waar weinig ruimte is voor kritische vragen. Kan het gaspedaal van de technologieontwikkeling op gepaste momenten even worden losgelaten, met oog op maatschappelijke inbedding? Dan kunnen we vervolgens juist weer snelheid maken en gaan we de facto sneller, was de stelling. Immers, als een deel van de samenleving alleen maar gas geeft, zal een ander deel uiteindelijk hard op de rem gaan staan.
Het thema snelheid kwam verschillende keren terug in de discussie. Technologieontwikkeling kan volgens sommigen vertraging oplopen als in fundamenteel technologische onderzoeksprogramma’s, waarbij de toepassing nog ver weg is, niet alleen technologische, maar ook maatschappelijke onderzoeksvragen gesteld worden. Voor technologieontwikkeling achtten zij fundamentele, disciplinaire kennisontwikkeling cruciaal.
Maar het gaat ook mis als er pas te laat wordt meegedacht vanuit andere disciplines, werd opgemerkt. Dan kan het beeld ontstaan dat de technologie niet meer kan worden aangepast, ook al heeft deze serieuze maatschappelijke nadelen. De onderzoekers die pas dan maatschappijrelevante kennis kunnen inbrengen om de schade beperkt te houden, voelen zich in zo’n geval ‘repair scientists’.
Integraliteit
Een technologische innovatie is pas succesvol wanneer die goed raakt ingebed in de praktijk en de samenleving. Vaak is de technische werking daarbij niet de grootste uitdaging. Economische levensvatbaarheid, opschaling, juridische toelaatbaarheid en acceptatie door gebruikers vergen de nodige aandacht en vernieuwing. Een centraal thema dat door de hele discussie steeds weer aan bod kwam, was daarom het belang van integraliteit bij technologieontwikkeling en innovatie. Met integraliteit bedoelen de deelnemers:
- het verbinden van verschillende onderzoeksdisciplines onderling en met maatschappelijke partijen;
- onderzoek waarbij behalve bètawetenschappers en technologen ook sociale wetenschappers en geesteswetenschappers meewerken;
- samenwerking met de samenleving.
Die integraliteit is belangrijk bij het bepalen van onderzoeksagenda’s maar ook bij het uitvoeren van onderzoek en het delen van de uitkomsten. Het Actieplan Integrale Innovatie dat binnenkort verschijnt, biedt hier een handreiking voor.
De nuancering die hierbij werd gemaakt en breed werd onderschreven was dat een integrale aanpak geen doel op zich is, maar een middel om ervoor te zorgen dat technologieontwikkeling in het teken staat van een goede maatschappelijke inbedding. Niet alles moet altijd integraal. Niet voor elke onderzoeksvraag is inter- of transdisciplinariteit nodig of zelfs wenselijk. Het is heel legitiem om voor sommige onderzoeksvragen vooral disciplinaire aanpakken te kiezen. Bovendien, juist om goed te kunnen samenwerken over grenzen heen, is stevige disciplinaire of sectorale kennis onontbeerlijk.
Samenwerking over disciplinaire grenzen heen is niet gemakkelijk. Niet iedereen is even goed in dit soort samenwerking. Wetenschappelijke opleidingen zijn vaak gericht op disciplinaire kennis. Vaardigheden die nodig zijn om samen te werken over disciplines heen, zijn in elk van de onderzoeksdomeinen niet vanzelfsprekend aanwezig. Voor bètawetenschappers en ingenieurs kan het nieuw zijn om te reflecteren op de maatschappelijke betekenis van het onderzoek; voor sociaal- en geesteswetenschappers kan het juist onwennig voelen om construerend te werk te gaan (iets te maken). Oftewel, inter- en transdisciplinair samenwerken vraagt van iedereen om te leren. Het thema ‘vaardigheden en methoden’ zou nog vaker ter tafel komen.
Een technologische innovatie is pas succesvol wanneer die goed raakt ingebed in de praktijk en de samenleving. Vaak is de technische werking daarbij niet de grootste uitdaging.
Gereedschap
Vanuit het erkende belang van integraliteit ontstond een discussie over de vraag: ‘wie betrekt wie?’. Dit ging bijvoorbeeld over de vraag wie in staat is om anderen te betrekken (vaardigheden), waarbij brede consensus was dat er een hele gereedschapskist aan technieken en werkvormen beschikbaar is om integraal te werken, onder andere gevuld met inzichten uit de ontwerpwetenschappen. Denk bijvoorbeeld aan de Key Enabling Methodologies en werkvormen voor transdisciplinaire samenwerking. Voorbeelden die in de discussie ter sprake kwamen zijn vraagformulering, verbeelding en visievorming. De aanwezigen waren het grotendeels eens dat het bestaande gereedschap waardevol is, maar dat de handigheid en bekwaamheid om ermee te werken onvoldoende is.
Verschillende werelden
De wie-betrekt-wie-vraag ging ook over het onderscheid tussen de onderzoekswereld en de praktijk, tussen de systeemwereld en de leefwereld. Maatschappelijke inbedding van technologie gaat over het ‘laten landen’ van die technologie in de samenleving. Maar de praktijkwereld betrekken vanuit de onderzoekswereld kan heel lastig zijn, zeker als die technologie nog volop in ontwikkeling is. De innovatie kan dan immers voelen als een oplossing die op zoek is naar een probleem. Een alternatieve benadering is: start bij de vraag. En dus is de vraag hoe kunnen we de onderzoekswereld betrekken vanuit de praktijk?
In de discussie tekende zich zo een onderscheid af tussen enerzijds (technologisch) onderzoek dat vertrekt vanuit een maatschappelijke opgave, en anderzijds technologisch onderzoek dat moet landen in de maatschappij. Vertrekkend bij een maatschappelijke opgave, zoals wonen, stikstof of klimaat, is vervolgens de vraag of er hiervoor onderzoek en innovatie nodig is, en zo ja hoe we dit opgavegerichte onderzoek het beste kunnen organiseren. Het missiegedreven beleid past bij deze vorm.
Bij de Nationale Technologiestrategie gaat het er meer om technologie op een verantwoorde manier te laten landen. Gegeven de beleidsambitie om technologiegebieden te versterken, is het nodig om activiteiten te ontplooien voor de inbedding ervan, vanuit ethisch, economisch, juridisch, en maatschappelijk oogpunt. De technologie kan mogelijk ook een bijdrage leveren aan de maatschappelijke opgaven, maar het kan ook tot maatschappelijke problemen leiden (denk aan de gevolgen van generatieve AI). Daarom vereist technologieontwikkeling een (vroege) reflectie op de maatschappelijke effecten van die technologie, en een strategie om dit in goede banen te leiden.
Concluderend
De bijeenkomst liet zien dat er belangrijke meningsverschillen bestaan, maar ook overeenstemming. In de groep was draagvlak voor de volgende vier punten:
- Professionaliseer het gebruik van de tools, vaardigheden en methodes om integraal of transdisciplinair samen te werken.
- Voor opgavegericht onderzoek: start in de praktijk. Dit is niet per se hetzelfde als wat er in de NTS wordt gedaan of zou moeten worden gedaan.
- Ontwikkel voor de NTS een mechanisme om maatschappelijke inbedding van de technologie te bewaken.
- Er is behoefte aan een geactualiseerd narratief over technologie en innovatie, waarin bijvoorbeeld innovatie vanzelfsprekend integraal is (en niet vooral technologisch) en waarin een belemmerend onderscheid tussen fundamenteel en toepast wordt opgeheven.