Op herontdekkingstocht - Wetenschap, politiek en samenleving in tijden van druk op de democratie
Rinie van Est en Eefje Cuppen reageren op verzoek van het blad Beleid en Maatschappij op de oratie van Alyt Damstra over het belang van rolvastheid en wendbaarheid van organisaties op het grensvlak tussen politiek, wetenschap en maatschappij. Wat betekent rolvastheid in tijden van druk op de democratie? En vraagt morele verantwoordelijkheid niet soms om meer wendbaarheid, ten koste van rolvastheid?
Alyt Damstra betoogt in haar oratie Van raad naar daad: Advisering in tijden van wetenschapsweerstand dat adviesraden, als schakels tussen politiek en wetenschap, hun rol in moeten nemen vanuit zowel betrokkenheid als distantie. Adviesraden moeten daar continu tussen balanceren omdat anders de politiek verwetenschappelijkt en de wetenschap onvermijdelijk politiseert. Damstra, werkzaam bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, geeft als voorbeeld hoe het kabinet tijdens de coronacrisis steeds verwees naar de adviezen van het Outbreak Management Team, waardoor het leek alsof de epidemiologische wetenschap het beleid bepaalde.
Het Rathenau Instituut is geen adviesraad, maar wel onderdeel van het adviserings- en kennisstelsel dat Damstra in haar essay beschrijft. Het Rathenau Instituut is veertig jaar geleden opgericht om het politieke en publieke debat over de maatschappelijke en ethische kwesties rondom wetenschap, technologie en innovatie (WTI) te versterken. Begin deze eeuw kwam daar de taak bij om kennis aan te leveren over de werking van het wetenschapssysteem. Het Rathenau Instituut is er in eerste instantie voor parlement en samenleving. Het is een publieke kennisinstelling, die een schakel vormt tussen wetenschap, politiek en samenleving. Ook wij proberen zorgvuldig te balanceren tussen distantie, of onafhankelijkheid, en betrokkenheid.
Volgens Alyt Damstra heeft de gestage transformatie van onze informatieomgeving en de wereldwijde opmars van populistische politiek ‘de relatie tussen wetenschap en politiek fundamenteel veranderd’. Volgens haar maakt ‘big tech’ inmiddels de dienst uit op het internet, dat de toegang vereenvoudigt tot wetenschappelijke kennis, maar ook tot misleidende informatie. Daarnaast zijn in vele landen radicaal-rechtse populistische partijen uitgegroeid tot machtige politieke spelers. Deze twee trends kunnen elkaar enorm versterken, met name laten recente gebeurtenissen in de Verenigde Staten dat zien. Damstra stelt: ‘De ongekende samensmelting van kapitaal – van politieke, economische en opiniemacht – doet de democratische rechtsstaat op zijn grondvesten schudden.’
Deze twee ontwikkelingen dagen volgens Damstra de evenwichtskunst van adviesraden uit. Een eerste uitdaging is het bewaken van distantie. Distantie is enerzijds nodig om te voorkomen dat politiek te veel verwetenschappelijkt, en anderzijds om te voorkomen dat wetenschap het politieke strijdtoneel ingetrokken wordt en gepolitiseerd raakt. Met betrekking tot betrokkenheid speelt de cruciale vraag in hoeverre politieke bestuurders überhaupt zitten te wachten op wetenschappelijke inzichten die mogelijk botsen met hun beleidsplannen. Hoe dan om te gaan met deze twee existentiële uitdagingen?
Damstra stelt dat het belang van zowel rolvastheid als wendbaarheid voor adviesraden toeneemt. Volgens Damstra vereist rolvastheid ‘een grondige kennis van de eigen positie en de opdracht’, waaronder ‘een scherp bewustzijn van de grenzen aan advisering’. Daarbij dient de raad niet op de stoel van de politiek te gaan zitten: ‘Het is niet aan welke raad dan ook om politieke keuzes te maken. Het is de kunst om richtinggevend te zijn zonder politiek te bedrijven.’ Wendbaarheid houdt in dat ‘adviesraden moeten kunnen afstemmen op een sterk veranderende omgeving’. Belangrijk onderdeel daarvan is dus de veranderende informatieomgeving en radicaal-rechts populisme. Beter afstemmen kan volgens Damstra onder meer door nog beter aan te sluiten op de behoeftes binnen departementen’. Ten slotte concludeert Damstra dat de gemeenschappelijke kennisbasis in onze samenleving kleiner wordt en roept zij op ervoor te zorgen dat die basis niet nog verder krimpt.
In dit essay bouwen we voort op het denken van Alyt Damstra.¹ We erkennen het groeiende belang van rolvastheid en wendbaarheid in tijden van druk op de democratie. Maar wat houdt dat dan precies in? Die denkexercitie maken we aan de hand van de concrete rol van het Rathenau Instituut. Daarbij kijken we ook naar antidemocratische ontwikkelingen in landen als Hongarije en Amerika. Dat doen we niet omdat we denken dat Nederland diezelfde kant uitgaat, maar wel omdat die voorbeelden laten zien hoe kwetsbaar de democratie kan zijn.
Hieronder beschrijven we eerst kort de rol van kennis in beleid in enkele illiberale democratieën. We zien een verschuiving van wetenschapsweerstand naar het intimideren en ondermijnen van wetenschap. Daarna nemen we de noties rolvastheid en wendbaarheid nader onder de loep. Daarbij maken we gebruik van de vier ideaaltypische rollen van wetenschappers in politiek en beleid die Roger Pielke (2007) onderscheidt. Via twee voorbeelden laten we zien dat wetenschappers in bepaalde situaties kiezen voor een andere invulling van hun rol. Die wetenschappers zijn wendbaar binnen een normatieve opvatting over de relatie tussen wetenschap, beleid en politiek. Vervolgens beschrijven we het richtinggevend moreel kompas van het Rathenau Instituut en staan dan stil bij wat dat kompas betekent in deze tijd van druk op wetenschap en democratie.
Van wetenschapsweerstand naar –ondermijning
In haar essay stelt Damstra dat het ‘radicaal-rechtse populistische gedachtegoed’ moeizaam omgaat met ‘kennis en waarheidsvindende instituties’. Ten eerste wordt de integriteit van kennisbronnen en wetenschappers systematisch in twijfel getrokken. Daarnaast worden wetenschappelijke inzichten nauwelijks meegenomen bij het maken van beleid en politieke keuzes. Het einde dus van het geloof in evidence-informed policy making (vergelijk OECD/EC-JRC 2025). Recente gebeurtenissen laten zien dat de situatie kan omslaan, van weerstand tegen wetenschap naar de ondermijning ervan. Waar enige mate van wetenschapsweerstand in een democratie een gezond teken is van openheid naar andere perspectieven en kritisch denken, is ondermijning van wetenschap voor een democratie problematisch. We onderscheiden twee situaties: wanneer populisten nog niet aan de macht zijn en wanneer ze wel aan de macht zijn.
In landen als Hongarije, India, Turkije en de Verenigde Staten gaat de opkomst van het radicaal-rechtse populistische gedachtegoed samen met het besmuiken van democratische instituties, zoals het parlement, de rechtsspraak, traditionele media en de wetenschap (vergelijk Levitsky & Ziblatt, 2018; Van Lit & Van Ham, 2025). In Nederland is die tendens ook zichtbaar. Nederlandse wetenschappers die zich mengen in het maatschappelijk debat krijgen vaker te maken met intimidatie, haat en bedreigingen. In 2023 zijn 45 universitaire medewerkers eenmalig beveiligd en hadden 14 andere structurele beveiliging nodig (UNL, KNAW & NWO, 2024). In dat jaar voelde 10 tot ongeveer 30 procent van de onderzoekers, docenten en studenten zich in redelijke tot sterke mate beperkt in hun uitingen (Van der Graaf e.a., 2023, 2). Deze trends zetten volgens de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) de academische vrijheid in Nederland onder druk (KNAW, 2025). Voor onze democratie is dat slecht nieuws, omdat het belangrijk is dat kennis vrij ontwikkeld en gedeeld kan worden, zodat een goed geïnformeerd debat mogelijk is.
Eenmaal aan de macht gebruiken aspirant-autocraten tal van methoden om de democratie te ondermijnen (Van Lit & Van Ham, 2025). Op het gebied van kennis kunnen autoritaire regimes een directe bedreiging vormen voor experts binnen ministeries en de academische vrijheid van universiteiten (Pinckney & Khan, 2025). Wetenschapsweerstand kan dan omslaan in de ondermijning van wetenschap en het afbreken van kennisgebieden. Zo verdreef de regering van Orbán de Centrale Europese Universiteit uit Boedapest (Van de Ven, 2018). De tweede regering-Trump decimeerde bijvoorbeeld de financiering van onderzoek naar klimaat en ethiek van AI, en negeert onwelgevallige wetenschappelijke inzichten op die gebieden (Verdel, 2025, 510-512). In deze politieke situatie wordt wetenschappelijke consensus dus genegeerd of actief ondermijnd als deze in conflict komt met politieke doelen.
Rolvastheid en wendbaarheid nader onder de loep
Adviesraden en andere kennisinstellingen op het snijvlak tussen wetenschap en beleid en politiek opereren op verschillende manieren. Een veelgebruikt model om na te denken over de rol van wetenschap in politiek en beleid is dat van Roger Pielke (2007). Pielke onderscheidt vier ideaaltypische rollen. De ‘pure scientist’ geeft een overzicht van de wetenschappelijke stand van zaken in een bepaald veld zonder zich met de beleidsvragen bezig te houden. De ‘science arbiter’ beantwoordt wel vragen van beleidsmakers door een samenvatting van wetenschappelijke kennis te geven. Zowel de ‘pure scientist’ als de ‘science arbiter’ blijft weg van normatieve debatten. Deze rollen zijn passend wanneer er een waardeconsensus is en er weinig wetenschappelijke onzekerheden bestaan.
Wanneer beide condities niet gelden, kunnen wetenschappers optreden als ‘issue advocate’ of ‘honest broker’, waarbij de eerste het aantal opties verkleint, terwijl de ‘honest broker’ die juist vergroot. De ‘issue advocate’ doet dat door zich te verbinden met een bepaalde (politieke) agenda of normatief standpunt. De expertise van de ‘issue advocate’ is dan een middel in het politieke debat. De ‘honest broker’ vergroot de beleidskeuzes door opties te verhelderen en perspectieven toe te voegen. De ‘honest broker’ integreert daarbij wetenschappelijke kennis met perspectieven vanuit de maatschappij.
We zijn ons ervan bewust dat het model van Pielke niet alle mogelijke rollen beschrijft en dat het onderscheid tussen deze rollen in de praktijk niet altijd goed te maken is, maar als analytische lens helpt het model om te reflecteren op de betekenis van rolvastheid en wendbaarheid.
Adviesraden en andere kennisinstellingen kunnen verschillende rollen innemen, waarbij de rol van ‘pure scientist’ het minst voor de hand ligt. Als het Rathenau Instituut bijvoorbeeld rapporteert over de investeringen in research & development in Nederland (Koens e.a., 2025), opereren wij als ‘science arbiter’ door te laten zien hoe het staat met deze investeringen. Deze kennis wordt door andere partijen gebruikt om beleid en strategie op te baseren. In veel gevallen opereren wij als een ‘honest broker’, bijvoorbeeld wanneer we op basis van dialogen met verschillende groepen in de samenleving over medisch biotechnologische ontwikkelingen laten zien welke waarden er op het spel staan en wat dat betekent voor de ontwikkeling van technologie en de regulering ervan (vergelijk DNA-dialoog, 2021; Vera e.a., 2025).
Alyt Damstra’s opvatting over rolzuiverheid sluit aan bij die van Pielke. Beiden pleiten voor rolzuiverheid en geven de voorkeur aan de rol van ‘honest broker’ voor adviesraden en kennisinstellingen op het grensvlak tussen wetenschap en politiek en beleid. Simpel gezegd is dat pleidooi: voorkom dat het rommelig wordt, houd de rollen zuiver. Damstra geeft als voorbeeld ‘hoogleraren die in toga op de A12 staan om te protesteren tegen fossiele subsidies’. De actie van de hoogleraren kan inderdaad gezien worden als het vermengen van rollen; staat de hoogleraar daar als onafhankelijke wetenschapper of als klimaatactivist?
Tegelijkertijd zet dit voorbeeld aan het denken over wat het betekent om rolvast te zijn. Hoogleraar Economie Reyer Gerlagh, voormalig lid van het VN-klimaatpanel (IPCC), protesteerde mee in een ‘witte “Scientist Rebellion”-stofjas’ (NOS Nieuws, 2023). Hij nam bewust afscheid van zijn rol als wetenschapper als objectieve buitenstaander (‘science arbiter’) en protesteerde als wetenschapper én activist (‘issue advocate’), omdat beleid en politiek volgens hem decennialang te weinig met de resultaten van klimaatwetenschappers gedaan hebben. Veel klimaatwetenschappers doen dat niet uit vrees om door politici als klimaatalarmist weggezet te worden. Maar Gerlagh woog af: ‘Wat is erger, de angst om mijn krediet te verspelen of het idee dat ik de verantwoordelijkheid niet heb genomen?’ (NOS Nieuws, 2023). Protesteerde Gerlagh hier niet juist als wetenschapper die richting politiek en bestuur aangeeft dat ze zich te weinig rekenschap geven van wetenschappelijke inzichten die gigantische maatschappelijke effecten hebben en dus te weinig evidence informed beleid voeren?
Met betrekking tot het gebruik van wetenschappelijke kennis in beleid en politiek stelt Tweede Kamerlid Madeleine van Toorenburg van het CDA dat te weinig wetenschap tot populisme leidt, maar te veel wetenschap tot vervreemding wanneer beleid niet goed aansluit bij de wensen van de samenleving (Slob & Staman, 2012, 5). Het is met name de verantwoordelijkheid van beleid en politiek om zich bij het vormen van beleid op een goede manier rekenschap te geven van bestaande wetenschappelijke inzichten. Maar als dat niet gebeurt, is het belangrijk dat wetenschappers, juist vanuit de wetenschap, beleid en politiek daar publiekelijk op aanspreken.
Dat is precies wat rechtssociologe Kim Lane Scheppele poogt te doen (Lane Scheppele, 2023). Zij maakte de opkomst van Orbán in Hongarije en die van Trump in de Verenigde Staten van nabij mee. Lane Scheppele stelt dat de juridische wetenschap een politieke speelbal is geworden. Zij stelt dat autoritaire regeringen controle uitoefenen op de wetenschap, en kennis vaak op een ongeoorloofde manier gebruiken. Trump gebruikt bijvoorbeeld artikel II van de Amerikaanse grondwet om te stellen dat de uitvoerende macht bij één persoon ligt, namelijk de president, en trekt zoveel macht naar zich toe. Doordat illiberale democratieën de democratische rechtsstaat onder druk zetten, kunnen juridische wetenschappers de facto geen ‘pure scientists’ meer zijn en vanuit het perspectief van de democratische rechtsstaat eigenlijk alleen maar ‘issue advocates’ zijn. Dat betekent volgens haar dat wetenschappers hun methoden en de uitkomsten daarvan dienen te verdedigen in het publieke debat en zo voor het behoud van de democratische rechtsstaat behoren te strijden (Lane Scheppele, 2023).
Zowel Gerlagh als Lane Sheppele veranderde van rol. Gerlagh deed dat omdat hij zich moreel verantwoordelijk voelde om in plaats van de rol die hij gewoon was, namelijk die van ‘science arbiter’, de rol van ‘issue advocate’ in te nemen. Lane Scheppele voelde zich moreel verplicht om van ‘pure scientist’ te veranderen in een ‘issue advocate’. Gerlagh deed dat omdat hij vond dat beleid en politiek zich te weinig aantrokken van de wetenschap, en Lane Scheppele deed dat omdat haar vakgebied was gepolitiseerd en de democratische rechtsstaat volgens haar onder druk staat. We zien dus dat deze wetenschappers zich gedwongen voelen een andere rol te kiezen (wendbaar te zijn), en dat die wendbaarheid met name wordt ingegeven door hun morele overtuiging van wat het betekent om wetenschapper te zijn in een democratische samenleving. Voor Gerlagh betekende dat dat hij vond dat hij moest protesteren, voor Lane Scheppele betekent dat dat ze haar kennis zowel in de wetenschap deelt als publiekelijk laat zien. Ze kiezen beiden een rol als publiek intellectueel. Dat de rolaanpassing van Gerlagh en Lane Scheppele samengaat met dilemma’s en de behoefte zich hier in het openbaar over te verantwoorden en uit te spreken, suggereert dat deze wendbaarheid voor hen ongebruikelijk groot is.
Normatief kompas van het Rathenau Instituut
De opdracht die het Rathenau Instituut heeft, vereist dat we voortdurend reflecteren op onze rol – dus op rolvastheid en wendbaarheid – in een steeds veranderend politiek speelveld (vergelijk Van Est, 2019). Het Rathenau Instituut is een onafhankelijke publieke kennisorganisatie met een maatschappelijke opdracht die staat omschreven in het instellingsbesluit van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juli 2009. Deze opdracht omvat twee taken, die zijn samengevat in onze missie: ‘Het Rathenau Instituut draagt bij aan maatschappelijke dialoog en politieke oordeelsvorming over ontwikkeling van wetenschap, technologie en innovatie en vergroot het inzicht in de werking van het wetenschapssysteem.’ We doen dit op drie manieren. We agenderen maatschappelijke aspecten van wetenschap, technologie en innovatie en laten zien waar publieke waarden en belangen worden geraakt. We stimuleren maatschappelijk debat en politieke oordeelsvorming over wetenschap, technologie en innovatie. En we ondersteunen politieke beleidsvorming ten aanzien van de maatschappelijke inbedding van technologische ontwikkeling en de organisatie en governance van wetenschap, technologie en innovatie.
Het op goede en effectieve wijze invullen van onze rol vraagt om continue reflectie hierop. Bij alles wat we doen, zoals het organiseren van activiteiten, uitvoeren van projecten, uitbrengen van publicaties, reageren op verzoeken van derden of het samenstellen van ons werkprogramma, reflecteren we op zaken als met wie we samenwerken, wie we bij ons onderzoek betrekken en welke woorden we gebruiken. Het gaat ons er dan om welke concrete invulling van onze rol, passend bij onze formele taak, op dát specifieke moment en in díe specifieke context nodig en passend is. Dit is de wendbaarheid waar Damstra, naast rolvastheid, in haar essay voor pleit.
Zoals Damstra in haar essay terecht schetst, is het ‘de kunst om richtinggevend te zijn zonder politiek te bedrijven’. Er is vakmanschap nodig om dit goed te doen; het vraagt om specifieke competenties en sensitiviteit voor politieke en maatschappelijke perspectieven. Wij doen ons werk in een speelveld vol belangen, verschillende ideologische perspectieven, en weten-schappelijke en maatschappelijke onzekerheden. Die context is bepalend voor hoe wij onze rol invullen. Pluriformiteit, of een meervoudigheid aan stemmen en perspectieven, is een intrinsieke eigenschap van die context, én van de democratie, en daarmee van de ‘normale situatie’. Dat neemt verschillende vormen aan, en je zou kunnen zeggen dat de weerstand tegen wetenschap die Damstra in haar essay beschrijft hier dus ook bij hoort. Dat maakt het werk op het grensvlak tussen wetenschap en politiek en beleid uitdagend, maar het is tegelijkertijd de kern van dat werk.
Een richtinggevend kompas
Om zowel wendbaar als rolvast te zijn is een richtinggevend kompas nodig. Het kompas van het Rathenau Instituut bevat drie aspecten, die wellicht breder van toepassing zijn op het werk van publieke kennisinstellingen en adviesraden. Allereerst is wetenschappelijke kwaliteit cruciaal om op gezaghebbende wijze te kunnen opereren op het grensvlak tussen wetenschap, samenleving en politiek en beleid. Een tweede richtsnoer is beleidsmatige en maatschappelijke relevantie. Dit betekent dat ons werk dient aan te sluiten bij vragen vanuit maatschappij en beleid, of deze zodanig agendeert dat het aansluit bij de taal en behoeftes vanuit de samenleving. Ten derde het normatieve perspectief. En dit is wellicht het meest lastige aspect voor publieke kennis-instellingen en raden, en blijft (misschien daardoor) wel eens impliciet. Immers, op het eerste gezicht lijkt normativiteit lastig te verenigen met de rol van een onafhankelijke ‘honest broker’ die de normatieve keuzes aan de politiek laat. Toch ligt er wel degelijk normativiteit besloten in de institutionele opdracht en invulling van de taak van publieke kennisinstellingen en raden. Met name in deze tijd waarin de betekenis van democratie zelf maatschappelijk ter discussie staat, is het noodzakelijk om daarop te reflecteren en daar gezamenlijk over te praten.
Voor het Rathenau Instituut ligt het normatieve perspectief ten principale besloten in de aanleiding tot oprichting van ons instituut: wetenschap, technologie en innovatie (WTI) hebben een grote impact op de samenleving en vragen daarom om een goed democratisch proces waarin verschillende stemmen in een vroegtijdig stadium worden gehoord (vergelijk Van Eijndhoven, 1997). Op die manier kan WTI worden ontwikkeld die ons als samenleving ook écht vooruithelpt. Democratische ingrediënten zoals pluriformiteit, stem geven aan groepen in de samenleving die niet gehoord worden, en de dialoog als een manier om over die verschillende perspectieven te leren en tot politieke en publieke oordeelsvorming te komen, liggen besloten in de kern van onze rol. En die rol betreft dus het verrijken van het democratische debat, zowel in de samenleving als in het parlement, over WTI.
Op herontdekkingstocht met kompas
Wat betekent dit kompas in een situatie waarin de democratische rechtsstaat onder druk staat en wetenschappelijke inzichten politiek worden genegeerd of misbruikt, oftewel een situatie die botst met de drie onderdelen van het kompas van het Rathenau Instituut? Als een dergelijk doemscenario van de illiberale democratie zich in Nederland daadwerkelijk voordoet, dan is het duidelijk: dan gunt de politiek ons onze democratische rol niet meer en willen – en kunnen – wij vanuit ons richtinggevend kompas ons werk niet meer doen (Van Est, 2019). In zo’n extreme situatie betekent rolvastheid dat onze rol zélf in het geding is en wendbaarheid betekent het opheffen van de rol.
Maar op dit moment bevinden we ons in een schemergebied; een situatie waarin er sprake is van zowel breed vertrouwen in de wetenschap (Slief e.a., 2025) als van ferme publieke kritiek op wetenschappers, en waarin Nederlanders democratische principes breed ondersteunen, maar ook flink verdeeld zijn over de basisprincipes van de democratie (Van de Koppel & Van Heck, 2025, 5). Sommige burgers vinden dat de gekozen meerderheid het in een democratie voor het zeggen dient te hebben, zelfs als besluiten de rechtsstaat uitdagen of aanpassen. Andere burgers vinden dat ‘de rechtsstaat boven alles beschermd moet worden, ook als dit besluiten tegenhoudt die de meerderheid van de burgers wil’. Wat dient het Rathenau Instituut te doen in deze tijd waarin de betekenis van de democratie en de rol van kennis daarbinnen ter discussie staan?
Wij zijn het met Damstra eens dat deze tijden van druk op wetenschap en democratie vragen om wendbaarheid en rolvastheid. Dat betekent dat we na moeten denken over de specifieke invulling en de grenzen ervan. Ontwikkelingen in Hongarije en de Verenigde Staten laten zien dat het niet vanzelfsprekend is dat wij ons werk kunnen en mogen doen. Dat geeft extra reden en motivatie om onze rol zorgvuldig, zelfkritisch en met morele overtuiging in te vullen. Het werk van onafhankelijke publieke kennisinstellingen en raden doet er nu misschien wel meer toe dan ooit. Maar voor het invullen van die rol is een ware herontdekkingtocht nodig.
Voor het Rathenau Instituut betekent dat ten eerste dat we blijven nadenken over onze rol en hoe wij deze binnen de huidige maatschappelijke en politieke context adequaat kunnen invullen. Daarbij speelt het expliciet maken van ons normatief kompas een centrale rol. Om te beginnen is het gezamenlijke gesprek over dat kompas binnen het Rathenau Instituut, met medewerkers en bestuur, en ook daarbuiten, van belang. Dat kompas helpt om de koers te bepalen en wendbaar te zijn binnen heldere kaders. Laten we de betekenis van de drie elementen van ons kompas voor dit tijdsgewricht kort doorlopen (vergelijk Van Est, 2019).
Met betrekking tot wetenschappelijke kwaliteit nemen we afstand van zowel de technocratische visie op bestuur dat ervan uitgaat dat beleid uit bekende feiten kan worden afgeleid, alsook van feitenvrij beleid waarin er geen rol is voor wetenschap in de beleidsvorming. In contrast daarmee erkennen we de sterke kanten van wetenschap bij het vormen van beleid en haar beperkingen. Dat betekent dat we de kracht van de wetenschappelijke methode waarderen als een systematische manier om feiten te vinden en de wereld te begrijpen. En tegelijkertijd inzien dat wetenschappelijke onzekerheid, onwetendheid, publieke waarden, politieke en economische belangen en tactieken van informatieverwarring allemaal een rol kunnen spelen bij de manier waarop kennis een rol speelt in beleid (vergelijk Funtowicz & Ravetz, 1993). En daar waar er wél een brede wetenschappelijke consensus bestaat, geven we dat ook aan.
De eis van beleidsmatige en maatschappelijke relevantie betekent ten eerste dat we controversiële thema’s, zoals klimaat en de rol van ‘big tech’, niet mogen schuwen. Daarnaast is het van belang dat we voortdurend zoeken naar relevante en onderbelichte stemmen, van experts, belanghebbenden en burgers. Wij geven een stem aan verschillende groepen in de samenleving om zo de waardediversiteit rond WTI te versterken. Dit vanuit het idee dat al die verschillende perspectieven, soorten kennis en waarden relevant en valide zijn en op hun eigen manier een plek in de politieke afweging verdienen. Daarbij zijn we ons ervan bewust dat gevestigde belangen een rol spelen en dat het debat op allerlei wijzen verstoord kan worden, bijvoorbeeld via desinformatie.
Het normatieve perspectief van de democratie betekent dat we constructief-kritisch naar de democratie kijken. Ons werk is erop gericht om onze democratie – democratische normen, debat en beleid en instituties – te versterken. Daarbij zijn we ons ervan bewust dat de democratie als ‘een vrije en open communicatieomgeving’ kwetsbaar is voor ‘uitbuiting en ondermijning van binnenuit’ (Gershberg & Illing, 2022, 1). Maar juist deze tijd vol controversen vraagt om radicale openheid, een open debat waarin we respectvol en op een gelijkwaardige manier met elkaar praten over lastige thema’s, en al luisterend begrip voor elkaars positie en argumenten proberen te krijgen. Ten slotte is het in tijden waarin de betekenis van de democratie ter discussie staat ook cruciaal om het gesprek te voeren over de democratie. In het kader van het 40-jarige bestaan van het Rathenau Instituut zetten wij daarom in 2026 de relatie tussen democratie en wetenschap, technologie en innovatie centraal als jubileumthema, en gaan we komend jaar hier met elkaar en onze omgeving over in gesprek.