calendar tag arrow download print
Image
factsheet
13 november 2018

Financiering publieke kennisorganisaties

In dit factsheet geven we informatie over de financiële trends bij de publieke kennisorganisaties. We laten zien dat de inkomsten, na een daling in de periode 2011-2014, vanaf 2014 min of meer gelijk blijven. Wanneer we kijken naar de gehele periode, 2010-2017, zien we dat de inkomsten met 7% zijn gedaald.

Publieke kennisorganisaties doen onderzoek gericht op de ondersteuning van publieke, kennisintensieve taken. Ze zijn (deels) publiek gefinancierd en staan organisatorisch buiten de academische wereld van universiteiten, UMCs en NWO- en KNAW-instituten. Het gaat om organisaties zoals het NFI (Nederlands Forensisch Instituut), TNO (Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek), het Trimbos-instituut en instituut Clingendael.

Taken

Publieke kennisorganisaties genereren, verzamelen en verspreiden kennis om het welzijn, de welvaart en de veiligheid van Nederland nu en in de toekomst veilig te stellen. Daarmee dragen ze bij aan de realisatie van verantwoordelijkheden van de overheid (zoals voedselveiligheid), en maatschappelijke doelen die de overheid stelt (zoals economische groei). Hun bestaansrecht ligt dan ook niet bij het onderzoek dat zij doen, maar bij de publieke belangen die zij daarmee borgen. Hun werk wordt gedreven door de kennisbehoefte van overheden, bedrijven, industrie, politie, maatschappelijk werkers, patiënten en consumenten, etc.

Het Rathenau Instituut onderscheidt, op basis van hun functie, vijf groepen publieke kennisorganisaties binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur:

  • Planbureaus en departementale kennisorganisaties zijn hoofdzakelijk gericht op beleidsondersteunend onderzoek. Ze monitoren maatschappelijke ontwikkelingen, brengen de (potentiële) consequenties van beleid in beeld en evalueren het beleid.
  • Beleidsuitvoerende kennisorganisaties ondersteunen de rijksoverheid door taken uit te voeren die invulling geven aan een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid, zoals forensisch onderzoek, het testen van voedingsmiddelen en het coördineren van het rijksvaccinatieprogramma.
  • TO2-instellingen ondersteunen het bedrijfsleven, industrie en overheid door het (vaak in consortia met overheden, bedrijven en kennisinstellingen) uitvoeren en/of faciliteren van veelal pre-competitief onderzoek en innovatie. Daarvoor beheren deze instellingen grootschalige faciliteiten.
  • Sectorgeoriënteerde stichtingen combineren beleidsondersteunend onderzoek met een focus op de kennisbehoefte van professionals in de gezondheidszorg-, sport-, cultuur- en veiligheidssector en hun cliënten. Dat doen ze door beschikbare kennis te verzamelen en actief te delen, ontwikkelingen te monitoren en (o.a.) cursussen en richtlijnen te ontwikkelen.
  • Kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling combineren hun beleidsondersteunend onderzoek met het geven van onderwijs voor (toekomstige) professionals van defensie, politie, diplomaten en andere internationaal georiënteerde functies.

In het volgende figuur geven we de omvang van deze groepen weer, gebaseerd op de totale omzet in 2017. We zien dan dat de TO2-instellingen en de beleidsuitvoerende kennisorganisaties samen meer dan driekwart van de omzet ontvangen.

Financiering

Publieke kennisorganisaties hebben diverse organisatievormen en ontvangen financiering onder verschillende voorwaarden. Wij maken in dit factsheet onderscheid tussen drie financieringsbronnen:

  1. Institutionele financiering: financiering die op structurele basis aan de publieke kennisorganisaties wordt verstrekt door de rijksoverheid. Dit zijn jaarlijks terugkerende budgetten in de vorm van bijvoorbeeld een rijksbijdrage of een instellingssubsidie. Deze financiering wordt niet in competitie met andere organisaties verkregen.

  2. Projectfinanciering: financiering die publieke kennisorganisaties verkrijgen in competitie met andere partijen. Hierbij gaat het om onderzoekssubsidies uit bijvoorbeeld Horizon2020 of ZonMW programma’s en contractonderzoek voor zowel private als publieke partijen. Kleine, eenmalige opdrachten van de overheid worden soms rechtstreeks aan de publieke kennisorganisaties verstrekt.

  3. Overige inkomsten: naast deze financiering ontvangen sommige publieke kennisorganisaties inkomsten die niet direct aan onderzoek of kennisintensieve dienstverlening gebonden zijn, zoals inkomsten uit licenties of verhuur. Rentebaten en -lasten zijn in deze cijfers niet meegenomen.

In onderstaand figuur laten we zien dat de verhouding tussen de drie financieringsbronnen verschilt tussen de groepen publieke kennisorganisaties. Dit verschil reflecteert de verschillende functies die ze hebben. Hoe sterker de publieke kennisorganisatie gericht is op het ondersteunen van het beleid van de rijksoverheid, hoe meer institutionele financiering ze ontvangen. Zo verkrijgen de TO2-instellingen en stichtingen een veel groter deel van hun inkomsten in competitie dan de planbureaus en departementale kennisinstellingen.  

Financiële trends

De inkomsten van de publieke kennisorganisaties dalen in de periode 2010-2017 met 7% (€ 163 miljoen). Onderstaand figuur laat zien dat de daling van de inkomsten van de publieke kennisorganisaties plaatsvindt in de periode 2011-2014. Vanaf 2014 blijven de inkomsten van de publieke kennisorganisaties min of meer gelijk. De piek in 2016 wordt voornamelijk veroorzaakt door eenmalige, niet-onderzoeksgebonden inkomsten bij het NFI (€ 19 miljoen).

De afname van de inkomsten zien we in alle financieringsbronnen terug. De institutionele financiering loopt terug met 8%. De projectfinanciering loopt terug met 5,5%.  Waar de inkomsten uit opdrachten voor de rijksoverheid in deze periode met 18% (€ 58 miljoen) stijgen, dalen de inkomsten uit het contractonderzoek voor andere partijen met 16% (€ 115 miljoen).

Hoewel de overheid dus minder structureel bijdraagt, is het belang van door de rijksoverheid gefinancierde projecten voor de publieke kennisorganisaties gegroeid. Niettemin zien we dat de inkomsten vanuit de rijksoverheid afnemen – en dat deze afname niet wordt gecompenseerd door extra inkomsten uit contractonderzoek voor andere partijen, zoals het bedrijfsleven, gemeenten of zorginstellingen.

Onderstaand figuur geeft meer achterliggende informatie bij de conclusie dat de inkomsten van de publieke kennisorganisaties vanaf 2014 min of meer gelijk blijven. Feitelijk is er in de periode 2014-2017 sprake van een verdere daling van de inkomsten bij de kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling (-7%) en de TO2-instellingen (-4%). De inkomsten bij de andere groepen kennisorganisaties stijgen in deze periode juist. De inkomsten van de planbureaus en departementale kennisorganisaties, de stichtingen en de beleidsuitvoerende kennisorganisaties komen daarmee weer in de buurt van het niveau van 2010. Bij de beleidsuitvoerende kennisorganisaties liggen de inkomsten 3% hoger dan in 2010, maar dit kan volledig verklaard worden door een eenmalige verhoging van de inkomsten van het IFV, dat in 2013 extra taken krijgt waardoor de inkomsten in één jaar met 51% toenemen. Hieronder bespreken we de financiële ontwikkelingen per groep.

Trends binnen de vijf groepen

Binnen de groep planbureaus en departementale kennisinstellingen nemen de inkomsten van alle organisaties ten opzichte van 2010 toe, behalve bij het PBL. Hier nemen de inkomsten met 20% af.  De groei die figuur 4 laat zien over de periode 2014-2017 is toe te schrijven aan het CPB en het SCP. De inkomsten van het PBL en het WODC blijven in deze periode min of meer gelijk.

De inkomsten van de beleidsuitvoerende kennisorganisaties komen in 2017 als groep boven het inkomstenniveau van 2010 uit. Dit is echter volledig te verklaren door het IFV, Zonder het IFV zijn de inkomsten in 2017 weer gelijk aan 2010. Zoals figuur 4 laat zien, komt dit doordat de inkomsten na 2014 weer zijn gaan stijgen. Dit geldt voor alle instellingen behalve het IFV, waar de inkomsten in de periode 2014-2017 met 15% dalen.

Bij de TO2-instellingen zet de dalende trend in de inkomsten voor de groep als geheel door. De daling van inkomsten is het sterkste bij ECN (-20%), Wageningen Research (-16%) en TNO (-13%). Bij MARIN blijven de inkomsten ten opzichte van 2010 gelijk, bij NLR is sprake van een lichte stijging (3%).  De institutionele financiering daalt bij alle zes de TO2-instellingen consequent ten opzichte van 2010. Alleen bij TNO is in 2016 en 2017 sprake van een kleine stijging van de institutionele financiering. De daling is procentueel het sterkste bij ECN (-35%), Deltares (-30%) en Wageningen Research (-27%). De ontwikkelingen in de projectfinanciering verschillen. Deze neemt toe bij NLR, blijft bij Wageningen Research en Deltares min of meer gelijk en neemt bij de overige TO2-instellingen af.

Bij de stichtingen zien we dat de inkomsten tot en met 2015 dalen met 8%. Deze daling vindt plaats bij 8 van de 10 stichtingen. Vanaf 2016 stijgen de inkomsten weer, waarbij ze in 2017 weer op het niveau van 2010 zitten. Alleen bij Movisie blijven de inkomsten dalen. De inkomsten van de boekmanstichting, NIVEL en SWOV blijven deze laatste twee jaar min of meer gelijk.  Bij de overige stichtingen groeien ze. Dit herstel komt met name door veranderingen in de projectfinanciering, die tot en met 2015 met 13% afneemt en daarna weer met 26% groeit. De instellingssubsidie daalt over de gehele periode met 10%.

Tot slot zien we binnen de groep kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling dat de daling volledig wordt veroorzaakt door dalende inkomsten van de Politieacademie (-22%). De inkomsten van de andere twee nemen juist toe (met respectievelijk 6% (NLDA) en 38% (Clingendael)).

Meer informatie

Voor meer achtergrond bij deze indeling en de specifieke functies per publieke kennisorganisatie, verwijzen wij naar de Feiten & Cijfers publicatie over deze organisaties. Een overzicht van de individuele publieke kennisorganisaties kunt u hier vinden.

De inkomsten van individuele publieke kennisorganisaties kunnen gevonden worden in het achterliggende excel-bestand.

Over de data

Informatie over de manier waarop het Rathenau Instituut de oorspronkelijke financieringsbronnen van de individuele organisaties heeft verdeeld over de in deze factsheet gebruikte categorieën, kunt u vinden in de feiten en cijfers publicatie over publieke kennisorganisaties. Daarnaast zijn de volgende opmerkingen van belang voor een correcte interpretatie van de gegevens in deze factsheet:

  • Van het KiM zijn geen financiële gegevens beschikbaar.
  • Van de FMW-NLDA zijn cijfers beschikbaar vanaf 2012. Om deze reden is deze kennisorganisatie niet meegenomen in de figuren 'Ontwikkeling inkomsten publieke kennisorganisaties 2010-2017' en 'daling inkomsten per groep'.
  • Voor TNO en ECN zijn de enkelvoudige cijfers opgenomen. De cijfers van ECN zijn exclusief ECN Holding (o.a. NRG), de cijfers van TNO zijn exclusief TNO Bedrijven. Geconsolideerde cijfers kunt u vinden in (de bijlage bij) de datapublicaties ‘inkomsten van GTI’s naar financieringsbron’ en ‘inkomsten van TNO naar financieringsbron’.

De data over de financiering komen uit de volgende bronnen:

  • Jaarverslagen: CBS, Clingendael, Deltares (vanaf 2016), ECN, Mulier Instituut, IFV, NFI (t/m 2014), NJi, RIVM (t/m 2014), SCP, SWOV, TNO, veiligheidNL, Vilans & Wageningen Research (WUR).
  • Jaarrekeningen: Boekmanstichting, Geonovum, Movisie, NLR, Politieacademie, VeiligheidNL.
  • Jaarverslag rijk: NFI (vanaf 2015), KNMI, RIVM (vanaf 2015)
  • Door de organisatie aangeleverd: CPB, Deltares (t/m 2015), FMW-NLDA, MARIN, Nivel, PBL, RIVM (t/m 2014), WODC.