calendar tag arrow download print
Image
factsheet
30 september 2020

Financiering publieke kennisorganisaties

In dit factsheet geven we informatie over de financiële trends bij publieke kennisorganisaties zoals TNO, NFI en het Trimbos-instituut. We laten zien dat hun inkomsten, na een daling tussen 2011 en 2014, in 2019 voor het eerst weer stijgen. Met 2,3 miljard euro zijn de inkomsten bijna terug op het niveau van 2010.

In het kort:

  • Publieke kennisorganisaties zijn instellingen zoals TNO, FNI, het RIVM en het Trimbos-instituut.
  • De totale inkomsten van publieke kennisorganisaties bedragen ongeveer 2,3 miljard euro. Ongeveer de helft komt structureel van het Rijk.
  • TO2-instellingen ontvangen 48% van de totale financiering. Sinds 2018 stijgen hun inkomsten weer, na een jarenlange daling.

Publieke kennisorganisaties doen onderzoek gericht op de ondersteuning van publieke, kennisintensieve taken. Het gaat om organisaties zoals het NFI (Nederlands Forensisch Instituut), TNO, het Trimbos-instituut en instituut Clingendael. Ze zijn (deels) publiek gefinancierd en staan organisatorisch buiten de academische wereld van universiteiten, UMC's en de instituten van NWO en KNAW.

Taken en omvang

Publieke kennisorganisaties genereren, verzamelen en verspreiden kennis om het welzijn, de welvaart en de veiligheid van Nederland nu en in de toekomst veilig te stellen. Daarmee dragen ze bij aan de realisatie van de verantwoordelijkheden van de overheid (zoals voedselveiligheid) en aan de maatschappelijke doelen die de overheid stelt (zoals economische groei). Het bestaansrecht van de publieke kennisorganisaties ligt dan ook niet bij het onderzoek dat zij doen, maar bij de publieke belangen die zij daarmee borgen. Het werk van de organisaties wordt gedreven door de kennisbehoefte van overheden, bedrijven, industrie, politie, maatschappelijk werkers, patiënten en consumenten.

Het Rathenau Instituut onderscheidt, op basis van hun functie, vijf groepen publieke kennisorganisaties binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur: 

  1. Planbureaus en departementale kennisorganisaties zijn hoofdzakelijk gericht op beleidsondersteunend onderzoek. Ze monitoren maatschappelijke ontwikkelingen, brengen de (potentiële) consequenties van beleid in beeld en evalueren het beleid.
  2. Beleidsuitvoerende kennisorganisaties ondersteunen de rijksoverheid door taken uit te voeren die invulling geven aan een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid. Voorbeelden zijn forensisch onderzoek, het testen van voedingsmiddelen en het coördineren van het rijksvaccinatieprogramma.
  3. TO2-instellingen ondersteunen het bedrijfsleven, de industrie en de overheid door het uitvoeren en/of faciliteren van veelal pre-competitief onderzoek en innovatie. Dat gebeurt vaak in consortia van overheden, bedrijven en kennisinstellingen. De TO2-instellingen beheren ook vaak grootschalige faciliteiten. 
  4. Sectorgeoriënteerde stichtingen combineren beleidsondersteunend onderzoek met een focus op de kennisbehoefte van professionals en hun cliënten in een aantal sectoren. Die sectoren zijn gezondheidszorg, sport, cultuur en veiligheid. De stichtingen verzamelen beschikbare kennis, delen de kennis, monitoren ontwikkelingen, geven cursussen en ontwikkelen richtlijnen.
  5. Kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling combineren hun beleidsondersteunend onderzoek met het geven van onderwijs. Het gaat dan om onderwijs aan (toekomstige) professionals van defensie en politie, aan diplomaten en aan mensen met andere internationaal georiënteerde functies.

Het volgende figuur toont de omvang van de vijf groepen publieke kennisorganisaties gebaseerd op omzet in 2019. De TO2-instellingen (48%) en de beleidsuitvoerende kennisorganisaties (35%) nemen samen meer dan driekwart van het taartdiagram in beslag.

Drie soorten financiering: institutioneel, project, overig

Publieke kennisorganisaties hebben diverse organisatievormen en ontvangen financiering onder verschillende voorwaarden. Wij maken in dit factsheet onderscheid tussen drie financieringsbronnen:

  1. Institutionele financiering wordt op structurele basis aan de publieke kennisorganisaties verstrekt door de rijksoverheid. Dit zijn jaarlijks terugkerende budgetten in de vorm van bijvoorbeeld een rijksbijdrage of een instellingssubsidie. Deze financiering wordt niet in competitie met andere organisaties verkregen.
  2. Projectfinanciering is financiering die publieke kennisorganisaties verwerven in competitie met andere partijen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om Europese onderzoekssubsidies (Horizon2020) of  om subsidies uit ZonMw-programma’s. Andere inkomsten in deze financieringsbron zijn contractonderzoek voor private en publieke partijen en kleine, eenmalige opdrachten van de overheid.
  3. Overige inkomsten zijn inkomsten die niet direct aan onderzoek of kennisintensieve dienstverlening gebonden zijn. Denk daarbij aan inkomsten uit licenties of uit verhuur. Niet in deze financieringsbron opgenomen zijn rentebaten en rentelasten.

Algemene financiële trends

De figuur hieronder toont hoe de inkomsten van de publieke kennisorganisaties zich tussen 2010 en 2019 hebben ontwikkeld. Tussen 2011 en 2014 dalen de inkomsten. Vanaf 2014 schommelen de inkomsten min of meer op hetzelfde niveau. In 2019 stijgen de inkomsten weer en liggen ze 2% onder het niveau van 2010.

De daling in de periode 2011-2014 zien we terug in de projectfinanciering (-8%) en institutionele financiering (-9%). De dalende projectfinanciering kwam met name door achterblijvende inkomsten uit contractonderzoek voor andere partijen. De tijdelijke opdrachten vanuit de overheid stegen ten opzichte van 2011 juist met 23 miljoen euro in 2014.

Na lichte schommelingen blijven in 2019 niet alleen de inkomsten stijgen uit tijdelijke opdrachten voor de rijksoverheid (+18 miljoen euro), maar stijgt ook de institutionele financiering (+97 miljoen euro). De groei in inkomsten is dus hoofdzakelijk het resultaat van extra investeringen door de rijksoverheid.

Trends binnen de vijf groepen

Het figuur hieronder splitst de inkomstenontwikkeling in twee periodes: de hele periode 2010-2019 en de deelperiode 2014-2019. Hieruit blijkt dat niet elke groep publieke kennisorganisaties eenzelfde financiële ontwikkeling kent. We lopen de vijf groepen hieronder langs.

Binnen de groep kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling wordt de daling volledig veroorzaakt door dalende inkomsten van de Politieacademie (-21%). De inkomsten van NLDA (+14%) en Clingendael (+50%) nemen juist toe.

Bij de TO2-instellingen stijgen de inkomsten in 2018 voor het eerst sinds 2010. Dit komt door een groei van de institutionele financiering met 14% (50 miljoen euro). Deze stijging van de totale inkomsten en de institutionele financiering geldt voor alle TO2-instellingen en zet door in 2019. Hij is hoofdzakelijk het gevolg van de investeringen in het toegepast onderzoek die voortkomen uit het regeerakkoord. Ook de opdrachten van de rijksoverheid stegen. Ondanks de stijging liggen de inkomsten in 2019 nog steeds 6% onder het niveau van 2010.

Binnen de groep planbureaus en departementale kennisinstellingen nemen de inkomsten van alle organisaties ten opzichte van 2010 toe, behalve bij het PBL (-8%). De groei over de periode 2014-2019 is toe te schrijven aan de drie planbureaus. Waar de inkomsten van het CPB en het SCP over deze periode gestaag stijgen, doen die van het PBL dat pas in 2018 door een toename van de projectfinanciering.

Bij de stichtingen zien we dat de inkomsten tot en met 2015 dalen met 8%. Deze daling vindt plaats bij zeven van de tien stichtingen. Vanaf 2016 stijgen de inkomsten weer, waarbij ze vanaf 2017 terug op het niveau van 2010 zijn. Dit herstel komt met name door veranderingen in de projectfinanciering, die tot en met 2015 met 13% afneemt en daarna weer met 16% groeit. De instellingssubsidie daalt in de periode 2010-2018, maar herstelt zich in 2019 en stijgt met 11% ten opzichte van 2010. 

De inkomsten van de beleidsuitvoerende kennisorganisaties komen in 2019 als groep boven het inkomstenniveau van 2010 uit. Dit komt doordat de inkomsten na 2014 weer zijn gaan stijgen. Dit geldt voor alle instellingen behalve voor het IFV, waar de inkomsten in de periode 2014-2019 met 10% dalen.

Over de data
Meer informatie