Financiering publieke kennisorganisaties

Geld

Factsheet

In deze factsheet geven we informatie over de financiële trends bij publieke kennisorganisaties zoals de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Trimbos-instituut. We laten hun inkomsten tussen 2010 en 2024 zien, zowel per inkomstenbron als per groep publieke kennisorganisaties. We houden hierbij ook rekening met de inflatie, waardoor duidelijk wordt dat de totale inkomsten in 2024, na een periode van relatieve krimp, weer op gelijke voet zijn met 2010.

In het kort

  • De totale inkomsten van publieke kennisorganisaties bedragen in 2024 3,4 miljard euro. Dat is 1 miljard euro meer dan in 2010. 60% van de inkomsten komt in 2024 structureel van het Rijk.
  • Als we rekening houden met de inflatie zijn de inkomsten in 2024, na een periode van relatieve krimp, weer op het niveau van 2010.
  • De inkomsten van de beleidsuitvoerende kennisorganisaties zijn het hardst gegroeid tussen 2010 en 2024, met name in de laatste vijf jaar.

Publieke kennisorganisaties doen onderzoek gericht op de ondersteuning van publieke, kennisintensieve taken. Het gaat om organisaties zoals de TNO, het NFI en het Trimbos-instituut. Ze zijn (deels) publiek gefinancierd en staan organisatorisch buiten de academische wereld van universiteiten, umc's en de instituten van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Taken en omvang

Publieke kennisorganisaties genereren, verzamelen en verspreiden kennis om het welzijn, de welvaart en de veiligheid van Nederland nu en in de toekomst veilig te stellen. Daarmee dragen ze bij aan de realisatie van de verantwoordelijkheden van de overheid (zoals voedselveiligheid) en aan de maatschappelijke doelen die de overheid stelt (zoals economische groei). Het bestaansrecht van de publieke kennisorganisaties ligt dan ook niet bij het onderzoek dat zij doen, maar bij de publieke belangen die zij daarmee borgen. Het werk van de organisaties wordt gedreven door de kennisbehoefte van overheden, bedrijven, industrie, politie, maatschappelijk werkers, patiënten en consumenten.

Het Rathenau Instituut onderscheidt, op basis van hun functie, vijf groepen publieke kennisorganisaties binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur: 

  1. Planbureaus en departementale kennisorganisaties zijn hoofdzakelijk gericht op beleidsondersteunend onderzoek. Ze monitoren maatschappelijke ontwikkelingen, brengen de (potentiële) consequenties van beleid in beeld en evalueren het beleid. Denk bijvoorbeeld aan het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) of het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC).
  2. TO2-instellingen ondersteunen het bedrijfsleven, de industrie en de overheid door het uitvoeren en/of faciliteren van veelal pre-competitief onderzoek en innovatie. Dat gebeurt vaak in consortia van overheden, bedrijven en kennisinstellingen. De TO2-instellingen beheren ook vaak grootschalige faciliteiten. Hiermee doen bijvoorbeeld Deltares toegepast onderzoek naar het water- en bodemsysteem en het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) naar betere lucht- en ruimtevaart.
  3. Sectorgeoriënteerde stichtingen combineren beleidsondersteunend onderzoek met een focus op de kennisbehoefte van professionals en hun cliënten in een aantal sectoren. Die sectoren zijn gezondheidszorg, sport, cultuur en veiligheid. De stichtingen verzamelen beschikbare kennis, delen de kennis, monitoren ontwikkelingen, geven cursussen en ontwikkelen richtlijnen. Zo dragen het Mulier Instituut (MI) met onderzoek bij aan de sportsector en Vilans aan de zorgsector.
  4. Kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling combineren hun beleidsondersteunend onderzoek met het geven van onderwijs. Het gaat dan om onderwijs aan (toekomstige) professionals van defensie en politie door de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en de Politieacademie.
  5. Beleidsuitvoerende kennisorganisaties ondersteunen de rijksoverheid door taken uit te voeren die invulling geven aan een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid. Voorbeelden zijn forensisch onderzoek door het NFI of het coördineren van het rijksvaccinatieprogramma door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Bij de methodologische toelichting onderaan dit factsheet is een volledig overzicht opgenomen met alle publieke kennisorganisaties ingedeeld naar groep.

De volgende figuur toont de omvang van de vijf groepen publieke kennisorganisaties gebaseerd op de omzet in 2024. De TO2-instellingen (46%) en de beleidsuitvoerende kennisorganisaties (38%) nemen samen meer dan driekwart van het taartdiagram in beslag. 

De totale inkomsten van publieke kennisorganisaties bedragen ruim 3,4 miljard euro voor 2024.

Soorten financiering

Publieke kennisorganisaties hebben diverse organisatievormen en ontvangen financiering onder verschillende voorwaarden. Wij maken in deze factsheet onderscheid tussen vier financieringsbronnen:

  1. Institutionele financiering wordt op structurele basis aan de publieke kennisorganisaties verstrekt door de rijksoverheid. Dit zijn jaarlijks terugkerende budgetten in de vorm van bijvoorbeeld een rijksbijdrage of een instellingssubsidie. Deze financiering wordt niet in competitie met andere organisaties verkregen.
  2. Projectfinanciering rijksoverheid is financiering voor projecten in opdracht van de rijksoverheid. Deze financiering wordt soms in competitie met andere partijen verworven, maar kan ook tot stand komen bij een directe eenmalige opdracht van de overheid.
  3. Projectfinanciering derden is financiering die publieke kennisorganisaties verwerven in competitie met andere partijen bij partijen anders dan de rijksoverheid. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om Europese onderzoekssubsidies (Horizon Europe) of om subsidies uit ZonMw-programma’s. Andere inkomsten in deze financieringsbron zijn contractonderzoek voor private en publieke partijen.
  4. Overige inkomsten zijn inkomsten die niet direct aan onderzoek of kennisintensieve dienstverlening gebonden zijn. Denk daarbij aan inkomsten uit licenties of uit verhuur. Niet in deze financieringsbron opgenomen zijn rentebaten en rentelasten.

In de onderstaande figuur zijn deze vier inkomstenbronnen weergegeven voor elke groep publieke kennisorganisaties. Dan valt op dat planbureaus en departementale kennisorganisaties, beleidsuitvoerende kennisorganisaties en kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling voor meer dan de helft van hun inkomsten afhankelijk zijn van institutionele financiering. TO2-instellingen en sectorgeoriënteerde stichtingen halen juist een groot deel van hun inkomsten uit projectfinanciering. Dit reflecteert een verschil in functie: te meer een organisatie gericht is op het beleidsondersteuning voor de rijksoverheid, te meer de inkomsten van de overheid komen.

Onder de streep zijn de inkomsten van publieke kennisorganisaties - na jaren van relatieve krimp - in 2024 even groot als in 2010.

Algemene financiële trends

De figuur hieronder toont hoe de inkomsten van de publieke kennisorganisaties zich tussen 2010 en 2024 hebben ontwikkeld. De totale inkomsten voor 2024 bedragen ruim 3,4 miljard euro. Dat is 1 miljard euro (+40%) meer dan in 2010. Het grootste deel van de totale inkomsten in 2024 komt uit institutionele financiering (60%). Daarna volgen de projectfinanciering rijksoverheid (19%), projectfinanciering derden (17%) en overige inkomsten (3%).

Tussen 2012 en 2018 dalen de inkomsten met 12%. Dit zien we terug in alle inkomstenbronnen behalve in projectfinanciering van de rijksoverheid. De projectfinanciering van derden partijen daalt in deze periode het sterkst (-31%), gevolgd door de overige opbrengsten (-30%). De institutionele financiering neemt in deze periode 56 miljoen af, terwijl de projectfinanciering van de rijksoverheid 57 miljoen toeneemt. Vanuit het rijk is onder Rutte II daarom sprake van een verschuiving van structurele financiering naar financiering op projectbasis.

Vanaf 2019 stijgen de inkomsten tot 2024 juist flink (+46%). De overheid heeft hierin onder Rutte III een groot aandeel: zowel de institutionele financiering als de projectfinanciering van de rijksoverheid nemen toe (+63% en +52%, samen goed voor ruim 1 miljard toename tussen 2019 en 2024). De overige inkomsten nemen ook toe (+67%). De projectfinanciering van derden blijft nagenoeg gelijk en herstelt dus niet.

Tegelijk met deze financiële trends is sinds 2010 de inflatie toegenomen en de afgelopen jaren extra hard. Hierdoor is €1 uit 2010 nog maar €0,71 waard in 2024. Door hiervoor te corrigeren, kunnen we beter begrijpen of de flink toegenomen inkomsten van de afgelopen jaren ook betekenen dat publieke kennisorganisaties daadwerkelijk meer kunnen doen dan in 2010. Daarom vergelijken we de inkomsten met het bedrag dat organisaties zouden ontvangen als hun inkomsten mee zouden stijgen met de bbp prijsindex (oftewel, de reële ontwikkeling sinds 2010).

Met deze correctie krimpen de totale inkomsten van publieke kennisorganisaties de eerste jaren extra hard. Het dieptepunt ligt in 2018, waar de inkomsten 17% minder waard zijn dan in 2010. In de jaren daarop trekken de inkomsten juist weer aan. Hierdoor zijn de inkomsten in 2024 relatief gezien weer even groot als in 2010. Dit komt met name door een ommekeer in de institutionele financiering: sinds 2018 stijgt die harder dan de inflatie.

De groei van 1 miljard tussen 2010 en 2024 is dus precies ‘opgegaan’ aan de inflatie in diezelfde periode. Onder de streep zijn de inkomsten van publieke kennisorganisaties - na jaren van relatieve krimp - in 2024 even groot als in 2010.

De inkomsten van de beleidsuitvoerende kennisorganisaties stijgen van alle groepen het hardst.

Trends binnen de vijf groepen

De figuur hieronder weergeeft de inkomstenontwikkeling over de periode 2010-2024. Hieruit blijkt dat niet elke groep publieke kennisorganisaties eenzelfde financiële ontwikkeling kent. We lopen de vijf groepen hieronder langs.

De groep planbureaus en departementale kennisinstellingen heeft sinds 2010 van alle groepen het minste te besteden. Hun inkomsten nemen ten opzichte van 2010 wel toe (+38%). Gecorrigeerd voor inflatie, zijn de inkomsten in 2024 echter ongeveer op hetzelfde niveau als 2010. Bij alle kennisorganisaties in deze groep groeien de inkomsten tussen 2010 en 2024. Bij het Centraal Planbureau (CPB) en het SCP stijgen de inkomsten harder dan inflatie, waardoor deze organisaties ook meer kunnen doen met hun geld. Bij het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) is er juist sprake van reële krimp: de inkomsten groeien minder dan de inflatie. Bij het WODC zijn de inkomsten in 2024 relatief gelijk met de inkomsten in 2010.

De inkomsten van de beleidsuitvoerende kennisorganisaties komen in 2024 gezamenlijk 79% boven het inkomstenniveau van 2010 uit. Hun inkomsten stijgen van alle groepen dan ook het hardst. Dit vertaalt zich ook naar de grootste reële groei (+28%) van alle groepen. Met name de inkomsten van het RIVM stijgen sterk. Dat heeft hoofdzakelijk te maken met de bestrijding van de coronapandemie. Voor vaccinatie- en onderzoeksprogramma's omtrent COVID-19 kregen zij in 2020 ruim 80 miljoen euro en in 2021 175 miljoen euro extra institutionele financiering. Hierdoor groeien de nominale inkomsten van het RIVM sinds 2010 met 96% en dan hoofdzakelijk vanaf 2019. Ook de inkomsten van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) groeien zo hard of zelfs harder. De inkomsten van het CBS nemen ook toe, maar als enige binnen deze groep niet genoeg om de inflatie bij te benen. Bij het CBS is daarom sprake van reële krimp, terwijl de andere organisaties reële groei doormaken.

De TO2-instellingen hebben samen het meeste te besteden. Na een aantal jaar krimp, groeien hun inkomsten vanaf 2018 weer. Daardoor zijn de inkomsten in 2024  hoger dan in 2010 (+20%). Dit is hoofdzakelijk het gevolg van de investeringen in het toegepast onderzoek die voortkomen uit het regeerakkoord van het kabinet Rutte III. Deze stijgende inkomsten zijn echter niet genoeg om de inflatie bij te houden en dus is de reële ontwikkeling -14% in 2024, waardoor de TO2-instellingen samen dan ook het meest krimpen van alle groepen ten opzichte van 2010. Hoewel bij alle TO2-instellingen de inkomsten sinds 2010 toenemen, betekent dit alleen bij MARIN en het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) reële groei. Bij Deltares, TNO (inclusief ECN, voor 2018) en Wageningen Research (WR) krimpen de inkomsten relatief gezien. 

De inkomsten van sectorgeoriënteerde stichtingen schommelen tussen 2010 en 2015 rond hetzelfde niveau, waarna ze beginnen te stijgen. Hierdoor nemen de inkomsten van deze groep sinds 2010 met 52% toe in 2024. De stichtingen maken daarmee samen een reële groei van 8% door. De inkomsten van het Mulier Instituut groeien het hardst vanaf 2010 (+250% in 2024), niet alleen van de stichtingen, maar ook van alle publieke kennisorganisaties. Daarmee maakt het Mulier Instituut de grootste reële ontwikkeling door (+99% in 2024). Ook de Boekmanstichting, Vilans en het Trimbos Instituut kunnen met hun inkomsten in 2024 meer doen dan in 2010. ARQ nationaal Psychotraumacentrum (ARQ) en VeiligheidNL kunnen met hun inkomsten in 2024 ongeveer evenveel doen als in 2010. Movisie is de enige organisatie (zowel binnen deze groep als van alle publieke kennisorganisaties) waarvan de inkomsten in 2024 zijn afgenomen ten opzichte van 2010, waardoor er sprake is van reële krimp. Ook Geonovum, Nivel, het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), het Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) en het Landelijk Kenniscentrum Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA) krimpen relatief ten opzichte van 2010 (of het eerste meetjaar), ondanks groeiende inkomsten. 

Binnen de groep kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling zijn de inkomsten in 2024, na een daling in de periode 2010-2017, toegenomen met 27% ten opzichte van 2010. Dit is onvoldoende om met de inflatie mee te groeien. De reële ontwikkeling is daarmee -12%. Dergelijke toegenomen inkomsten maar reële krimp geldt zowel voor de NLDA als voor de PA. Opvallend is dat de inkomsten van de PA, na jaren van krimp, de afgelopen vijf jaar hard groeien en vanaf 2024 volledig uit een rijksbijdrage bestaan.

Wat is een publieke kennisorganisatie?

Voor dit onderzoek hebben we een publieke kennisorganisatie gedefinieerd als een organisatie die het uitvoeren van onderzoek combineert met een of meer van de volgende vormen van kennisintensieve dienstverlening:

  • Beleidsondersteunend onderzoek: onderzoek dat leidt tot de informatie en kennis die nodig zijn voor de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid.
  • Beleidsuitvoering: bijdragen aan de uitvoering van publieke taken die bij de overheid zijn belegd, zoals vaccins inkopen en voedsel testen. Een aantal van deze taken is wettelijk vastgelegd en gedefinieerd als wettelijke (onderzoeks)taken.
  • Kennisontwikkeling voor stakeholders: inzetten van onderzoek en kennis ten behoeve van de ondersteuning en verbetering van de werkzaamheden van stakeholders.
  • Borging van kennis en faciliteiten: zeker stellen dat kennis, data en/of grote onderzoeksfaciliteiten op een efficiënte manier beschikbaar komen en blijven.
  • Opleiding: training en cursussen aanbieden voor (toekomstige) professionals, gericht op een specifiek beroep.

Om de publieke kennisorganisaties te identificeren, zijn de volgende criteria toegepast:

  1. Het is een ‘stenen’ organisatie, dat wil zeggen een instituut met een gebouw en geen ‘virtueel’ instituut.
  2. De organisatie is geen onderdeel van de academische onderzoekswereld, die wordt gevormd door de universiteiten, de umc’s en de instituten van NWO en de KNAW.
  3. Onderzoek of kennisverzameling is een hoofdtaak van de organisatie. Die hoofdtaak wordt gecombineerd met kennisintensieve dienstverlening.
  4. De organisatie behoort tot het publieke domein en draagt bij aan de kennisbehoefte en/of uitvoering van verantwoordelijkheden van ten minste één ministerie.
  5. De organisatie heeft hiervoor een beheersmatige relatie met ten minste één ministerie:
    • De organisatie ontvangt structurele financiering van ten minste één ministerie, en
    • Ten minste één ministerie oefent invloed uit op de werkzaamheden van de organisatie.

Waarom onderzoeken we deze groep instellingen?

Wat de publieke kennisorganisaties uniek maakt is dat de combinatie van onderzoek en een van de hierboven beschreven vormen van kennisintensieve dienstverlening hun kerntaak is en bestaansrecht vormt – en niet ten dienste staat van of is ontwikkeld in samenhang met andere taken die de organisatie primair uitvoert.

Lange tijd ontbrak een gemeenschappelijk kader om de taak en positie van deze instituten te beschrijven en te begrijpen – en bleven dit onderdeel van de Nederlandse kennisinfrastructuur en haar functies buiten beeld. Met dit onderzoek maken we zichtbaar dat er organisaties zijn die speciaal voor deze doeleinden zijn opgericht, hoeveel daarin wordt geïnvesteerd en welke rol en functies deze organisaties in het kennisecosysteem vervullen. Het onderzoek leidde in 2016 tot een feiten en cijfers publicatie. De kerngegevens uit die publicatie worden jaarlijks geüpdatet in de factsheet die u nu voor u heeft.

Afbakening van de selectie

In dit onderzoek hebben we alleen gekeken naar organisaties wiens bestaansrecht alleen ligt bij de combinatie van onderzoek met een van de hierboven gedefinieerde taken. Door deze afbakening kunnen we dit type taken en de specifiek daarvoor opgerichte kennisinfrastructuur op een betekenisvolle manier onderzoeken. Zo maken we inzichtelijk dat er organisaties zijn die speciaal voor deze doeleinden zijn opgericht, wie daarin investeert en welke rol en functie deze organisaties in het kennisecosysteem vervullen.

Maar dit zijn niet de enige organisaties die deze kennisintensieve taken uitvoeren. Ook instellingen voor hoger onderwijs (universiteiten, hogescholen en universitair medisch centra) vervullen dusdanige taken. Daarnaast kan dit type taken, bijvoorbeeld door historisch gegroeide verbanden of besluiten van de overheid, ook bij andere kennisintensieve organisaties liggen, zoals zorginstellingen, uitvoeringsinstanties of musea – soms op verzoek van de overheid. Denk bijvoorbeeld aan het praktijkgericht onderzoek aan de hogescholen en het onderzoek bij topklinische ziekenhuizen en GGZ-instellingen.

Deze constatering dat de taken die we hier omschrijven niet alleen en exclusief bij publieke kennisorganisaties liggen, maakt dat de grenzen van de groep publieke kennisorganisaties niet haarscherp zijn af te bakenen.

In ons onderzoek en in deze factsheet kiezen we ervoor om instellingen die deze functie combineren met andere maatschappelijke en vaak wettelijk gedefinieerde en afgebakende taken, zoals universiteiten, musea, bibliotheken, adviesraden of zorginstellingen, niet mee te nemen. Daarmee zouden we het doel van het onderzoek voorbij schieten. Ten eerste zou daarmee de definitie van een publieke kennisorganisatie verwateren, met als risico dat deze betekenisloos wordt. Ten tweede zouden er dan veel middelen in de analyse terechtkomen, die niet aan de hierboven beschreven taken verbonden zijn, waardoor steeds minder helder wordt wat we als samenleving aan deze taken uitgeven. 

De verwachting is dat vervlechting van onderzoek in andere typen organisaties steeds vaker zal voorkomen, vanwege het groeiende belang dat wordt gehecht aan samenwerking en integratie van kennis uit (wetenschappelijk) onderzoek en praktijk. Het is dan ook belangrijk om bij de ontwikkeling van beleid ook de rol en bijdragen te erkennen van andere kennisintensieve organisaties waarin deze taken vervlochten zijn.

Indeling publieke kennisorganisaties

Planbureau's en departementale kennisorganisaties 

  • Centraal Planbureau (CPB)
  • Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)
  • Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)
  • Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)

Beleidsuitvoerende kennisorganisaties 

  • Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
  • Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV)
  • Nederlands Forensisch Instituut (NFI)
  • Koninklijke Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)
  • Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

TO2-instellingen    

  • Deltares
  • Maritime Research Institute Netherlands (MARIN)
  • Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR)
  • Nederlandse Organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO)
  • Wageningen Research (WR)

Sectorgeoriënteerde stichtingen    

  • Stichting ARQ
  • Boekmanstichting
  • Geonovum
  • Landelijk Kenniscentrum Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA)
  • Movisie
  • Mulier Instituut (MI)
  • Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Eerstelijnsgezondheidszorg (Nivel)
  • Nederlands Jeugdinstituut (NJi)
  • Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV)
  • Trimbos Instituut (TI)
  • VeiligheidNL
  • Vilans

Kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling

  • Nederlands Defensie Academie (NLDA)
  • Politieacademie (PA)

Inflatiecorrectie

Voor het corrigeren van de inkomsten voor de inflatie gebruiken we de prijs bbp (bruto binnenlands product) uit de meest recente raming van het CBP. We berekenen wat de inkomsten van publieke kennisorganisaties per jaar zouden zijn als hun inkomsten uit 2010 1-op-1 met de inflatie mee waren gegroeid. Hiermee normaliseren we vervolgens de nominale inkomsten, om zo de reële ontwikkeling van organisaties ten opzichte van 2010 in % uit te drukken.

In het rapport Publieke kennisorganisaties - Feiten en Cijfers staat meer informatie over hoe het Rathenau Instituut de oorspronkelijke financieringsbronnen van de individuele organisaties heeft verdeeld over de in deze factsheet gebruikte categorieën. Daarnaast zijn de volgende opmerkingen van belang voor een correcte interpretatie van de gegevens in deze factsheet:

  • Van de FMW-NLDA zijn cijfers beschikbaar vanaf 2012, voor stichting ARQ vanaf 2014. Het LKCA is opgericht in 2013.
  • Voor TNO en Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) zijn de enkelvoudige cijfers opgenomen. De cijfers van ECN zijn exclusief ECN Holding (o.a. NRG), de cijfers van TNO zijn exclusief TNO Bedrijven. Geconsolideerde cijfers kunt u vinden in de datapublicaties Inkomsten van grote technologische instituten naar financieringsbron en Inkomsten van TNO naar financieringsbron.
  • Vanaf 2018 is ECN opgegaan in TNO als ECN part of TNO. Dit heeft in principe geen gevolgen voor de omvang van de totale inkomsten van de publieke kennisorganisaties en de groep TO2. Wel is het zo dat we hierdoor geen individuele conclusies over TNO kunnen trekken wat betreft 2017-2018.
  • Vanwege ontbrekende gegevens zijn voor sommige organisaties gegevens uit een omliggend jaar gebruikt. Zie hiervoor het databestand, onderaan deze factsheet te downloaden.

Een uitleg van de gebruikte definities en afkortingen staat op de webpagina definities en afkortingen.

Bronnen

De data over de financiering van publieke kennisorganisaties komen ten eerste uit jaarverslagen, -rekeningen of -berichten, vaak online gepubliceerd. Organisaties zijn echter niet verplicht hun financiële verantwoording te publiceren. Daarom vragen we ten tweede informatie bij organisaties zelf op. De informatie van het meest recente jaren (2024 & 2023) hebben we als volgt verkregen:

Jaarverslag en/of rekening: Boekmanstichting, CBS, Geonovum, LKCA, Movisie, MI, NFI, NIPV, NJi, NLDA, PA, SWOV, TI, TNO, RIVM, VeiligheidNL, Vilans, WR.

Opgave: CPB, Deltares, KNMI, MARIN, NLR, Nivel, PBL, SCP en WODC.

Downloads