Ordening van de Nederlandse kennisinfrastructuur
Hoe ziet de Nederlandse kennisinfrastructuur eruit? En welke organisaties zijn betrokken bij R&D? In deze factsheet beschrijven we de Nederlandse kennisinfrastructuur op basis van de belangrijkste uitvoerende organisaties, publiek en privaat. We beschrijven de rol van R&D binnen bedrijven, het hoger onderwijs en publieke onderzoeksinstellingen.
In het kort
- R&D wordt uitgevoerd door bedrijven, hogeronderwijsinstellingen, umc’s, en publieke onderzoeksinstellingen.
- Bedrijven zijn niet alleen de grootste uitvoerders van R&D, maar ook de grootste financiers.
- Waar hogeronderwijsinstellingen op veel onderwerpen onderzoek verrichten, zijn publieke onderzoeksinstellingen vaak in een of enkele onderzoeksvelden gespecialiseerd.
In 2023 werd € 24,2 miljard uitgegeven aan Research & Development, uitgevoerd in Nederland (Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), voorlopige cijfers). Bedrijven zijn met € 14,2 miljard de grootste financier (59 procent), gevolgd door de overheid met € 7,1 miljard (29 procent). De overige financiering komt van private non-profitorganisaties, van hogeronderwijsinstellingen en uit het buitenland.
Als we kijken naar de organisaties waar de uitgaven aan R&D naartoe gaan, zien we dat bedrijven niet alleen de grootste financiers, maar ook de grootste uitvoerders van R&D zijn. Zij voeren 69 procent van het onderzoek uit. Hogeronderwijsinstellingen voeren 26 procent van het onderzoek uit en de rest wordt uitgevoerd door publieke onderzoeksinstellingen.
| Van | Naar | Miljoen euro |
| Bedrijven | Bedrijven | 13613 |
| Bedrijven | Hoger Onderwijs | 370 |
| Bedrijven | Publieke onderzoeksinstellingen | 197 |
| Overheid | Bedrijven | 1198 |
| Overheid | Hoger Onderwijs | 5045 |
| Overheid | Publieke onderzoeksinstellingen | 808 |
| PNP & HO | Bedrijven | 156 |
| PNP & HO | Hoger Onderwijs | 359 |
| PNP & HO | Publieke onderzoeksinstellingen | 27 |
| Buitenland | Bedrijven | 1745 |
| Buitenland | Hoger Onderwijs | 553 |
| Buitenland | Publieke onderzoeksinstellingen | 134 |
In deze factsheet zullen we nader ingaan op de uitvoerende organisaties van R&D. Allereerst zullen we ingaan op de bedrijven. Vervolgens op de hogeronderwijsinstellingen, onderverdeeld naar universiteiten, universitair medische centra (umc's) en hogescholen. Tot slot komen de publieke onderzoeksinstellingen aan bod, onderverdeeld naar NWO- en KNAW-instituten en publieke kennisorganisaties (PKO's), zoals planbureaus, het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), en de Toegepast Onderzoek Organisaties (TO2-instellingen).
- Bedrijven
- Hogeronderwijsinstellingen
- universiteiten
- umc's
- hogescholen
- Publieke onderzoeksinstellingen
- NWO- en KNAW-instituten
- Publieke kennisorganisaties.
1. Bedrijven
Het meeste onderzoek in Nederland gebeurt binnen bedrijven. Het CBS meldt over 2023 een totaalbudget van R&D-investeringen van € 17 miljard dat besteed wordt door 19.387 bedrijven (in 2021, cijfers over aantallen bedrijven voor 2023 nog niet beschikbaar). Vanuit de overheid worden R&D-activiteiten binnen bedrijven gestimuleerd door fiscale steun. De belangrijkste fiscale maatregelen voor R&D zijn de Wet bevordering speur en ontwikkelingswerk (WBSO) en de Innovatiebox. De WBSO bestaat sinds 1994. Via de WBSO kunnen bedrijven hun af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen over personele kosten op het gebied van speur- en ontwikkelingswerk verminderen. De Innovatiebox stamt uit 2010 en verlaagt het effectieve belastingtarief over winst die voortkomt uit R&D of innovatieactiviteiten.
Bedrijven in de industriële sector investeren het meest in R&D (€ 8,4 miljard in 2023). Twee derde van alle private investeringen in R&D (€ 11,3 miljard in 2023) wordt besteed door grote bedrijven (250+ medewerkers). Voorbeelden in deze categorie zijn sterk op R&D gerichte bedrijven als ASML, Philips, Booking.com, TomTom en Shell. Naast de industrie wordt het meest geïnvesteerd vanuit de dienstverlening (€ 3,2 miljard in 2023).
Nederlandse bedrijven besteden een deel van het onderzoeksgeld in Nederland en een deel in het buitenland. Omgekeerd zijn er multinationals van buiten Nederland die een deel van hun research in Nederland uitvoeren zoals Tata steel en Danone. In de datapublicatie Financieringsstromen R&D van bedrijven van en naar het buitenland geven we inzicht in R&D van bedrijven van en naar het buitenland.
Alle cijfers over 2023 zijn voorlopig.
2. Hogeronderwijsinstellingen
2a. Hoger onderwijs: de universiteiten
De wettelijke basis voor het functioneren van de universiteiten is geregeld in de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW). De universiteiten doen naast onderwijs en onderzoek ook aan valorisatie van kennis. De veertien grootste publiek bekostigde Nederlandse universiteiten zijn verenigd in Universiteiten van Nederland (UNL). Daarnaast zijn er nog vijf kleinere universiteiten. Dit zijn levensbeschouwelijke universiteiten en de transnationale Universiteit Limburg.
De financiering van de universiteiten is afkomstig uit drie typen geldstromen:
- De eerste geldstroom: rechtstreeks door de overheid op basis van een lumpsumfinanciering.
- De tweede geldstroom: de overheidsfinanciering die via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) wordt verdeeld. De financiering van NWO heeft de vorm van subsidies voor onderzoekers die voor een belangrijk deel in competitie worden verdeeld, en de financiering van onderzoeksfaciliteiten. Daarnaast omvat de tweede geldstroom ook subsidies van ZonMW en KNAW.
- De derde geldstroom: het gaat hierbij om financiering van onderzoek en onderwijs uit publieke en private bronnen; opdrachtonderzoek van onder andere overheden, bedrijven, charitatieve fondsen en buitenlandse financieringsbronnen, zoals Horizon Europe.
Cijfers over de inkomsten van de universiteiten laten zien dat het gaat om een bedrag van € 10,6 miljard (2024), waarvan € 6,4 miljard onderzoeksgerelateerd is. Deze bedragen zijn inclusief de umc’s en voorlopige cijfers.
2b. Hoger onderwijs: de universitair medische centra (umc’s)
Alle zeven umc’s, verenigd in UMCNL, zijn samenwerkingsverbanden tussen een academisch ziekenhuis en de medische faculteit van een universiteit. Ze zijn ontstaan in de periode van 1983 (AMC) tot en met 2008 (MUMC+). In 2018 zijn het Academisch Medisch Centrum (AMC) en VU medisch centrum (VUmc) bestuurlijk gefuseerd en werken ze samen onder de naam Amsterdam UMC. De umc’s combineren onderwijs en opleidingen van medici met medisch wetenschappelijk onderzoek en patiëntenzorg (waaronder topklinische zorg). Doordat opleidingen en patiëntenzorg onder één dak worden uitgevoerd is er constante terugkoppeling tussen vernieuwingen in de beroepspraktijk en de opleidingen. De combinatie van medisch wetenschappelijk onderzoek en patiëntenzorg zorgt voor een hoge kwaliteit van beide. Niet alleen de taken, ook het wettelijke kader waarbinnen de umc’s werken is veelzijdig. Naast de WHW, is ook de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) en diverse wetten voor de patiëntenzorg op de umc’s van toepassing.
De totale werkgelegenheid van de umc’s bedraagt ruim 63.000 fte (voor patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek tezamen) waarvan circa 30% personeel met een onderzoekstaak.
De financiering bestaat uit verschillende bronnen en categorieën: rijksbijdragen van het (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)), bijdragen voor patiëntenzorg, en bijdragen uit competitie (bedrijven, EU, NWO/ZonMw). De totale bedrijfsopbrengsten van de zeven umc’s tezamen bedraagt € 12,6 miljard in 2024 (CBS, voorlopige cijfers). In 2019 was ongeveer 30% van de totale bedrijfsopbrengsten onderzoeksgerelateerd. Recente cijfers ontbreken.
2c. Hoger onderwijs: de lectoraten aan de hogescholen
Bij de lectoraten wordt praktijkonderzoek gedaan dat een brug wil slaan tussen wetenschappelijke kennis en de kennisinnovatie door professionals in de publieke en private sector. De wettelijke basis is de WHW. Initieel hadden de universiteiten het exclusieve recht om academische graden te verlenen die een voorwaarde zijn voor een onderzoekersfunctie. Maar in 2023 zijn hogescholen gestart met een pilot voor een eigen doctoraatstraject: de Professional Doctorate.
De lectoraten aan de 36 hogescholen zijn sinds het begin van deze eeuw gestart. Het aantal lectoren voor het praktijkgerichte onderzoek op hbo-opleidingen is tussen 2007 en 2024 gestegen van 270 naar 789. De totale werkgelegenheid van de lectoraten is 3.556 fte waarvan 553 fte lectoren, 1.810 fte docent-onderzoekers, 369 fte promovendi, 54 fte postdocs, 47 fte professional doctorate kandidaten en 723 fte ondersteunend personeel. Financiering van de lectoraten geschiedt uit de lumpsumfinanciering van de hogescholen, uit de subsidies van regieorgaan praktijkgericht onderzoek SIA van NWO en uit internationale en regionale bronnen (EU, bedrijven, regionale investeringsmaatschappijen). De totale bedragen waar alle lectoraten tezamen mee werken bedraagt € 511 miljoen (2024).
3. Publieke onderzoeksinstellingen
3a. Onderzoeksinstituten: de NWO- en KNAW-instituten
De organisaties NWO en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) hebben een eigen functie in het academische landschap. NWO is (samen met ZonMw) een belangrijke financier van onderzoek, ook bij de universiteiten. Naast deze functie heeft NWO ook negen eigen onderzoekinstituten waar ongeveer 1.673 fte werken (jaarverslag NWO-Instituten 2024). De wettelijke basis ligt in de Wet op de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO-wet). In 2024 heeft de moederorganisatie, NWO, 1.6 miljard aan totale baten (jaarverslag NWO 2024). De baten van de NWO-instituten zijn 285 miljoen (jaarverslag NWO-Instituten 2024).
De KNAW kent tien specifieke onderzoekinstituten, twee instituten die infrastructuur bieden voor onderzoek en twee gelieerde instituten. De wettelijke basis ligt in de WHW. De totale werkgelegenheid bij deze instituten is 1.275 fte in 2024, waarvan 47% onderzoeks-fte betreft. De totale baten van de KNAW bedroegen € 194 miljoen in 2024. Voor de KNAW-instituten wordt € 154 miljoen gerapporteerd (jaarverslag KNAW 2024). De onderzoeksgerelateerde omzet van NWO- en KNAW-instituten bedroeg € 393 miljoen in 2024.
KNAW en NWO worden voor het grootste deel van hun inkomsten betaald uit de rijksbijdrage waarbij de KNAW-instituten daarnaast ruim 30% gefinancierd worden uit onderzoekssubsidies en opdrachten van derden (jaarverslag KNAW 2024).
3b. Onderzoeksinstituten: de publieke kennisorganisaties
De publieke kennisorganisaties (PKOs) kenmerken zich door de combinatie van onderzoek en kennisintensieve dienstverlening en zijn gericht op een specifiek onderwerp of domein. Voorbeelden zijn het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Wij identificeerden deze groep in 2016 in de Feiten en Cijfers publicatie nr. 17 en updaten de kennis over deze groep instellingen periodiek in ons factsheet over de financiering van publieke kennisorganisaties. PKOs genereren, verzamelen en verspreiden kennis om het welzijn, de welvaart en de veiligheid van Nederland nu en in de toekomst veilig te stellen. Daarmee dragen ze bij aan de realisatie van de verantwoordelijkheden van de overheid (zoals voedselveiligheid) en aan de maatschappelijke doelen die de overheid stelt. Ieder PKO is qua governance verbonden aan een van de kerndepartementen, maar gezamenlijk functioneren ze voor de ministeries van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW); Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); Economische Zaken en Klimaat (EZK); Infrastructuur en Waterstaat (I&W); Defensie; Veiligheid en Justitie (V&J); en Buitenlandse Zaken (BuZa). Een aantal van deze kennisorganisaties kent een eigen wetgeving (zoals de wet op het RIVM), bij andere is het wettelijk kader neergelegd in regelingen. Daarnaast kennen sommige PKO's een rechtspersoon in de vorm van een stichting.
Op basis van hun functie onderscheiden we vijf groepen publieke kennisorganisaties binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur:
- Planbureaus en departementale kennisorganisaties zijn hoofdzakelijk gericht op beleidsondersteunend onderzoek. Ze monitoren maatschappelijke ontwikkelingen, brengen de (potentiële) consequenties van beleid in beeld en evalueren het beleid.
- Beleidsuitvoerende kennisorganisaties ondersteunen de Rijksoverheid door taken uit te voeren die invulling geven aan een verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid. Voorbeelden zijn forensisch onderzoek, het testen van voedingsmiddelen en het coördineren van het rijksvaccinatieprogramma. De organisaties zijn RIVM, NFI, KNMI, Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) en CBS.
- TO2-instellingen ondersteunen het bedrijfsleven, de industrie en de overheid door het uitvoeren en/of faciliteren van veelal pre-competitief onderzoek en innovatie. Dat gebeurt vaak in consortia van overheden, bedrijven en kennisinstellingen. De TO2-instellingen beheren ook vaak grootschalige faciliteiten. TO2-instellingen zijn: De Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), Wageningen Research, Deltares, Maritiem Research Instituut Nederland (Marin), en Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR).
- Sectorgeoriënteerde stichtingen combineren beleidsondersteunend onderzoek met een focus op de kennisbehoefte van professionals en hun cliënten in een aantal sectoren. Die sectoren zijn gezondheidszorg, sport, cultuur en veiligheid. De stichtingen verzamelen beschikbare kennis, delen de kennis, monitoren ontwikkelingen, geven cursussen en ontwikkelen richtlijnen.
- Kennisorganisaties met een opleidingsdoelstelling combineren hun beleidsondersteunend onderzoek met het geven van onderwijs. Het gaat dan om onderwijs aan (toekomstige) professionals van defensie en politie, aan diplomaten en aan mensen met andere internationaal georiënteerde functies.
De financiering van de publieke kennisorganisaties is per instituut verschillend en bestaat uit instituutsfinanciering door de departementen, opdrachten van de Rijksoverheid, en contractactiviteiten uit binnen- en buitenland. De totale inkomsten van de PKOs zijn € 3,5 miljard (2024).
Overzicht onderzoeksgerelateerde uitgaven van hoger onderwijs en publieke onderwijsinstellingen
Om alle bedragen van het hoger onderwijs en de publieke onderwijsinstellingen in perspectief te plaatsen wordt in onderstaande figuur een indicatie gegeven van de omvang van de onderzoeksgerelateerde uitgaven in 2024 (voorlopige cijfers).