Het wetenschaps- en innovatiebeleid

Beleid en structuur

Factsheet

In Nederland is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) verantwoordelijk voor het stelsel van onderzoek en wetenschap. Het onderzoeks- en wetenschapsbeleid van OCW is erop gericht om dit stelsel toekomstbestendig te maken. De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is verantwoordelijk voor het innovatiebeleid voor het bedrijfsleven. Het innovatiebeleid van EZK is gericht op duurzame welvaartsgroei. Daarnaast voeren andere ministeries ook beleid om onderzoek en innovatie voor hun eigen beleidsagenda’s te stimuleren, bijvoorbeeld op het gebied van zorginnovaties (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), waterveiligheid (ministerie van Infrastructuur en Waterstaat), en een sterke en slimme krijgsmacht (ministerie van Defensie). In deze factsheet gaan we in op het wetenschapsbeleid van OCW en het innovatiebeleid van EZK, en schetsen we op hoofdlijnen de beleidsagenda’s en beleidsinstrumenten.

In het kort

  • Het doel van het huidige wetenschapsbeleid is een sterk en duurzaam stelsel van hoger onderwijs en wetenschap. Instrumenten om dit te bereiken zijn financiering, wet- en regelgeving, en bestuurlijk overleg met wetenschapsorganisaties.
  • Een centrale doelstelling van het innovatiebeleid voor bedrijven is om in 2030 3% van het bruto binnenlands product uit te geven aan publieke en private investeringen in R&D. De Nationale Technologiestrategie speelt de komende jaren een belangrijke rol.
  • Wetenschaps- en innovatiebeleid worden ook gestuurd door Europees beleid. Dit staat in het teken van de vergroting van samenwerking, welvaart, welzijn, concurrentievermogen, groei en werkgelegenheid.

1. Wetenschapsbeleid

Het Aan de slag - Coalitieakkoord 2026-2030 vormt het uitgangspunt voor het wetenschapsbeleid van het huidige kabinet-Jetten. Het akkoord zet - na een periode van forse bezuinigingen tijdens kabinet-Schoof – stevig in op wetenschap en innovatie. De belangrijkste pijlers van dit akkoord zijn investeringen in wetenschappelijk onderzoek dat aansluit bij de grote actuele uitdagingen van deze tijd, het versterken van samenwerking en het bieden van perspectief voor talent. De beoogde beleidsmaatregelen van dit minderheidskabinet omvatten: 

  • Structurele investeringen richting de Lissabon-doelstelling van 3% bruto binnenlands product (bbp) aan publieke en private R&D-investeringen;
  • Samenwerking tussen universiteiten en specialisatie van universiteiten wordt gestimuleerd, in tegenstelling tot concurrentie op studentenaantallen. Aansluiting van opleidingen op de arbeidsmarkt wordt steviger getoetst bij her-accreditaties;
  • Een talentstrategie om het juiste (internationale) talent aan te trekken en te behouden;
  • Valorisatie van kennis krijgt extra aandacht. Zo worden campussen, als schakel tussen onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven, versterkt;
  • Kennisinstellingen, veiligheidsdiensten en overheid werken samen aan kennisveiligheid. Een screeningswet moet ervoor zorgen dat het screenen van onderzoekers van buiten de Europese Unie mogelijk wordt indien noodzakelijk. 

In de laatste Beleidsbrief vervolgonderwijs, onderzoek en wetenschap uit maart 2025 zijn de accenten van het wetenschapsbeleid van kabinet-Schoof uitgewerkt. Het doel is een toekomstbestendig stelsel van onderwijs en wetenschap, binnen een context van dalende studentenaantallen, forse bezuinigingen en grote maatschappelijke uitdagingen zoals de energietransitie, veiligheid, cybersecurity en vergrijzing. Onderwijs en wetenschap worden daarbij aangemerkt als onmisbaar voor “een goed functionerende arbeidsmarkt, voor innovatievermogen en voor een sterke rechtsstaat”. 

De volgende doelen krijgen daarbij prioriteit: 

1. Het stelsel weerbaarder maken voor dalende studentenaantallen: Dalende studentenaantallen kunnen een reden zijn voor instellingen om opleidingen of onderzoek stop te zetten. Dit kan een bedreiging zijn voor de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van vervolgonderwijs. Beleidsinterventies omvatten aanpassingen in de bekostigingssystematiek en budget voor behoud en transitie van het opleidingsaanbod in sterk krimpende regio’s. 

2. Meer bijdragen aan maatschappelijke opgaven: Onderzoek en onderwijs moeten effectiever bijdragen aan maatschappelijke uitdagingen door gerichter op te leiden voor specifieke sectoren en door meer verbinding te leggen tussen wetenschap en maatschappij. Beleidsinterventies zijn bijvoorbeeld gericht op het behouden van toptalent, internationale samenwerking en kennisveiligheid, investeringen in praktijkgericht onderzoek op hogescholen en het ondersteunen van wetenschappers en ondernemers middels advies en middelen bij de commercialisatie van biotechnologiekennis.       

Doel is het stelsel weerbaarder maken voor dalende studentenaantallen. Ook moeten onderzoek en onderwijs effectiever bijdragen aan maatschappelijke uitdagingen.

Instrumenten wetenschapsbeleid

De overheid speelt op drie manieren een rol in het wetenschapsbeleid, namelijk via financiering, wet- en regelgeving en in de dialoog met betrokkenen.

1. Financiering

De overheid financiert de instellingen voor hoger onderwijs (de universiteiten, de universitaire medische centra en de hogescholen) en een aantal onderzoeksinstituten (zoals de instituten voor toegepast onderzoek (TO2), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)) op basis van een directe en structurele bijdrage, met als belangrijk doel het in stand houden van de onderzoeksinfrastructuur. Daarnaast financiert de overheid direct en indirect onderzoek aan onderzoeksinstituten op basis van projecten of programma's, veelal via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en ZonMw.

2. Wet- en regelgeving

Een aantal wetenschapsorganisaties heeft directe banden met de overheid. Naast een financieringsrelatie bestaat er vaak ook een relatie die is gebaseerd op wet- en regelgeving. Dit geldt bijvoorbeeld voor de universiteiten en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschap (KNAW), de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI)NWO en de rijkskennisinstellingen, zoals het Centraal Planbureau. In de wetgeving zijn de taken, verantwoordelijkheden en activiteiten van de betrokken organisaties vastgelegd. Daarnaast is de rol (bevoegdheden) van de overheid ten aanzien van de organisatie vastgelegd, zoals het doen van benoemingen of het vaststellen van documenten. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is verantwoordelijkheid voor het stelsel van TO2-instellingen (TNO, Deltares, MARIN, NLR en Wageningen Research). 

3. Bestuurlijk overleg met wetenschapsorganisaties

Dialoog en overleg zijn belangrijk in de relatie tussen overheid en instelling. In dit dialoog kunnen nadere afspraken worden gemaakt, kunnen problemen worden besproken, of andere zaken aan de orde komen.


Overzicht beleid en financiers publiek onderzoek

Wetenschapsbestel
Bron: R&D-data van 2023 van Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Cijfers zijn voorlopig. Het aandeel van de financiering van de overheid voor de hoger onderwijsinstellingen en publieke onderzoeksinstituten via de financierende organisaties is een benadering op basis van TWIN 2023-2029 (Rathenau Instituut). Dit cijfer is inclusief de financiering van de NWO- en KNAW-instituten.

4. Monitoring

Om zicht te houden op de voortgang, begroting en ter verantwoording wordt het wetenschapsbeleid gemonitord middels beleidsindicatoren. De beleidsindicatoren zijn gerangschikt naar beleidsprioriteiten en subthema’s. Voor begrotingsjaar 2026 zijn de volgende beleidsprioriteiten voor wetenschap gedefinieerd:  

  1. Een sterke basis en hoge kwaliteit: Onderwijs en wetenschap van hoge kwaliteit zijn nodig voor een weerbare samenleving met voldoende en kwalitatief hoogwaardig menselijk kapitaal. Basisvaardigheden zoals goed kunnen lezen en schrijven, informatie kritisch kunnen verwerken en zelfstandig een afgewogen mening kunnen vormen maken de samenleving weerbaar. Daarnaast is het doel om de maatschappelijke impact van kennis uit onderzoek te vergroten.
  2. Sociale veiligheid en gelijke behandeling: Een sociale veilige omgeving is een belangrijke voorwaarde voor onderwijs en wetenschap van hoge kwaliteit.
  3. Iedereen is nodig: Een goede opleiding, (digitale) vaardigheden en kritisch kunnen denken zijn essentieel voor de economische ontwikkeling en het aanpakken van grote transities. Iedereen is nodig in de steeds krapper wordende arbeidsmarkt, ook in het kader van brede welvaart en sociale cohesie.
De Nationale Technologiestrategie (NTS) is een belangrijke bouwsteen voor het strategisch technologiebeleid.

2. Het innovatiebeleid voor bedrijven

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is verantwoordelijk voor het innovatiebeleid voor het bedrijfsleven waarin drie strategische doelen centraal staan (tekst in belangrijke mate gebaseerd op de begrotingsstaten van het Ministerie van EZK voor het jaar 2026).

1. Het bevorderen van een innovatieve, concurrerende en weerbare economie voortbouwend op de sterktes van de Nederlandse ecosystemen met een sterke positionering op de groeimarkten van de toekomst; 

Innovatie is van belang voor economische groei en welvaart, maar ook voor het aanpakken van grote maatschappelijke vraagstukken, zoals bijvoorbeeld op het gebied van landbouw en de energietransitie. Door een combinatie van generiek en specifiek industrie- en innovatiebeleid stimuleert het kabinet investeringen in R&D. 

Het doel van het kabinet is om de publieke en private investeringen in R&D te laten stijgen tot 3% van het bruto binnenlands product in 2030. In juli 2025 presenteerde toenmalig minister van EZ Karremans de kamerbrief ‘Investeren in een weerbare en toekomstbestendige economie: het 3% R&D-actieplan’ met negen concrete voorstellen om meer private investeringen in technologie en innovatie te mobiliseren. Een aantal van deze voorstellen zijn inmiddels opgenomen in het huidige coalitieakkoord, zoals het voornemen om een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie op te richten en de experimenteerruimte voor R&D-intensieve start- en scale-ups te vergroten. Het kabinet zet tevens in op valorisatie van kennis bij publieke instellingen en het vergroten van innovatieve toepassingen door effectieve samenwerking in innovatie ecosystemen.

De Nationale Technologiestrategie (NTS) is daarbij een belangrijke bouwsteen voor het strategisch technologiebeleid. De NTS identificeert 10 prioritaire sleuteltechnologieën waar het Nederlandse kennisveld en het Nederlandse bedrijfsleven een positieve impact mee kunnen maken en waarin een unieke Nederlandse positie mogelijk is. 

De afgelopen jaren stond het missiegedreven innovatiebeleid centraal in het bedrijvengerichte innovatiebeleid. De publiek-private samenwerking staat daarbij in het teken van het ontwikkelen van kennis en innovaties die helpen bij het aanpakken van maatschappelijke problemen langs vijf missies:

  1. Energietransitie: Nederland klimaatneutraal in 2050;
  2. Circulaire economie: Nederland volledig circulair in 2050;
  3. Landbouw, Water en Voedsel: Een vitaal landelijk gebied en een veerkrachtige natuur in een klimaatbestendig Nederland. Water en bodem zijn sturend, het landbouw en voedselsysteem is duurzaam en gezond en de delta is veilig;
  4. Gezondheidzorg en Zorg: Mensen in Nederland leven 5 jaar langer gezond en er zijn 30% minder gezondheidsverschillen tussen sociaal-economische groepen in 2040;
  5. Veiligheid: Nederlands is veilig en weerbaar tegen externe dreigingen en ondermijnende criminaliteit, zowel in de fysieke omgeving als het digitale domein.

Daarnaast zet het missiegedreven innovatiebeleid ook in op sleuteltechnologieën en digitalisering. Met de Kennis en Innovatie Agenda’s (KIA’s) en het daaraan gerelateerde Kennis- en Innovatieconvenant (KIC, meest recent 2024-2027) wordt invulling gegeven aan dit beleid door bedrijven, kennisinstellingen en overheden. Het KIC bevat afspraken met ruim 2.200 bedrijven, kennisinstellingen en overheden over welke investeringen gedaan zullen worden om de KIA’s uit te voeren. In de huidige KIC is afgesproken dat er gezamenlijk 5,7 miljard euro zal worden geïnvesteerd. Hiervan komt 4,3 miljard euro, of 75%, uit publieke middelen en de rest uit bedrijven. In 2026 wordt een evaluatie van dit missiegedreven innovatiebeleid verwacht. 

2. Een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat met optimale randvoorwaarden voor succesvol ondernemerschap; 

Om de randvoorwaarden voor innovatieve ondernemers te verbeteren streeft EZK bijvoorbeeld naar het terugdringen van de regeldruk, door bij het ontwikkelen van wet- en regelgeving te toetsen op werkbaarheid en uitvoerbaarheid. Ook ondersteunt EZK bij de opschaling en uitrol van nieuwe technologieën door standaardisatie en het vastleggen van voorwaarden. Eveneens is toegang tot talent belangrijk voor een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat. EZK heeft hiervoor diverse (actie)plannen en beleidsexperimenten. De financieringskloof voor start-ups en scale-ups krijgt in het bijzonder aandacht, onder andere nadat de Europese Commissie dit benoemde in haar landspecifieke aanbevelingen voor Nederland in 2025-2026. Hiertoe zet het kabinet in op het versterken van de samenwerking tussen bestaande financieringsinstrumenten en het mobiliseren van institutionele beleggers om de beschikbaarheid van investeringsfondsen voor startups en scale-ups te verbeteren. 

3. Het faciliteren van de transitie naar een toekomstbestendige, circulaire en inclusieve economie. 

Het kabinet wil dat de economie in 2050 volledig circulair is. Het Nationale Programma Circulaire Economie (NPCE) bevat maatregelen om dit doel te behalen. De minister van EZK is verantwoordelijk voor beleid gericht op de circulaire maakindustrie en circulariteit van kritieke grondstoffen. Ook de leveringszekerheid van kritische grondstoffen valt hieronder, zoals vastgelegd in de Nationale Grondstoffenstrategie. 


Coalitieakkoord 2026-2030

Het voorgenomen innovatiebeleid voor bedrijven speelt zich af in een context van onzekere en snel veranderende geopolitieke verhoudingen. Economische kracht is in deze geopolitieke omstandigheden steeds meer verbonden aan geopolitieke macht. Innovatie en toegepaste kennis zijn daarmee ook bepalend voor onze geopolitieke positie. In het huidige coalitieakkoord staat niet alleen bij het wetenschapsbeleid maar ook bij het innovatiebeleid opnieuw de 3%-norm voor R&D-investeringen centraal. De overheid moet daarnaast de randvoorwaarden creëren en vaker optreden als ‘launching customer’ voor innovatieve technologieën. Het kabinet wil daarbij een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie oprichten, naar het "DARPA-model". Aanvullend op de bestaande instrumenten zou NADI een hoge risicotolerantie met snelle en flexibele besluitvorming en financiering over de gehele innovatieketen kunnen combineren. Dit zou het Nederlandse innovatielandschap kunnen helpen bij het opschalen en implementeren van disruptieve of baanbrekende innovaties. Voor de uitvoering van de Nationale Technologiestrategie investeert de overheid in regionale innovatieclusters, deelname aan Europese innovatieprogramma’s en publiek-private innovatieprogramma’s. Ook is het kabinet voornemend om de experimenteerruimte voor jonge technologiebedrijven te vergroten. Eén nationale technology transfer office (TTO) die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en uitrol van best practices voor lokale TTO’s moet valorisatie verbeteren. 

Defensie en internationale veiligheid spelen een hoofdrol in het huidige coalitieakkoord. Defensie-uitgaven worden fors opgeschaald om de NAVO-norm van 3,5% van het bruto binnenlands product te halen. Daarbij krijgt de defensie-industrie de ruimte om te groeien. Dit betekent dat wetenschap, innovatie en defensie in toenemende mate samenkomen. De ambitie is om de samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen te versterken om de productiecapaciteit van de Nederlandse defensie-industrie te vergroten. In het coalitieakkoord wordt een defensie-innovatieautoriteit aangekondigd. Deze autoriteit is betrokken bij de medefinanciering van onderzoeksprojecten met kennisinstellingen die voor Defensie van toegevoegde militaire waarde zijn. De minister van EZK werkt samen met Defensie aan het versterken, beschermen en internationaal positioneren van de Nederlandse Defensie Technologische & Industriële Basis

 

Instrumenten innovatiebeleid

Het innovatiedeel van het bedrijvenbeleid van EZK bestaat uit generieke instrumenten voor alle innovatieve bedrijven en specifieke instrumenten die bijvoorbeeld gericht zijn op het missiegedreven innovatiebeleid. Kern van het specifieke beleid is publiek-private samenwerking (PPS) in onderzoek en innovatie bevorderen. Het budget voor het generieke innovatiebeleid is overigens veel groter dan voor het specifieke innovatiebeleid. Hieronder komen enkele generieke en specifieke instrumenten aan bod. Meer informatie is opgenomen in de begroting van EZK en op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).


1. Generieke instrumenten

1a. WBSO: Sinds 1994 bestaat er een fiscale facilitering van R&D, via de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO). De WBSO is een fiscale stimuleringsregeling waarmee de Nederlandse overheid een deel van de loonkosten en andere kosten voor R&D compenseert. De WBSO is bestemd voor Nederlandse bedrijven die onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten uitvoeren, variërend van starters en kleine zelfstandigen tot multinationals in elke bedrijfssector. De verrekening van het daadwerkelijke voordeel van de fiscale instrumenten vindt plaats via de aangifte bij de Belastingdienst. De RVO voert de WBSO uit. Het budgettair belang van deze afdrachtvermindering voor R&D-werk was 1.682 miljoen euro in 2025. 

1b. Innovatiebox: Dit fiscale instrument is ook gericht op het stimuleren van innovatief onderzoek door bedrijven. De Innovatiebox verlaagt de vennootschapsbelasting voor winsten uit innovatieve activiteiten, die afkomstig zijn uit WBSO-projecten of octrooien. Dit instrument levert zo een belastingvoordeel op voor bedrijven. De Innovatiebox valt onder de beleidsmatige verantwoordelijkheid van het ministerie van Financiën; het ministerie van EZK is inhoudelijk nauw betrokken. Het budgettair belang van de Innovatiebox was 2.898 miljoen euro in 2025.


1c. Toekomstfonds: Een belangrijk onderdeel van het innovatiebeleid voor bedrijven is het Toekomstfonds. Het beoogt de innovatiekracht van Nederland te versterken en mogelijk te maken door het beschikbaar stellen van (risico)financiering voor het innovatief en snelgroeiend mkb en voor fundamenteel en toegepast onderzoek. Daarnaast kent het Toekomstfonds een aantal instrumenten dat de toegang tot risicokapitaal voor het bedrijfsleven faciliteert, waar de markt dat niet kan. Onderdelen van het Toekomstfonds zijn subsidies via de regelingen Haalbaarheidsstudies STW en Thematisch Technology Transfer en allerlei (deels) revolverende leningen aan start-ups en mkb (zoals de regelingen Innovatiekrediet en Risicokapitaal SEED). Bij succes betalen bedrijven de kredieten terug aan het fonds, waaruit dan opnieuw geïnvesteerd wordt.


2. Specifieke instrumenten

2a. Regeling voor publiek-private samenwerking (PPS): De PPS-innovatieregeling is een subsidie voor innovatieprojecten waarin bedrijven en kennisinstellingen samenwerken binnen een PPS-programma van een Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI). Voor iedere euro dat een bedrijf investeert in R&D binnen een onderzoeksinstelling of een publiek-privaat samenwerkingsproject, legt EZK € 0,30 bij aan PPS-toeslag. De PPS-toeslag moet worden ingezet voor R&D. 

2b. MIT: In 2013 is de regeling MKB Innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) geïntroduceerd. Het doel van deze regeling is het bevorderen van innovatie bij het MKB, door deze beter aan te laten sluiten bij de topsectoren. De MIT kent een aantal subsidieonderdelen (van R&D-samenwerking tot innovatiemakelaars) waarvoor MKB-bedrijven aanvragen kunnen indienen. Aanvragen van subsidies voor innovatiemakelaars en netwerkactiviteiten dienen door TKI's plaats te vinden. Sinds 2015 wordt de MIT uitgevoerd en gefinancierd in samenwerking met de provincies.

 

Innovatie ten dienste van de economie, maar ook voor de maatschappij

Voormalig demissioniar kabinet-Schoof vroeg Peter Wennink om een onafhankelijk advies over het toekomstige verdienvermogen van Nederland. In dit rapport (De route naar toekomstige welvaart, 2025) waarschuwt Wennink dat Nederland snel en gericht moet investeren in innovatie om onze welvaart te behouden. In een reactie op dit rapport schreven wij binnen het Rathenau Instituut het artikel  ‘Pas op voor innovatiesimplisme’. De rol van de overheid met betrekking tot innovatie is breder dan het stimuleren van innovatie voor economische doelen. De overheid heeft ook de taak om innovatie te stimuleren voor maatschappelijke doelen en voor de publieke sector, om te zorgen voor een goede maatschappelijke inbedding van innovatie, en om de kansen en risico’s van innovatie goed te reguleren. 

De rol van de overheid met betrekking tot innovatie is breder dan het stimuleren van innovatie voor economische doelen.

3. Het innovatiebeleid voor andere sectoren

Naast het innovatiebeleid voor bedrijven van het ministerie van EZK voeren ook andere departementen binnen de rijksoverheid kennis- en innovatiebeleid voor hun eigen beleidsagenda's. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) stimuleert bijvoorbeeld onderzoek en innovatie voor gezondheid en zorg, onder andere via ZonMw. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) stimuleert bijvoorbeeld kennis en innovatie voor zijn beleidsagenda’s op het gebied van waterbeleid, verkeersveiligheid, openbaar vervoer, en circulaire economie. Het ministerie van Landbouw, Voedselzekerheid, Visserij en Natuur (LVVN) heeft kennis- en innovatiebeleid om bij te dragen aan een toekomstbestendig voedselsysteem, een robuuste natuur en een vitaal platteland.

4. EU-beleid

Het nationale beleid op het gebied van wetenschaps- en innovatiebeleid wordt aangevuld en beïnvloed door het Europese beleid op deze terreinen. Het Europese beleid staat in het teken van de vergroting van welvaart, welzijn, concurrentievermogen en werkgelegenheid. Europa wil ook oplossingen bieden voor grote maatschappelijke uitdagingen, zoals klimaatverandering, de verouderende bevolking, energievoorziening, en veiligheid op verschillende gebieden. Een voorbeeld van Europees beleid is de Europese innovatieagenda (2022). Deze moet onder andere zorgen voor betere toegang tot financiering, voorwaarden scheppen om innovatoren in testomgevingen te laten werken, 'regionale innovatiezones' tot stand te brengen, talent aan te trekken en de regelgeving te verbeteren. 

Het Draghi rapport ‘De toekomst van het Europese concurrentievermogen – Een strategie voor het concurrentievermogen van Europa’ uit 2024 heeft grote invloed gehad op het onderzoeks- en innovatiebeleid van de Europese Commissie. In dit rapport benadrukt Draghi het belang van forse investeringen in innovatie voor het herstel van de concurrentiekracht van de EU. In reactie hierop publiceerde de Europese Commissie in januari 2025 het ‘Competetiveness compass’, een strategie om de aanbevelingen van Draghi te vertalen naar de praktijk. Maatregelen om innovatie te stimuleren omvatten het stimuleren van een gunstig ondernemingsklimaat voor jonge en snelgroeiende bedrijven, het helpen van grote bedrijven om nieuwe technologieën te implementeren en het makkelijker maken voor bedrijven om in de gehele EU te opereren door wet- en regelgeving te vereenvoudigen. 

Vanaf 1984 heeft de EU meerjarige kaderprogramma’s voor onderzoek en innovatie gefinancierd. Het meest recente programma is Horizon Europe, dat loopt van 2021 tot en met 2027. De Europese Commissie wil dat dit kaderprogramma bijdraagt aan actuele strategische beleidsprioriteiten. De Europese Green Deal is daar een van. Horizon Europe heeft een begroot budget van 93,5 miljard euro en bestaat uit drie pijlers:

  1. Excellente wetenschap
  2. Wereldwijde uitdagingen en Europees industrieel concurrentievermogen
  3. Innovatief Europa

Het volgende Horizon kaderprogramma, KP10, zal naar verwachting een nog veel hoger budget hebben. Het zal ook afgestemd worden op het European Competitiveness Fund dat momenteel wordt voorbereid. Daarmee wil de Europese Commissie grote investeringen doen in strategische (technologie)gebieden, waaronder Schone transitie en industriële decarbonisatie; Digitaal leiderschap; Gezondheid, biotechnologie, landbouw en bio-economie; en Veerkracht, veiligheid, defensie-industrie en ruimtevaart. In het Meerjarig Financieel Kader (MFK) is voor de periode 2028-2034 een recordbudget vastgesteld van bijna 2 triljoen euro, welke onder andere ingezet zal worden voor innovatie en defensiegerelateerde R&D.

Naast het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie kent de EU beleid dat gericht is op het regionale niveau van landen. Als onderdeel van dit beleid heeft de EU verschillende structuurfondsen opgezet om (de samenhang) tussen Europese regio's te versterken. In de periode 2021-2027 heeft Nederland een gepland budget van 3,5 miljard euro vanuit deze fondsen. De afgelopen jaren speelt onderzoek en innovatie hierbij een steeds grotere rol. 

Tot slot

Het Aan de slag - Coalitieakkoord 2026-2030 vormt het uitgangspunt voor het wetenschaps- en innovatiebeleid van het huidige kabinet-Jetten. Het akkoord zet - na een periode van forse bezuinigingen tijdens kabinet-Schoof – stevig in op wetenschap en innovatie, binnen de context van grote geopolitieke onzekerheid. Structurele investeringen in R&D toegespitst op maatschappelijke opgaven, samenwerking en talent staan centraal in het wetenschapsbeleid. Daarbij staan de doelstelling om in 2030 3% van het bruto binnenlands product uit te geven aan publieke en private investeringen in R&D en de Nationale Technologiestrategie centraal in het innovatiebeleid voor bedrijven. Defensie en internationale veiligheid spelen een belangrijke rol in het huidige coalitieakkoord. Wetenschap, innovatie en defensie komen daarbij in toenemende mate samen.

Voor een uitleg van de gebruikte definities en afkortingen verwijzen we graag naar de webpagina Definities en afkortingen.